Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1997:2

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-1997
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
C199600485HE
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:1998:2
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:1998:3
Cassatie: ECLI:NL:HR:2001:AB2054
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:1999:3
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval; letselschade; whiplash; causaal verband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Typ. JP Rolnr. 485/96/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Vierde Kamer, van 10 september 1997, gewezen in de zaak van:

De naamloze vennootschap ZWOLSCHE ALGEMEENE SCHADE­

VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] , appellante,

procureur mr. W.M.C. van der Eerden,

t e g e n

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , geïntimeerde,

procureur mr. H.A.M.J. Loeffen,

op het hoger beroep van het door de Rechtbank te

's-Hertogenbosch tussen partijen gewezen vonnis van 16 februari 1996.

1 De eerste aanleg

Het vonnis waarvan beroep is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Het verloop van het geding blijkt uit de volgende als ingelast te beschouwen en voor uitspraak overgelegde stukken:

- de appeldagvaarding d.d. 23 april 1996

- de memorie van grieven met een produktie

- de memorie van antwoord met produkties

- de akte uitlating produkties van ZA

- de antwoordakte van [geïntimeerde] , met produkties

ZA concludeert tot vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vordering; [geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging; beide partijen vorderen over en weer veroordeling in de proceskosten.

3 De gronden van het hoger beroep

ZA heeft 8 grieven voorgedragen, luidende als volgt:

Grief I:

Ten onrechte overweegt de Rechtbank met betrekking tot de feiten zoals dat in r.o. 2.1 t/m 2.18 heeft gedaan.

Grief II:

Ten onrechte heeft de Rechtbank in rechtsoverweging

4.1

overwogen dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is.

Grief III:

Ten onrechte heeft de Rechtbank in rechtsoverweging

4.2

overwogen dat de door een uitkeringinstantie arbeidsongeschikt verklaarde persoon er, behoudens in het geval van fraude, van uit mag gaan dat hij door het ongeval arbeidsongeschikt is.

Grief IV:

Ten onrechte .overweegt de Rechtbank in rechtsover­ weging 4.3 dat het verweer van Zwolsche Algemeene, dat is gebaseerd op de medische rapportage, moet worden verworpen.

Grief V:

Ten onrechte overweegt de Rechtbank dat geen ar­ beidsdeskundige rapportage noodzakelijk is.

Grief VI:

Ten onrechte heeft de Rechtbank de hoogte van de immateriële schade vastgesteld op f 18.000,--.

Grief VII:

Ten onrechte heeft de Rechtbank het gevorderde voorschot van f 25.000,-- toegewezen.

Grief VIII:

Ten onrechte heeft de Rechtbank de vordering van eiser in prima toegewezen.

4 De beoordeling

De eerste grief is zo algemeen geformuleerd, dat deze - behoudens ten aanzien van het onder 4.1 tot en met 4.3 van de toelichting daarop gestelde - bij gebreke aan nadere omschrijving buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Onderdeel 4.1 is in zoverre juist, dat de rechtbank de eerdere periode van overspannenheid niet heeft vermeld.

Onderdelen 4.2 en 4.3 zijn tot op zekere hoogte tegen­ strijdig. Immers, in 4.2 neemt ZA voor waar aan dat [geïntimeerde] expres onjuist heeft geantwoord bij een test, in

4.3

trekt zij dat weer in twijfel. Hoe dan ook: noch de

omstandigheden genoemd onder 4.2, noch die, genoemd onder 4.3 spelen een rol van enig gewicht bij de beoor­ deling van de aan de orde zijnde vragen.

Het hof zal hetgeen in de grieven onder 5 tot en met 9 aan de orde is gesteld meenemen bij de bespreking van grief II, hieronder.

Grief III is - minstgenomen voor een deel - gegrond. Terecht stelt ZA voorop, dat voor de vraag of [geïntimeerde] gerechtigd is tot schadevergoeding, naast de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid, van doorslagge­ vend belang is of die schade is veroorzaakt door c.q. kan worden toegerekend aan het ongeval, dat is veroor­ zaakt door de bij ZA verzekerde dader.

Of [geïntimeerde] al dan niet terecht in de veronderstelling verkeert (door het ongeval) arbeidsongeschikt te zijn (geworden) is daarbij niet relevant.

De grief is echter ongegrond, in zoverre als deze miskent dat bij de vraag naar het bewijs van het be­ staan van de schade, en van het oorzakelijk verband tussen ongeval en schade, ook betekenis toekomt aan onderzoeken en rapportages die hebben geleid tot de toekenning van een uitkering.

ZA heeft - naar zij stelt om praktische redenen - geen grief gericht tegen (onder meer) rov. 4.9 van het tussenvonnis, en dus ook niet tegen het oordeel van de rechtbank, dat aan het onderzoek door dr. Van Andel-De Rijk niet het karakter van een bindend advies toekomt. Daarom staat zulks tussen partijen vast; overigens is het hof het met dat oordeel volstrekt eens.

Dat betekent, dat thans (in het kader van grief II) be­ zien dient te worden of er voldoende gegevens voorhan­ den zijn om tot een eindoordeel omtrent het

(voort-)bestaan van arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] , alsmede omtrent het eventuele oorzakelijk verband tussen die arbeidsongeschiktheid en het ongeval, te komen.

Daarbij spelen alle rapporten een rol, ook dat van dr Herngreen.

