Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1996:BY4921

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-1996
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
20.001756.95
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Levenslange gevangenisstraf voor meervoudige moord en meervoudige gekwalificeerde doodslag op in totaal zeven personen te Venlo en omstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.001756.95

Uitspraakdatum: 26 april 1996

tegenspraak.

GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENHOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 18 september 1995 in de strafzaak onder de parketnummers 04-051015.94, 04-077181.94, 04-077621.94 en 04-077766.94 tegen:

[F.P.],

geboren te [geboorteplaats] (Duitsland), op [datum in 1973],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw-Vosseveld" te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De telastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de telasteleggingen over.

In deze weergave van de telasteleggingen zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen en de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging, zowel ambtshalve als naar aanleiding van de stellingen van de verdediging:

De vraag is gerezen of in casu nog gesproken kan worden van een "fair trial" en of om die reden het openbaar ministerie nog wel ontvankelijk dient te worden verklaard.

Gelet op al hetgeen in dit verband ter terechtzitting aan de orde is gekomen, zal het hof al de aan verdachte opgelegde beperkingen en beperkende maatregelen, de duur ervan, de tijdens die duur verkregen verklaringen van verdachte en medeverdachte(n)/getuige(n), alsmede de alstoen beweerdelijke toegepaste verhoortechniek vooreerst in het licht van de ontvankelijkheidsvraag bespreken.

a) Met betrekking tot de aan verdachte opgelegde beperkingen ex artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering moet voorop gesteld worden, dat verdachte in beginsel recht op informatie heeft in een zo vroeg mogelijk stadium, opdat hij kennis kan nemen welke bewijzen tegen hem worden verzameld.

Op deze regel zijn echter uitzonderingen. Zo kan het zogenaamde inzagerecht worden beperkt indien het belang van het onderzoek dit vordert, of met andere woorden het onthouden van processtukken wordt gerechtvaardigd indien ernstig te vrezen valt dat verdachte door kennis te nemen van de inhoud van die processtukken de waarheidsvinding ernstig zou kunnen belemmeren.

De duur van die beperkingen wordt bepaald door het tijdstip waarop bedoelde vrees aanwezig is en uiterlijk tot het moment als bedoeld in artikel 33 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat die vrees gerechtvaardigd was en bleef tot genoemd moment, zulks gelet op de ontkennende houding van verdachte en/of diens wisselende verklaringen tijdens het voorbereidend onderzoek, gelet ook op de houding en wisselende verklaringen van de getuige(n)-medeverdachte(n), alsmede gelet op de omstandigheid dat het hier zeer ernstige misdrijven betreft, waardoor de rechtsorde zeer verstoord was en waarvan de oplossing in het belang van die rechtsorde bij het afwegen van belangen een zeer hoge prioriteit diende te hebben.

Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat aan alle wettelijke formaliteiten met betrekking tot deze beperkingen is voldaan.

De klacht dat verdachte, omdat deze niet kon beschikken over de verklaringen van medeverdachte(n) en getuige(n), gedurende lange tijd verstoken is gebleven van adequate rechtshulp treft geen doel, omdat juist voormeld artikel 33 Sv. aangeeft het moment waarop verdachte in het belang zijner verdediging van alle processtukken in zijn zaak moet kunnen kennisnemen.

Het bepaalde in dat artikel is in acht genomen, terwijl niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de raadsman vanaf dat moment niet de verdediging adequaat ter hand heeft kunnen nemen, dan wel de tijd om die verdediging voor te bereiden te kort is geweest, hetgeen temeer geldt voor de behandeling van de zaak in hoger beroep.

b) Met betrekking tot de maatregel ex artikel 62 en 76 Sv. en artikel 225 Invoeringswet Wetboek van Strafvordering (de zogenaamde anti-collusie-maatregelen):

Voorop staat hier, dat de inverzekering of voorlopige hechtenis gestelde personen aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke volstrekt noodzakelijk zijn voor het doel hunner vrijheidsbeneming of in het belang van het onderzoek.

Op grond van hetgeen hierboven reeds onder a) is overwogen, was in casu ernstig gevaar aanwezig, dat zonder de litigieuze maatregel het meer dan zeer omvangrijke ingewikkelde opsporingsonderzoek in een vroeg of later stadium tot mislukken gedoemd zou worden door afspraken tussen verdachte en medeverdachte(n)/getuige(n), door het onderling afstemmen van verklaringen of door bedreigingen of het onder druk zetten van medeverdachte(n)/getuige(n). Dat dit gevaar verre van denkbeeldig was, is gebleken uit diverse activiteiten van medeverdachte(n) en getuige(n) nadat de beperkende maatregelen waren opgeheven.

Uit het vorenoverwogene volgt, dat niet alleen de beperkende maatregelen zelf, doch ook de lange duur daarvan volstrekt noodzakelijk waren voor het doel van de vrijheidsberoving van verdachte en in het belang van het onderzoek.

Ook hier heeft het hof geconstateerd dat aan alle wettelijke formaliteiten met betrekking tot het toepassen van deze maatregel is voldaan.

c) Met betrekking tot de maatregel van het langdurig "lichten" van verdachte en/of medeverdachte(n) uit het Huis van Bewaring voor verhoor op het politiebureau (Maatregel in het belang van het onderzoek in de zin van artikel 225 van de Invoeringswet Wetboek van Strafvordering en 132 Gevangenismaatregel):

Gebleken is dat deze maatregel extreem lang en veelvuldig is toegepast.

