Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1997:AA4398

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/2727
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 95/2727

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X, wonende te Z, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 95.467,--. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 14 maart 1997, gehouden te Q. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur.

1.4. Het Hof heeft op 28 maart 1997 mondeling uitspraak gedaan, met betrekking tot welke uitspraak op 11 april 1997 afschriften van het proces-verbaal met ontvangstbevestiging aan partijen zijn verzonden.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 28 april 1997, bij het Hof binnengekomen daags daarna, het Hof verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Als gevolg van een ongeval raakte belanghebbende in het verleden verlamd aan het onderlichaam. Volledig herstel was uitgesloten. In verband met die verlamming verloor belanghebbende zijn dienstbetrekking en werd hij, aanvankelijk voor 100%, arbeidsongeschikt verklaard.

2.2. Na langdurige revalidatie verbeterde de toestand van belanghebbende en slaagde hij erin een dienstbetrekking te vinden bij A te R, voor een proefperiode van één jaar. Na afloop van dat jaar aanvaardde belanghebbende bij A een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd. In het onderhavige jaar vervulde hij bij A de functie van locatiemanager. In verband met de verdiencapaciteit bij A onderging de WAO-uitkering van belanghebbende een wijziging. In plaats van een uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%, ging belanghebbende een uitkering ontvangen, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%.

2.3. Vóór het ongeval en vóór de invaliditeit die in verband daarmee ontstond, was belanghebbende gedurende meer dan 10 jaren door zijn werkgever een personenauto ter beschikking gesteld danwel ontving belanghebbende een zodanige auto-onkostenvergoeding, dat de voor belanghebbende resterende autokosten vrijwel nihil waren. In verband met de invaliditeit kon belanghebbende een dienstbetrekking, waarbij een zogenaamde "auto van de zaak" tot de emolumenten behoorde, niet meer verwerven. Bij A bestond niet een zodanige regeling. Wel ontving belanghebbende in het onderhavige jaar van A een auto-onkostenvergoeding voor 7.011 km. Als gevolg van een en ander drukten op belanghebbende in het onderhavige jaar aanzienlijk meer autokosten, dan bij "een auto van de zaak" het geval zou zijn geweest. In dat jaar beschikten belanghebbende en zijn echtgenote over een Nissan Primera, hoofdzakelijk in gebruik bij belanghebbende, en een Lada, die zowel door belanghebbende als zijn echtgenote werd gebruikt.

2.4. De extra autokosten van belanghebbende in het onderhavige jaar in verband met een medische behandeling of bezoek aan een medische hulpverlener, zijn door de Inspecteur integraal als buitengewone lasten in verband met ziekte of invaliditeit in aanmerking genomen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In verband met invaliditeit, door een ongeval ontstaan, kon belanghebbende niet meer een werkkring verwerven waarbij een "auto van de zaak" tot de mogelijkheden behoorde. Daardoor drukten op belanghebbende in het onderhavige jaar extra autokosten. In geschil is of belanghebbende ter zake van die extra autokosten recht heeft op aftrek als buitengewone lasten in verband met ziekte of invaliditeit. Belanghebbende, die verdedigt dat ter zake fl. 5.761,-- in aanmerking moet worden genomen, beantwoordt die vraag bevestigend. De Inspecteur beantwoordt bedoelde vraag ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag. Niet duidelijk is geworden tot welk belastbaar inkomen in zijn visie de aanslag moet worden verminderd.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat door hem in het onderhavige jaar extra autokosten zijn gemaakt, andere dan autokosten in verband met een medische behandeling of bezoek aan een medische hulpverlener, welke als noodzakelijk en als rechtstreeks gevolg van ziekte of invaliditeit kunnen worden aangemerkt. Als noodzakelijk en als rechtstreeks gevolg van ziekte of invaliditeit gemaakte autokosten kunnen, anders dan belanghebbende van oordeel is, niet worden aangemerkt de opgeroepen autokosten in verband met de omstandigheid dat belanghebbende in verband met zijn invaliditeit geen "passende" functie meer kon verwerven "met alle daarbij behorende emolumenten zoals onder meer een zogenaamde auto van de zaak" danwel "een zodanige onkostenvergoeding dat de feitelijke autokosten voor eigen rekening op vrijwel nihil konden worden gesteld", zoals vóór belanghebbendes invaliditeit wèl het geval was.

4.2. Het in 4.1. gegeven oordeel reeds verhindert aftrek van de door belanghebbende geclaimde en door de Inspecteur niet in aftrek toegelaten autokosten als buitengewone lasten in verband met ziekte of invaliditeit. Niet meer van belang is het antwoord op de vraag of, en zo ja, in hoeverre, in het onderhavige jaar op belanghebbende meer autokosten drukten dan op met belanghebbende wat betreft inkomen, vermogen en gezinssituatie vergelijkbare belastingplichtigen die niet invalide waren.

4.3. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op

door G.J. van Muijen, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Met ontvangstbevestiging in afschrift aan partijen verzonden op

[Zie ook arrest HR nummer 33692 (red.)]