Het hof beschikt thans over rapporten van (in chronolo­ gische volgorde) N. Padt, neuroloog, W.S. Zeegers, orthopaed, E.M.M. Oostdam, klinisch psycholoog, J.F. de Rijk-van Andel, neuroloog, H. Herngreen, neuroloog­ psychiater, en G.K. van Wijngaarden, neuroloog.

Het onderzoek van Zeegers, omschreven op blz. 4 onder 4.2, is uitgebreid geweest. Het onderzoek door De Rijk­ van Andel was - althans voor zoveel valt op te maken uit vervolgblad V bovenaan - summierder van aard.

Herngreen geeft zijn bevindingen ten aanzien van het lichamelijk onderzoek weer op vervolgvel 7 en 8 (eerste

helft), becommentarieert Zeegers op vervolgblad 10 en 11 (bovenaan), en De Rijk-van Andel op vervolgblad 12 (eerste helft).

Het ontbreekt het hof aan voldoende kennis om diep in te gaan op de verschillen in bevindingen. Zoveel is echter duidelijk, dat Herngreen bepaalde pijnverschijn­ selen weet op te wekken, waar dat Zeegers en De Rijk­ van Andel blijkbaar niet is gelukt. Voor de hand ligt, dat Herngreen andere tests heeft uitgevoerd, doch naar de relevantie daarvan kan het hof slechts gissen.

Het onderzoek van Oostdam is door Herngreen becommenta­ rieerd op vervolgblad 11, nadat hij op vervolgbladen 8 (onderste helft) en 9 verslag had gedaan van zijn eigen

- op het eerste oog uitgebreidere - psychologisch onderzoek. Ook voor de vergelijking van die onderzoeken ontbreekt het het hof aan deskundigheid.

De inhoud van de bevindingen van Herngreen is echter van dien aard, dat niet bij voorbaat uitgesloten dient te worden geacht dat de onderzoeken van de door ZA ingeschakelde deskundigen niet geheel volledig zijn ge­ weest.

Het hof laat het commentaar van dr. Van Wijngaarden vooralsnog buiten beschouwing. In de eerste plaats heeft hij [geïntimeerde] niet onderzocht, doch louter het dossier bestudeerd. In de tweede plaats merkt het hof op, dat ook indien - ervan uitgaande dat de stoornissen wel degelijk geobjectiveerd kunnen worden - het bewijs in natuurwetenschappelijke zin tussen die stoornissen en het ongeval niet kan worden geleverd, onder omstan­ digheden desondanks kan worden aangenomen dat die stoornissen het gevolg zijn van het ongeval, in een situatie data) het ongeval vaststaat, b) de stoornis­ sen vast staan, c) geen aanwijzingen voorhanden zijn dat die stoornissen ook voor het ongeval reeds beston­ den, end) het ongeval op zich dergelijke stoornissen kan veroorzaken. In de derde plaats leent de vraag in hoeverre bepaalde gebreken leiden tot arbeidsonge­ schiktheid zich, ten dele, wel voor beoordeling door een medisch specialist.

Het hof heeft, gelet op het vorenoverwogene, behoefte aan nadere voorlichting door deskundigen.

Het hof stelt zich voor dat zal worden gerapporteerd door een orthopaedisch chirurg en een neuroloog - beide gespecialiseerd, althans ervaren, op het gebied van whiplashtrauma's - die dienen te rapporteren omtrent de fysieke beperkingen, waarna een te benoemen arbeidskun­ dige, aan de hand van de bevindingen van orthopaed en neuroloog, kan rapporteren omtrent de gevolgen van de aangetroffen beperkingen voor de arbeidsgeschiktheid van [geïntimeerde] .

De deskundigen dienen in hoofdlijnen - elk naar gelang hun discipline - te rapporteren omtrent de volgende vragen:

1. welke stoornissen zijn bij [geïntimeerde] waarneembaar; 2a. zijn er aanwijzingen dat deze stoornissen zijn ver­ oorzaakt door het ongeval;

2b. kunnen deze stoornissen naar hun aard veroorzaakt zijn door een ongeval als het onderhavige;

2c. zijn er aanwijzingen voorhanden dat deze stoornis­ sen hun oorsprong vinden in een andere oorzaak;

3a. welke fysieke beperkingen ondervindt [geïntimeerde] als gevolg van deze stoornissen;

3b. in welke mate wordt [geïntimeerde] door deze beperkingen gehinderd in de uitoefening van zijn functie als bus­ chauffeur;

3c. in welke mate wordt [geïntimeerde] overigens door deze beperkingen gehinderd in de uitoefening van een functie van vergelijkbaar niveau; zijn dergelijke functies redelijkerwijze voorhanden?

Anderzijds moet reeds thans geconstateerd worden, dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat inderdaad van een whiplash sprake is. Bij deze stand van zaken dient elk van partijen de helft van het geschatte honorarium voor te schieten.

In het kader van grief VIII heeft ZA zich op het stand­ punt gesteld, dat [geïntimeerde] zijn stellingen dient te bewijzen. Dat standpunt is juist.

5 De beslissing het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 7 oktober 1997, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten omtrent de te benoemen des­ kundigen en het onderwerp van het onderzoek;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs Goossens, voorzitter, Branden­ burg en Van Schaik-Veltman, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 september 1997 door mr Goossens, vice-president, in aanwezigheid van de griffier.

A.M. Subelack

A.H.Q. Goossens