Niettemin kan deze maatregel alsook de duur daarvan in het bijzondere geval van het onderhavig opsporingsonderzoek, hetwelk zoals gezegd van uitzonderlijk grote omvang en ingewikkeldheid was, in het licht van het belang dat dit onderzoek efficiënt en binnen een aanvaardbare termijn kon worden afgerond, worden gerechtvaardigd.

Hiervoor was zoals uit de stukken blijkt een veelvuldig verhoor van de verdachte en medeverdachte(n) noodzakelijk.

In dat licht bezien maakt een efficiënt en voorspoedig verloop van het opsporingsonderzoek, met name een optimale inzet van de verhoorteams, aanvaardbaar mede met het oog ook op de wenselijkheid van berechting binnen een maatschappelijk aanvaardbare termijn in een zo omvangrijke zaak als de onderhavige, dat de in verschillende Huizen van Bewaring verblijvende verdachten over soms vrij grote afstand naar de verhoorteams zijn overgebracht en dat niet deze teams langs de verschillende Huizen van Bewaring rondreizen.

Ook met betrekking tot deze maatregel is overigens aan alle formaliteiten voldaan en met name is het "lichten" tijdens het GVO geschied op last van de rechter-commissaris.

Niet gebleken is, noch aannemelijk geworden, dat de tijdens het "lichten" geboden faciliteiten en de mogelijkheden tot sociaal contact beneden een aanvaardbaar niveau lagen.

Met betrekking tot a, b en c:

Niet ontkend kan worden dat genoemde beperkende maatregelen en de lange duur daarvan het gevaar in zich bergen, dat verdachten en met name ook jeugdige verdachten (bekennende) verklaringen afleggen, waarvan zij denken dat de verhorende ambtenaren deze willen horen. Dit gevaar is duidelijk aanwezig in een geval waarin de verhorende ambtenaren ontoelaatbare suggestieve en/of dwingende verhoortechnieken zouden toepassen.

Zulks is niet gebleken of aannemelijk geworden. Met name is niet gebleken dat de gebezigde verhoortechnieken in de onderhavige zaak ongebruikelijk of ontoelaatbaar zijn, of tot een onjuist beeld van het gebeuren zouden moeten leiden.

Ook is niet gebleken dat de hierboven genoemde beperkende maatregelen of de duur daarvan zijn toegepast of gebezigd voor een ander doel dan het doel waarvoor deze zijn geschapen. Met name is niet gebleken of aannemelijk geworden dat die maatregelen als oneigenlijk drukmiddel zijn gehanteerd.

Evenmin is gebleken of aannemelijk geworden dat die maatregelen een uitwerking hebben gehad, die als ongeoorloofde pressie zou kunnen worden aangemerkt.

Er is dan ook geen aanknopingspunt voor de stelling dat artikel 3 (folterverbod) van het het Verdrag van Rome zou zijn overtreden.

In verband met het reeds geconstateerde gevaar welke beperkende maatregelen op verdachte(n) en medeverdachte(n)-getuige(n) - kunnen hebben is het aan de rechter bij het beantwoorden van de bewijsvraag de nodige behoedzaamheid te betrachten bij de waardering van bedoelde verklaringen als bewijsmiddel.

Voor zover er sprake zou zijn van "druk" als gevolg van de "lichting" van verdachte geldt dit temeer, nu verdachte in de [I.K.]-zaak op het einde van zijn verhoorperiode in die zaak blijkens proces-verbaal d.d. 1 februari 1995 (klapper 6, pag. 2892 van het doorgenummerde dossier) heeft verklaard:

"Verder voel ik me goed en word ik goed behandeld. Ik ben tot nu toe op twee weken na elke week gelicht. Ik heb tegen deze lichting geen enkel bezwaar gemaakt. Ik wil dus ook duidelijk stellen, dat ik tegen de lichtingen geen bezwaar heb".

Gelet op al het vorenoverwogene kan dan ook niet gezegd worden dat al de genoemde beperkende maatregelen zowel elk op zich, als alle tesamen, medebrengen dat niet meer kan worden gesproken van een "fair trial" in de zin van het Verdrag van Rome, zijnde geen daaronder vallende beginselen geschonden.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

parketnummer 051015.94:

primair: op 20 januari 1994 te Reuver, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [W] van het leven heeft beroofd, door opzettelijk met een pistool, kogels te schieten in het lichaam en het hoofd van voornoemde [W], waardoor schotverwondingen gepaard gaande met perforatie van vitale organen, massaal bloedverlies en weefselschade zijn ontstaan, tengevolge waarvan voornoemde [W] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal door twee of meer verenigde personen van een horloge, gepleegd op 20 januari 1994 te Reuver ten opzichte van voornoemde [W], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

parketnummer 077181.94:

primair: op of omstreeks 15 februari 1994 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [R] en [L] van het leven heeft beroofd, door tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk meermalen met messen, te steken en te snijden in het lichaam en de hals van die [R] en in het opzettelijk meermalen met een mes steken in het lichaam van die [L], tengevolge waarvan voornoemde [R] en voornoemde [L] zijn overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten afpersing van een hoeveelheid geld door twee of meer verenigde personen, gepleegd op 15 februari 1994 te Venlo ten opzichte van voornoemde [R] en voornoemde [L], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemers straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

parketnummer 077621.94:

primair: in de nacht van 17 juni 1993 op 18 juni 1993 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [I.K.] van het leven heeft beroofd, door, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een schietwapen een kogel in de borst en een kogel in de rug, van die [I.K.] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [I.K.] is overleden;

parketnummer 077766.94:

