Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1997:AA6059

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/01273
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/27.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 95/1273

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X Pensioenfonds te Z tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid grote ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem zonder verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1993.

De mondelinge behandeling.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 25 november 1997 te 's-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. A, verbonden aan X Pensioenfonds, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 9 december 1997, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing.

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden.

(1) Belanghebbende belegde in het onderhavige tijdvak onder meer in aandelen en obligaties. Ten behoeve hiervan zijn door buitenlandse ondernemers aan belanghebbende diensten verleend als genoemd in artikel 6, tweede lid, onderdeel d, onder 3°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Het geschil betreft de vraag of belanghebbende deze diensten heeft afgenomen als ondernemer.

(2) Naar aanleiding van het inmiddels gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg van 11 juli 1996, zaak C-306/94, Régie dauphinoise, heeft belanghebbende ter zitting zijn subsidiaire stelling dat het door hem beleggen in aandelen en obligaties niet als een economische activiteit in de zin van de Zesde Richtlijn is aan te merken, laten varen, uit overweging dat dit beleggen het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk vormt van zijn activiteiten als verzekeraar van pensioenen. Dit naar het oordeel van het Hof terecht.

(3) Nu, naar belanghebbende ter zitting ook heeft erkend, de aard van belanghebbendes activiteiten niet afwijkt van die van andere pensioenfondsen, kan niet worden gezegd dat belanghebbende een specifieke overheidstaak vervult. De omstandigheden dat belanghebbende uitsluitend pensioenen voor overheidspersoneel mag verzorgen, dat belanghebbende een publiekrechtelijke rechtspersoon is en dat belanghebbende onderworpen is aan speciale wettelijke regelingen, kunnen hier niet aan afdoen. Voor het oordeel dat belanghebbende geen specifieke overheidstaak vervult, vindt het Hof steun in de omstandigheid dat reeds vóór de aanvang van het tijdvak van naheffing gesproken werd over het privatiseren van belanghebbende en dat deze privatisering ook daadwerkelijk per 1 januari 1996 heeft plaatsgevonden.

(4) Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende de onder (1) bedoelde diensten als ondernemer afgenomen. Voor dit geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

(5) Beide partijen hebben ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

(6) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld te 's-Hertogenbosch op 9 december 1997 door J.A. Meijer, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en M.E van Hilten, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegen-woordig-heid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 december 1997