Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1997:AA4387

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-04-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
94/0834
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 94/0834

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van

f 215.627,--.

1.2. Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 7 februari 1996 te 's_Hertogenbosch.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.6. Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot de

Inspecteur gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, lid 1, aanhef en onderdeel 2, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkomstige toepassing heeft gevonden.

1.7. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 8 januari 1997, gehouden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.8. De Inspecteur heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt met goedvinden van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt. De Inspecteur heeft bij zijn pleitnota zonder bezwaar van de wederpartij vier bijlagen overgelegd.

2. Feiten.

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende exploiteerde in het hier aan de orde zijnde jaar het hotel-restaurant A te Q en appartementen in Q en te R.

2.2. Vanaf 1990 geschieden de onder 2.1 vermelde activiteiten in firma-verband samen met zijn echtgenote X-Y.

2.3. In 1992 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden met betrekking tot de inkomstenbelasting over de jaren 1988 en 1989.

2.4. Het controlerapport vermeldt over de administratie onder meer dat de kasontvangsten in 1989 in één bedrag per kwartaal werden geboekt en dat onderliggende bescheiden ontbreken, zoals aantekeningen met betrekking tot de verhuurde kamers en appartementen en kopieën van uitgeschreven facturen.

2.5. De nachtregisters over 1989 zijn na het boekenonderzoek door belanghebbende vernietigd.

2.6. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur naar aanleiding van de uitkomsten van de controle de aangegeven winst verhoogd met een bedrag van f 40.334,-- wegens verzwegen omzet.

2.7. De Inspecteur heeft nadien zich nader op het standpunt gesteld dat de totale correctie wegens verzwegen omzet van hotel en appartementen f 117.886,-- had moeten zijn.

2.8. De Inspecteur is voor de hiervoor onder 2.7 genoemde berekening uitgegaan van gegevens voorkomend in de regionale VVV-gidsen, die o.a. samengesteld zijn uit opgaven van belanghebbende zelf. Daarin is het aantal bedden in het hotel in 1989 gesteld op 73 stuks, is het aantal appartementen te Q bepaald op 8 stuks en het aantal te R op 38 stuks [totaal 119]. Het aantal dagen waarop het bedrijf in 1989 open is geweest is op grond van die gidsen door hem berekend op 235.

2.9. Het aantal overnachtingen was in 1989 in het hotel en de appartementen te Q 5426 en in de appartementen te R 1206 [totaal 6632]. Het in 1989 in de branche gebruikelijke bezettingspercentage was 31%.

2.10. De Inspecteur heeft het hiervoor in 2.7 genoemde bedrag

als volgt berekend:

119 plaatsen x 235 dagen = 27965 capaciteit

6632

bezettingsgraad ------ = 23,7%

279,65

bezettingsgraad in branche = 31,0%

23.7

percentage geboekte omzet ------ = 76%

0,31

omzet logies in de aangifte f 380.281,-- x correctie 31% = f 117.886,--.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen.

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of

de Inspecteur terecht voor het jaar 1989 een winstcorrectie van f 40.334,-- heeft aangebracht wegens het niet volledig boeken van de overnachtingen.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen van f 177.965,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil.

4.1. Het Hof verwerpt de stelling van de Inspecteur dat in het hier aan de orde zijnde geval belanghebbende niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 47, lid 1, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Immers, naar belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij de nachtregisters niet bewaard, zodat hij die niet kon overleggen, terwijl omtrent de omstandigheden, waaronder op 1 september 1993 aan belanghebbende is verzocht het kasgeld te tellen, te weinig met zekerheid is komen vast te staan om de conclusie als door de Inspecteur verdedigd te trekken. Omkering van de bewijslast is dus niet aan de orde.

Wel merkt het Hof op dat, voor zover belanghebbende wordt gevraagd bewijs te leveren van zijn stellingen en hij voor dat bewijs de nachtregisters nodig heeft, hij het processuele risico draagt van het weggooien van de nachtregisters.

4.2. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de gebreken in de administratie zo ernstig zijn, dat die administratie als een ondeugdelijke basis voor de bepaling van de winst heeft te gelden. Hij heeft daartoe onder meer gewezen op de door hem berekende bezettingsgraad en het in dit jaar gebruikelijke bezettingspercentage en daaraan de conclusie verbonden dat belanghebbende niet zijn volledige omzet in de boeken heeft verantwoord. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur bij zijn berekening van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

4.3. Belanghebbende heeft allereerst het aantal door de Inspecteur in aanmerking genomen slaapplaatsen bestreden.

Het Hof hecht dienaangaande geloof aan de verklaring d.d. 12 juli 1996 van B, notaris te S, die na bezichtiging van Hotel A heeft verklaard dat er zich in dat hotel 56 slaapplaatsen bevonden en die uitdrukkelijk heeft verklaard dat in het bovengenoemde hotel geen enkele andere ruimte aanwezig was of gebruikt kon worden als hotelkamer of voor kamerverhuur.