1 primair: in de nacht van 17 juni 1993 op 18 juni 1993, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade een manspersoon van het leven heeft beroofd, door, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een schietwapen meerdere kogels in het bovenlichaam van die manspersoon te schieten en het lichaam van die manspersoon te verzwaren met een steen of een blok beton, en vervolgens in enig water gelegen nabij een gebouw bij de kanovereniging "de Viking" te gooien en te laten zinken, tengevolge van een of meer van welke hiervoor beschreven handelingen die manspersoon is overleden;

2 primair: in de nacht van 18 juni 1993 op 19 juni 1993, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade een manspersoon van het leven heeft beroofd, door, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg in een bosgebied genaamd: "het Zwarte Water" met meerdere schietwapens meerdere kogels in het lichaam en in het hoofd van die manspersoon te schieten en vervolgens die manspersoon te begraven, tengevolge van een of meer van welke hiervoor beschreven handelingen die manspersoon is overleden;

3 primair: in de maand augustus 1993, in de gemeente Arcen en Velden, tezamen en in vereniging met [A.P.], opzettelijk en met voorbedachten rade een manspersoon van het leven heeft beroofd, door, tezamen en in vereniging met zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een schietwapen een kogel in het hoofd van die manspersoon te schieten en vervolgens die manspersoon in een bosperceel te begraven, tengevolge van een of meer van welke hiervoor beschreven handelingen die manspersoon is overleden;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder parketnummers 051015.94 primair, 077181.94 primair, 077621.94 primair en 077766.94 sub 1 primair, sub 2 primair en sub 3 primair meer of anders te laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de bewezenverklaring overweegt het hof het navolgende in het bijzonder:

Blijkens de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen heeft verdachte met zijn mededader(s) ter uitvoering van een vooropgezet plan zodanig nauw samengewerkt c.q. doet zich een zodanig bewuste, planmatige, volledige en nauwe samenwerking voor dat sprake is van telkens een dadergroep waarbij niet van belang is welke handeling ieder heeft verricht en wie hunner tenslotte de voltooiingshandeling(en) heeft verricht zodat verdachte als mededader moet worden aangemerkt.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

[DE BEWIJSMIDDELEN ZIJN NIET OPGENOMEN IN DEZE GEPUBLICEERDE VERSIE VAN HET ARREST]

Ambtshalve overweging met betrekking tot het bewijs:

Al hetgeen hierboven in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen brengt naar het oordeel van het hof tevens mee dat in dat verband niet gesproken kan worden van onrechtmatige bewijsgaring.

Met betrekking tot de rechtmatigheid van de bewijsgaring en de betrouwbaarheid van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof nog het volgende:

A. Algemeen:

1. Hetgeen door de verdediging is gesteld, dan wel uit het betoog van andere raadslieden is overgenomen, komt hierop neer dat de politie gebruik heeft gemaakt van onoirbare verhoormethoden en dat de resultaten daarvan als onrechtmatig verkregen niet tot bewijs van het telastegelegde kunnen medewerken en in elk geval als onbetrouwbaar ter zijde moeten worden gesteld.

2. De verdediging heeft aan die stelling -zakelijk weergegeven- ten grondslag gelegd, dat de verhoorteams de verdachte en/of medeverdachte(n) bewust onder grotere druk hebben gezet, dan hun leeftijd en/of geestesgesteldheid, in aanmerking genomen ook de langdurige vrijheidsbeneming onder beperkingen en het langdurig "gelicht" zijn uit het Huis van Bewaring, toelaatbaar doen zijn.

3. Bovendien zouden de verhoorteams door de gecomprimeerde wijze waarop de resultaten van de verhoren van de verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n) in de processen-verbaal zijn weergegeven, het hof en de verdediging bewust relevante informatie, ontlastende gegevens voor de verdachte en medeverdachten hebben onthouden, althans het hof en de verdediging de mogelijkheid tot toetsing van relevante onderdelen van de verklaringen van verdachte en medeverdachten hebben ontnomen.

4. Het is het hof, noch uit de stukken, noch uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, aannemelijk geworden dat de politie de uitkomsten van de verhoren heeft beïnvloed als door de verdediging gesteld of dat er tijdens die verhoren meer relevante zaken aan de orde zijn geweest dan uit die processen-verbaal van verhoor blijkt.

4a. Met betrekking tot dit laatste wijst het hof er nog op dat de verhorende verbalisanten ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard dat vaak lang over een vraag van verbalisanten werd nagedacht, dat de verhoren vaak onder emotionele omstandigheden plaatsvonden en grote pauzes tijdens de verhoren regelmatig voorkwamen, waarbij verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n) rust werd gegund zo lang en zo vaak hij wenste en waarbij ook soms lang over niet op de zaken betrekking hebbende onderwerpen met verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n) werd gepraat om hem tot rust te brengen en welke niet-relevante zaken niet in het proces-verbaal van verhoor thuishoren.

4b. De omstandigheid dat in enkele gevallen volstaan is met de opmerking in een proces-verbaal dat in een eerder gesprek ondervraagde iets over een bepaalde zaak heeft verklaard -van welk gesprek dan geen afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt- waarover de ondervraagde dan vervolgens nader verhoord wordt, staat aan de betrouwbaarheid van het desbetreffende proces-verbaal niet in de weg, ook al ware het wellicht in het algemeen wenselijk om, ter wille van de toetsbaarheid van de inhoud van en de wijze waarop een dergelijk gesprek gevoerd is, ook daarvan nog eens afzonderlijk proces-verbaal op te maken.

5. Evenmin is het hof aannemelijk geworden dat ontoelaatbare druk is uitgeoefend op de verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n), emoties van hen op ontoelaatbare wijze zijn ge-exploiteerd of op ontoelaatbare wijze gebruik is gemaakt van psychische problemen of emoties van verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n), dan wel dat zij op enige wijze zijn "beloond" voor belastende verklaringen waardoor de resultaten van hun verhoor onrechtmatig zijn verkregen of als onbetrouwbaar ter zijde moeten worden gesteld.

6. Het enkele feit dat bij de vele verhoren van verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n) incidenteel sprake is van een vraagstelling of benaderingswijze die -achteraf bezien- mogelijk voor verbetering vatbaar is of mogelijk gelukkiger had kunnen zijn, doet aan de rechtmatigheid van de bewijsgaring niet af en evenmin in essentie aan de betrouwbaarheid van de resultaten van de bewijsgaring.

In dit verband merkt het hof nog op dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken is van een ontoelaatbare sturing in de politieverhoren.

7. Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof nog, dat het bij het bezigen daarvan zeer behoedzaam en voorzichtig tewerk is gegaan, met name wanneer door verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n) verklaringen op enig moment zijn ingetrokken, aangevuld en/of gewijzigd.

8. Het is het hof niet aannemelijk geworden dat de tot bewijs gebezigde verklaringen, afgelegd bij de politie, in strijd met de waarheid zijn afgelegd.

9. De stelling van de verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n) dat dit laatste nu juist wel het geval is, omdat die bekentenissen/verklaringen zijn totstandgekomen nadat verhorende verbalisanten de verklaringen van medeverdachte(n) aan verdachte hadden voorgelezen, althans hun zeer belangrijke gedeelten daaruit hadden medegedeeld, waarna men maar met de politie is "meegegaan" om in de moeilijke omstandigheden van de verhoorsituatie daarvan eindelijk bevrijd te zijn, doet naar 's Hofs oordeel geen recht aan de werkelijke gang van zaken.

Hierbij stelt het hof voorop, dat de processen-verbaal van verhoor zodanig zijn ingericht, dat voor de rechter volledig toetsbaar is op welke wijze en in welke sfeer de verhoren hebben plaatsgevonden en wat er aan de orde is geweest.

10. Die processen-verbaal maken melding van de omstandigheid dat door verbalisanten op bepaalde momenten gedeelten of gegevens uit de verklaringen van een medeverdachte of aan verbalisanten bekende feiten uit de verklaring van een medeverdachte aan verdachte zijn voorgehouden of medegedeeld.

11. Het is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, met name ook na het kritisch en zeer indringend verhoor van de verhorende verbalisanten, niet gebleken of zelfs maar aannemelijk geworden dat verdachte en/of medeverdachte(n) en/of getuige(n) andere passages of details uit de verklaringen van anderen zijn voorgehouden of medegedeeld dan die waarvan de onderhavige processen-verbaal melding maken en evenmin dat zulks op andere momenten is geschied als die vermeld in bedoelde processen-verbaal.

12. Wat dit laatste betreft, komt aldus naar voren, dat genoemd voorhouden of mededelen van gegevens uit verklaringen van anderen in beperkte mate is geschied en met het doel, nadat een verdachte zijn verhaal van betrokkenheid bij de hem telastegelegde feiten met details had verteld, hem te confronteren met gedeelten of gegevens uit de verklaringen van anderen, voor zover de betreffende verdachte daarover niets had verklaard of afwijkende details had vermeld.

13. Het hof is van oordeel dat deze gang van zaken niet onoirbaar is, doch integendeel past bij een gedegen verhoor van een verdachte en een medeverdachte, zeker in het geval van verdenking van zulke ernstige feiten als waar het hierom gaat.

14. In dit kader wil het hof niet nalaten op te merken dat enerzijds de betrouwbaarheid van de processen-verbaal nog wordt versterkt en anderzijds de verklaring van verdachte, dat hij, voor zover hij heeft bekend, zulks heeft gedaan om van de druk van de politie af te zijn, nadat verklaringen van anderen of details daaruit hem door de politie waren voorgehouden, nog minder geloofwaardig voorkomt, nu verdachte en/of medeverdachte(n) na dit voorhouden deels bij zijn/hun eigen aanvankelijke lezing en met name ook bij bepaalde details daaruit is/zijn gebleven, hebbende hij/zij niet duidelijk kunnen maken waarom hij/zij dan voor wat betreft deze lezing of details niet met de politie is/zijn "meegegaan" om van de druk af te zijn.