4.4. Niet gesteld of gebleken is dat de Inspecteur het aantal kamers heeft geteld of heeft laten tellen.

4.5. Belanghebbende heeft bovendien gewezen op de investeringsstaten over de periode 1988-1996. Uit die staten blijkt niet van door belanghebbende gedane verbouwingen.

4.6. Hiertegenover heeft de Inspecteur aangevoerd de -door het Hof als onwaarschijnlijk terzijde gestelde en door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakte- bewering dat het feit dat mogelijke verbouwingskosten niet uit de jaarrekeningen blijken te wijten kan zijn aan de onbetrouwbare boekhouding.

4.7. Op grond van het hiervoor onder 4.3 tot en met 4.6 overwogene acht het Hof door de Inspecteur -tegenover de betwisting door belanghebbende- niet aannemelijk gemaakt dat het aantal slaapplaatsen in het hotel in 1988 meer dan 56 is

geweest.

4.8. Door belanghebbende is voorts aangevoerd dat met betrekking tot de appartementen te Q en R kan worden gesproken van hoteldienstverlening. In dat geval zouden de aldaar aanwezige bijzetbedden niet dienen mee te tellen voor de capaciteitsberekening.

4.9. Het Hof gaat -met de Inspecteur- uit van de opgave van belanghebbende aan de VVV, te weten van 8 slaapplaatsen voor de appartementen te Q en 38 slaapplaatsen te R. In deze aantallen zijn begrepen de als slaapplaats te gebruiken bijzetbedden. Naar het oordeel van het Hof hebben deze bedden ook mee te tellen voor de capaciteitsberekening. De Inspecteur heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat in de situatie van belanghebbende geen sprake is hoteldienstverlening; daartegenover heeft belanghebbende onvoldoende feiten gesteld om zijn stelling aannemelijk te maken.

4.10. De Inspecteur heeft het aantal openingsdagen berekend mede aan de hand van een opgave in de regionale VVV-gids. Het Hof acht die berekening aannemelijk, temeer daar de oorspronkelijke opgave door belanghebbende is gedaan.

Op deze gronden stelt het Hof het aantal dagen dat het bedrijf in 1989 geopend was op 235. Belanghebbende heeft een lager aantal dagen onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.11. Het bezettingsgraadpercentage dient -gelet op het hiervoor onder 4.3 tot en met 4.10 overwogene te worden bepaald op:

6632

--------- = 27,66%

1% x ([56+8+38] x 235)

4.12. Het feit dat het voor 1989 volgens de hiervoor vastgestelde grondslagen berekende percentage bezettingsgraad 3,34 procentpunt lager is dan het percentage dat in de branche in dat jaar gebruikelijk was biedt steun voor het verwerpen van de administratie. Belanghebbende heeft in die situatie een omzet die ten opzichte van hetgeen in de branche gebruikelijk is, ligt op 89,22%. Van belanghebbende mag worden verwacht dat hij een redelijke verklaring verschaft voor deze niet onaanzienlijke afwijking.

4.13. De verklaringen die belanghebbende heeft gegeven, te weten stankoverlast van de buurman, de gevorderde leeftijd van hemzelf en van zijn echtgenote en de hotelbonactie acht het Hof onvoldoende omdat die verklaringen niet worden geschraagd door enig document waaruit zou kunnen blijken dat genoemde omstandigheden de bezettingsgraad van de door belanghebbende geëxploiteerde onderneming nadelig hebben beïnvloed.

4.14. Belanghebbende is in gebreke gebleven het in 4.12 gesignaleerde verschil te verklaren. Mede in aanmerking genomen dat controle op de juistheid van de in de boekhouding opgenomen gegevens niet goed mogelijk is doordat

- de hotelontvangsten en de ontvangsten uit de verhuur van de appartementen in één bedrag per kwartaal werden geboekt aan de hand van ongenummerde en ongedateerde restanten van bonboekjes

- copiën van aan gasten uitgereikte facturen niet aanwezig zijn

- geen gegevens omtrent door personeel gewerkte dagen en uren zijn overgelegd

- geen aantekeningen omtrent reserveringen zijn bewaard

- de nachtregisters zijn weggegooid

houdt het Hof het ervoor dat bedoeld verschil zijn oorzaak vindt in de omstandigheid dat belanghebbende niet de gehele omzet in de boeken heeft verantwoord, zodat een correctie uit dien hoofde op zijn plaats is en wel ter grootte van f 45.937,--, berekend als volgt:

100

omzet ------ = 1,1208 x f 380.281,-- = f 426.218,--

89,22

aangegeven omzet f 380.281,--

------------

verschil f 45.937,--.

De aanslag is eerder te laag dan te hoog.

5. Proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

6. De beslissing.

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld en in het openbaar uitgesproken te 's-Hertogenbosch op door, J.Th. Simons, voorzitter, J. Lamens en A. Bijlsma, in tegenwoordigheid van P.J.J. Spijkers, waarnemend-griffier en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Met ontvangstbevestiging in afschrift aan partijen verzonden op:

[Zie ook arrest HR nummer 33709 (red.)]