14a. Voorts wil het hof in dit verband wijzen op hetgeen de getuigen [A] en [H] zelf hebben opgemerkt bij hun verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris op respec-tievelijk 6 juni 1995 en 1 augustus 1995:

([A]): "Het is niet zo geweest dat de politie bij het terughalen van de gebeurtenissen mij heeft geholpen door het voorhouden van feiten en omstandigheden. Evenmin heb ik verklaringen van anderen gelezen. Er is wel eens tegen mij gezegd door de politie: kan het niet zus of zo zijn gegaan? Maar als het dan niet zus of zo was gegaan, heb ik dat ook gezegd."

([H]): "Mij wordt gevraagd hoe de verhoren bij de politie in zijn werk zijn gegaan en met name of mij vragen werden gesteld of dat er zaken werden voorgehouden. Ik zeg U dat beiden het geval is geweest. U houdt mij een stukje voor van een van mijn verklaringen (…..) Ik kan U daarvan zeggen dat de weergave van het proces-verbaal overeenstemt met wat er daadwerkelijk door ons werd besproken.

Het kwam ook wel voor dat de politie vroeg kan het zijn dat het zus is gegaan of is het misschien zo gegaan.

Als ik dan zei dat het niet kon en dat het anders was gegaan dan werd dat gewoon opgenomen in het proces-verbaal".

15. Met betrekking tot de betrouwbaarheid van in het bijzonder de verklaringen van [A] en [H] overweegt het hof nog het navolgende:

Het hof acht de tot bewijs gebezigde verklaringen van de getuigen [A] en [H] betrouwbaar. Deze verklaringen zijn op essentiële onderdelen voldoende consistent, vinden onderling steun en vinden bovendien steun in de overige bewijsmiddelen. Ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen de omstandigheid dat de getuige [H] een beperkte intelligentie bezit, de omstandigheid dat hij beïnvloedbaar moet worden geacht en dat hij niet steeds de waarheid heeft gesproken -zoals bijvoorbeeld bij zijn belastende verklaring jegens [N] in de [I.K.]-zaak.

16. Bovendien heeft het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de tot bewijs gebezigde verklaringen van [H] in aanmerking genomen de omstandigheid dat hij door de politie in verband met verdenking van het in beide instanties intrekken van zijn hiervoor tot bewijs gebezigde verklaringen telkens heeft verklaard, dat die intrekking werd ingegeven door de angst voor represailles tegen hem of zijn familie van de zijde van bepaalde verdachten en vervolgens telkens tegenover de politie heeft verklaard dat hij bij bedoelde verklaringen bleef.

17. Daarnaast heeft het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door de getuige [A] ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris afgelegde en tot bewijs gebezigde verklaringen nog laten meewegen dat deze getuige de betrokkenheid van de reeds eerder door haar in die verklaringen genoemde (mede)verdachte(n) bij het bewezenverklaarde heeft bevestigd in haar "dagboeken" en de zich daarin bevindende losbladige aantekeningen, voor zover hierboven tot bewijs gebezigd, waarin deze getuige uitsluitend voor haar zelf -zonder dat kennisneming daarvan voor derden bedoeld was (de bedoeling van [A] was dat deze "dagboeken" door een ex-gedetineerde zouden worden verbrand (dossierpagina 6111 en 6112)- haar emoties, gevoelens en ervaringen samenhangend met en voortvloeiend uit haar eigen betrokkenheid bij deze moorden aan het papier heeft toevertrouwd.

18. Er rest dan ook de conclusie dat verdachte/de verdediging geen plausibele verklaring heeft kunnen geven waarom verdachte en/of bedoelde medeverdachte(n)-getuige(n) zijn/hun tot bewijs gebezigde verklaring(en) in strijd met de waarheid aan de politie zou(den) hebben afgelegd zodat zijn/hun tot bewijs gebezigde verklaring(en) geloof verdient/verdienen.

B. Fotoconfrontatie

Voorzover door de verdediging is aangevoerd dat de fotoconfrontaties zijn gehouden in strijd met de richtlijnen van de Recherche Advies Commissie, althans de toen bij de politie (Venlo) in gebruik zijnde interne richtlijnen terzake, althans zodanig onzorgvuldig zijn gehouden, dat deze als zijnde onrechtmatig, althans onbetrouwbaar, niet kunnen meewerken tot bewijs van hetgeen is telastegelegd, overweegt het hof daaromtrent als volgt:

Voorzover aan het verweer ten grondslag zou liggen de opvatting dat de genoemde richtlijnen zijn aan te merken als "recht" in de zin van artikel 99 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, faalt het, omdat het hier niet gaat om door een bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid vastgestelde en behoorlijk bekend gemaakte regels omtrent de uitoefening van zijn beleid.

Overigens is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de (door het hof) tot bewijs gebezigde fotoconfrontaties zodanig onzorgvuldig zijn dat deze als in strijd met de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht of anderszins onrechtmatig, dan wel als onbetrouwbaar, niet mogen worden gebezigd tot bewijs van het telastegelegde.

Naar het oordeel van het hof heeft de bij de gehouden fotoconfrontaties gevolgde werkwijze in casu op generlei wijze gestrekt tot beïnvloeding van de desbetreffende (verdachte)getuigen, met het oog op de door hen af te leggen verklaring.

Verder heeft het hof, voor wat betreft de betrouwbaarheid van de resultaten van de fotoconfrontaties, laten meewegen dat het hier overwegend fotoconfrontaties met betrekking tot voor de (verdachten)getuigen tevoren reeds bekende personen betreft.

Met betrekking tot de fotoconfrontatie van [H] met [T1], [T2] en [T3] is het hof in dit verband nog van oordeel dat, waar genoemde [T’s] zelf hebben verklaard dat zij de betreffende avond tezamen waren op de Van Postelstraat te Venlo, de herkenning van juist de combinatie van deze personen bij de fotoconfrontatie door [H] - in combinatie met zijn verklaring dat hij hen die avond aldaar tezamen heeft gezien - betrouwbaar moet worden geacht.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de fotoconfrontatie van [A] met [K] heeft het hof laten meewegen dat zij tevoren een persoonsbeschrijving heeft gegeven en ook dat zij heeft verklaard dat [F.P.] tevoren, te weten in juni 1993, die persoon heeft aangeduid als [K].

C. Alibi [A]:

De verdediging heeft zich nog beroepen op een zogenaamd alibi van [A] en dit alibi ten grondslag gelegd aan haar verweer, dat [A] op 15 februari 1994 niet in de woning van het echtpaar [R] heeft kunnen zijn, zodat zij daarover ook niets kan verklaren.

Volgens de verdediging zou [A] met Carnaval 1994 op stap zijn geweest met haar vriendin [P.T.] en niet met [F.P.].

Dit "alibi" en al hetgeen tot staving daarvan ter terechtzitting is aangevoerd en verklaard, wordt weerlegd door de gemotiveerde bewezenverklaring en overigens ook ontkracht door de op 25 augustus 1995 aan de verbalisanten [V1] en [V2], resp. [V3] en [V2] (p. 6078 t/m 6077) afgelegde verklaringen van resp. [S] en [M.S.], welke verklaringen er op neerkomen, dat beiden - [F.P.] met zijn vriendin [A] - Carnavalsdinsdagavond, rond 24.00 uur, het café "D'n Dorstige Haan" aan de Markt te Venlo binnenkwamen; dat [A] duidelijk overstuur was; dat ze huilde; dat ze paniekerig was en zwaaide met haar armen.

De stelling van de verdediging, dat hetgeen [S] en [M.S.] hebben waargenomen, moet hebben plaats gevonden ten tijde van het carnaval 1993 en dat deze getuigen zich een jaar vergissen, wordt weerlegd door de op 4 september 1995 aan verbalisant [V2] afgelegde verklaring van [W.S.] (p. 6082), voorzover hier van belang, inhoudende:

"Het was as-woensdag 1994. Ik bevond mij die dag in de woning van mijn over-buurvrouw [D.S.]. Toen ik bij mijn overbuurvrouw was, hoorde ik dat [M.S.] tegen haar moeder zei: "Mam, dat [A] stond daar toch histerisch te doen. Het was geen gewoon huilen".

Ik weet zelfs nog dat, toen bekend werd dat [A] bij de bende van Venlo hoorde, [M.S.] nog vertelde: "Geen wonder dat die toen zo histerisch was".

U vraagt mij of ik kan aangeven waar ik op kan baseren dat het 1994 en niet 1993 is geweest.

Nou dat is vrij duidelijk. Ik weet dat nog goed. Die betreffende carnaval, 1994 dus, zijn wij begonnen met de grote schoonmaak van mijn woning. Dat is de eerste keer dat wij met carnaval schoonmaak gehouden hebben en dat is in 1994 geweest. Die carnaval hebben wij namelijk behangen."

D. Rechtmatigheid en betrouwbaarheid verklaringen [D.P.]:

Met betrekking tot de getuige [D.P.] heeft de raadsman nog aangevoerd dat diens verklaringen bij de politie onrechtmatig zijn verkregen nu hem voorafgaande aan het door hem zelf op papier zetten van zijn verklaring door de politie geen cautie is gegeven.

Het hof verwerpt dit verweer reeds hierom nu ten aanzien van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van deze getuige op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk geworden dat deze vooraf zijn gegaan door een door [D.P.] hieromtrent zelf op papier gezette verklaring. Ook als dit overigens wel het geval zou zijn geweest, had het verweer geen doel kunnen treffen nu telkens voorafgaand aan de verhoren door de politie aan [D.P.] de cautie is gegeven.

Het hof heeft zich bij het tot bewijs bezigen van de verklaringen van de getuige [D.P.] gerealiseerd dat deze getuige toen hij door de politie gehoord werd nog geen zestien jaar oud was en dat deze getuige vanwege zijn jeugdige leeftijd ten tijde van het verhoor door de politie wellicht gevoeliger is geweest voor druk en/of beinvloeding van de zijde van de verhorende verbalisanten dan wel onder invloed van die jeugdige leeftijd komt tot een niet waarheidsgetrouwe verklaring.

Blijkens de in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen van de verhorende verbalisanten [V4] en [V5] hebben deze tijdens de verhoren van [D.P.] terdege rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden welke het verhoor van deze jeugdige persoon kenmerkten. Uit hun verklaringen blijkt voorts dat [D.P.] uit zichzelf reeds op de eerste dag van zijn aanhouding en kort daarna een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd over de Viking- en Zwarte Water moord en dat hij toen verklaringen van reeds gehoorde medeverdachten niet kon lezen. Voorts blijkt dat [D.P.] in een veel later stadium uit zichzelf de naam van [R.H.] (Nazomermoord) heeft genoemd terwijl die naam nog niet eerder aan de politie bekend was.

Het hof acht de tot bewijs gebezigde verklaringen van [D.P.], gelet op het bovenoverwogene en in samenhang met de overige bewijsmiddelen dan ook betrouwbaar.

E. Plaats van de telefooncel:

Onderdeel van de tot bewijs gebezigde verklaring van [H] is, dat - toen [I.K.] werd gevoerd naar het OCE-terrein - onderweg op de Karbinderstraat is gestopt bij een telefooncel.

Weliswaar heeft genoemde [H] bij de politie verklaard dat die telefooncel stond op de hoek van de Karbinderstraat met de Hogeweg, doch blijkens een tot de processtukken behorende fax van PTT-telecom van 12 april 1996, gericht aan [R.S.], heeft de betreffende telefooncel tot 20 april 1993 gestaan op de Karbinderstraat circa 20 meter van de Hoek Hogeweg, waarna deze op genoemde datum is verplaatst op de Karbinderstraat hoek Agnes Huinstraat.

Blijkens een tot de processtukken behorende plattegrond van Venlo (dossier pag 5104) is de nieuwe plaats van bedoelde telefooncel gelegen op korte afstand van de oorspronkelijke plaats. Nu zowel de oorspronkelijke als de kort daarbij gelegen nieuwe lokatie van de telefooncel, zich in dezelfde straat bevinden - zijnde dit de straat waarover [I.K.] naar het OCE-terrein is gevoerd - is in het licht van het vorenoverwogene hier kennelijk sprake van een vergissing van genoemde [H].

F. Alibi [H]:

Door de verdediging is nog naar voren gebracht dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [H] m.b.t. de [I.K.], Viking en Zwarte Water moord niet kunnen kloppen omdat [H] in die periode niet in Venlo zou hebben verbleven maar in Arnhem zou hebben gewoond. Het hof verwerpt dit verweer nu uit de tot bewijs gebezigde verklaring bij de rechter-commissaris door deze getuige afgelegd (zie bewijsmiddel 111) in samenhang met de overige bewijsmiddelen blijkt dat hij in die periode wel verbleef in Venlo.

G. Verweer m.b.t. café D'n Boemelaer:

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat café D'n Boemelaer in de periode waarop de telastelegging zich toespitst (van overheidswege) gesloten was, zodat niet waar kan zijn hetgeen de getuigen [H] en [A] beweren nl. dat [H.T.] daar naar binnen is gegaan en met andere personen weer naar buiten is gekomen, passeert het hof dit, nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken noch aannemelijk geworden dat het destijds onmogelijk was genoemd pand te betreden en/of te verlaten.

H. Executieplaats [I.K.]

Zoals uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt, acht het hof bewezen, dat [I.K.] op het OCE-terrein te Venlo door pistoolschoten om het leven is gebracht en verwerpt het hof het scenario van de verdediging, volgens hetwelk aangenomen zou moeten worden, dat [I.K.] in de coffeeshop Number One te Venlo is doodgeschoten, waarna het lijk naar het OCE-terrein zou zijn gebracht.

Daarvoor verwijst het hof naar de inhoud van de bewijsmiddelen en met name ook naar de daarin gerelateerde feiten, dat nabij het lijk van [I.K.] lege patroonhulzen zijn gevonden, alsmede de omstandigheid, dat de in de nabijheid van dat terrein wonende getuige [M] op 18 juni 1993, omstreeks 01.00 uur, schoten heeft gehoord.

Voorts bevond het slachtoffer [I.K.] - blijkens de verklaringen van [W.R.] (p. 1258) en [Y] (p. 1261), in onderling verband en samenhang bezien - zich in de nacht van 17 op 18 juni 1993 tussen 24.00 uur en 00.30 uur (derhalve kort voor de moord) vergezeld van [S.K.] op de Veldenseweg te Venlo (zijnde dit de weg waarop [I.K.] kort voor de moord van de vrijheid werd beroofd en in een auto werd weggevoerd) en liep in de richting van de woning van [I.K.] ([naam]).

Dat zulks ook volgt uit de tot bewijs gebezigde verklaring van [S.K.].

I. Verweer m.b.t. geluidscassette:

De raadsman heeft nog als bewijsverweer gevoerd dat uit de ter terechtzitting afgespeelde geluidscassette, beweerdelijk opgenomen in het Huis van Bewaring en weergevende een gesprek tussen [N] en [B], blijkt dat de moord op het echtpaar [R] gepleegd is door twee personen, namelijk [N] en [H], en dus niet door verdachte.

Het hof verwerpt dit verweer gelet op de verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 11 juli 1995 van [N] dat dit gesprek in scene is gezet ter ontlasting van [B] en dat hetgeen hij op de geluidscassette verklaart niet de volledige waarheid is, en gelet ook op de bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van verdachte blijkt.

Voorzover er in dit arrest geen bewijsverweren meer zijn besproken, acht het hof deze voldoende weerlegd door de bewezenverklaring en de inhoud van de bewijsmiddelen.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het met parketnummer 051015.94 primair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 288 junctis de artikelen 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het met parketnummer 077181.94 primair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 288 junctis de artikelen 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het met parketnummer 077621.94 primair en met parketnummer 077766.94 sub 1 primair, sub 2 primair en sub 3 primair bewezen verklaarde is als misdrijf telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaar-heid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof overweegt dienaangaande:

Verdachte heeft samen met anderen zeven mensen op een kille maar tevens brute en gruwelijke wijze om het leven gebracht. Hij was daarbij steeds diegene die het geweld (pistoolschoten/messteken) toepaste ten gevolge waarvan de slachtoffers de dood vonden. Bij [W] en het echtpaar [R] was beroving het motief van zijn handelen terwijl het bij de moord op [I.K.], de Viking en Zwarte Water moord ging om een executie van mensen.

Bij de laatste NN-moord heeft verdachte er zelfs niet voor teruggedeinst zo maar een willekeurig persoon van de straat te "plukken", deze mee te nemen naar een bosgebied en daar in het donker neer te schieten en te begraven.

Deze moorden hebben de samenleving diep geschokt en hebben naar moet worden aangenomen zeer veel leed berokkend aan verwanten van de slachtoffers. Verdachte heeft het doden van deze mensen - behoudens de doding van [W] - steeds ontkend. De doding van [W] heeft hij afgedaan als een ongeluk. Op geen enkele wijze heeft hij laten blijken enige gevoelens van spijt te hebben jegens hetgeen hij de slachtoffers en de nabestaanden heeft aangedaan. Gevoelens van medeleven kent hij blijkens zijn laatste woord alleen jegens zichzelf omdat hij degene zou zijn die door justitie onrecht zou zijn aangedaan.

Verdachte heeft met verbaal geweld in het Pieter Baan Centrum kenbaar gemaakt zich verre te houden van een onderzoek naar zijn persoonlijkheid. In de beperkte contacten tijdens zijn verblijf aldaar waren volgens de betrokken psychiater en psycholoog geen tekenen te bespeuren van ernstige stoornissen in bewustzijn en waarneming. Ook is toen niet gebleken dat zijn weigering om aan het onderzoek mee te werken voortkwam uit een psychotische vertekening van de werkelijkheid.

Uit de beschikbare reclasseringsrapportage komt verdachte naar voren als iemand die vanuit zijn socialisatie (te) weinig sociale vaardigheden aangereikt heeft gekregen om zich als volwassene te handhaven. Hij heeft een zeer materialistische kijk op het leven. Andere normen en waarden in het leven, zoals bijvoorbeeld de positie van de door hem benadeelden, worden aan die behoeften ondergeschikt gemaakt. Verdachte maakt deel uit van een gesloten familiesysteem. Men staat argwanend ten opzichte van de hulpverlening; bemoeienis van derden wordt niet geduld.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken of aannemelijk geworden dat het bewezenverklaarde niet geheel aan verdachte toegerekend zou dienen te worden.

Het hof acht gelet op het bovenoverwogene ernstig gevaar voor recidive aanwezig. Ter wille van een zo lang mogelijk durende beveiliging van de maatschappij acht het hof een sanctie die niet anders kan zijn dan een vrijheidsbenemende straf, die een definitieve verwijdering van de verdachte uit de maatschappij betekent, geboden.

Het hof is zich bewust van de negatieve effecten van een zodanige vrijheidsstraf op de nog jeugdige persoon van verdachte maar acht oplegging daarvan niettemin uit het oogpunt van vergelding en bescherming van de samenleving absoluut noodzakelijk.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen:

10, 47, 57, 287, 288 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder de parketnummers 051015.94 primair, 077181.94 primair, 077621.94 primair en 077766.94 sub 1 primair, sub 2 primair en sub 3 primair te laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder de parketnummers 051015.94 primair, 077181.94 primair, 077621.94 primair en 077766.94 sub 1 primair, sub 2 primair en sub 3 primair meer of anders is te laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

parketnummer 051015.94 primair:

"Medeplegen van doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken".

parketnummer 077181.94 primair:

"Medeplegen van doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en de andere deelnemers straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, meermalen gepleegd".

parketnummer 077621.94 primair:

"Medeplegen van moord".

parketnummer 077766.94 sub 1 primair, 2 primair en 3 primair, telkens:

"Medeplegen van moord".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot levenslange gevangenisstraf.

Aldus gewezen door:

Mr. Smulders, voorzitter,

Mr. Koens en Mr. Eijsenga, raden,

in tegenwoordigheid van dhr. Traa en Mr. Heins, als griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 april 1996.-