Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1995:AF0598

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-1995
Datum publicatie
15-11-2002
Zaaknummer
92/02783
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr.2783/92

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X, wonende te Y, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 38.011,--. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 12 oktober 1994, gehouden te Venlo. Daar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, en de Inspecteur. Belanghebbende heeft vóór de zitting aan de wederpartij en aan het Hof per telefax een brief, gedateerd 11 oktober 1994, doen toekomen, behelzende een correctie op het beroepschrift. Dat stuk wordt door het Hof als pleitnota van belanghebbende aangemerkt en wordt, met toestemming van partijen, geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inhoud van die pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt. Ter zitting heeft belanghebbende aan het Hof een exemplaar van een door hem als pleitnota aangemerkt stuk overgelegd, welk stuk hij vóór de zitting per telefax aan de wederpartij heeft doen toekomen. Dit stuk wordt door het Hof als aanvullende pleitnota van belanghebbende aangemerkt. De inhoud van die aanvullende pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt. De Inspecteur heeft ter zitting verzocht schriftelijk op laatstbedoeld stuk te mogen reageren. De Inspecteur heeft vóór de zitting aan het Hof een brief, gedateerd 7 oktober 1995, doen toekomen, behelzende een correctie op diens vertoogschrift. Dit stuk, waarvan belanghebbende ter zitting kennis heeft kunnen nemen, wordt door het Hof als pleitnota van de Inspecteur aangemerkt en wordt, met toestemming van partijen, geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inhoud van die pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt.

1.4. Naar aanleiding van het verzoek van de Inspecteur ter zitting schriftelijk op de aanvullende pleitnota van belanghebbende te mogen reageren, heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkomstige toepassing heeft gevonden.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, geboren op 12 april 1934, heeft op 2 maart 1989 te A een aanrijding gehad met zijn auto. Bij dat verkeersongeval was medebetrokken een auto welke toebehoorde aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B B.V. en welke auto ten tijde van bedoeld ongeval werd bestuurd door mevrouw C (hierna: mevrouw C). Laatstgenoemde heeft bedoelde aanrijding veroorzaakt. In verband daarmee werd mevrouw C door belanghebbende, die bij de stichting Stichting D te E (hierna: de E) voor rechtsbijstand was verzekerd, aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade. Evenbedoelde aansprakelijkheid was gedekt bij F N.V. te E (hierna: F), bij welke maatschappij de door mevrouw C bestuurde auto was verzekerd.

2.2. Belanghebbende was ten tijde van vorenbedoeld ongeval reeds ongeveer 20 jaar als buschauffeur in dienstbetrekking werkzaam, laatstelijk bij G in Y. Daarnaast exploiteerde hij sinds 1970 een autorijschool. Vorenbedoelde aanrijding heeft bij belanghebbende rug-, been- en nekklachten veroorzaakt, welke niet zijn verdwenen. Na die aanrijding heeft belanghebbende aanvankelijk alleen zijn werkzaamheden als rijschoolhouder gedeeltelijk hervat. In week 44 van het onderhavige jaar heeft hij zijn werkzaamheden als buschauffeur en rijschoolhouder volledig hervat.

2.3. Bij brief van 22 januari 1990 berichtte E aan F dat van belanghebbende vernomen was dat hij "klachtenvrij" was en dat hij instemde met een verdere afwikkeling van vorenbedoeld schadegeval. Bij die brief behoorde een bijlage, behelzende een door de E opgemaakte schadestaat. In die schadestaat (hierna: de schadestaat) is een totaalbedrag vermeld van fl. 16.025,27. In dat totaalbedrag is begrepen een bedrag van fl. 9.307,98 aan in de weken 9 t/m 43 van het onderhavige jaar "gemiste uren als buschauffeur", alsmede een bedrag van fl. 3.220,-- aan in het onderhavige jaar geleden "bedrijfsschade autorijschool". In de schadestaat zijn geen bedragen vermeld in verband met invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid van belanghebbende.

2.4. Bij schriftelijke overeenkomst van dading, gesloten op 28 februari 1990, stelden F en belanghebbende de schade van belanghebbende in verband met vorenbedoeld ongeval vast op fl. 16.025,27. In die overeenkomst is onder I vermeld dat evengemeld bedrag strekte als "als volledig en definitieve vergoeding van alle door X geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade en kosten". Onder III is in die overeenkomst vermeld dat in gemeld bedrag van fl. 16.025,27 "is begrepen een bedrag van f 12.527,98 voor aanspraken in verband met geleden en eventueel nog te lijden verlies aan arbeidsvermogen". Vorenbedoeld bedrag van fl. 16.025,27 werd, na verrekening met in het onderhavige jaar verrichte voorschotbetalingen welke in totaal fl. 11.383,13 beliepen, vervolgens aan belanghebbende uitgekeerd.

2.5. Het in 2.2 vermelde autobusbedrijf G in Y, waarbij belanghebbende als buschauffeur werkte, werd in 1991 opgeheven. Belanghebbende werd in verband hiermee werkloos als buschauffeur. Ter zake werd hem door de bedrijfsvereniging een werkloosheidsuitkering toegekend. In januari 1993 heeft belanghebbende zich bij de bedrijfsvereniging ziek gemeld.

Bij adviesaanvraag van 26 januari 1993 heeft de bedrijfsvereniging de Gemeenschappelijke Medische Dienst (hierna: de GMD) om een oordeel gevraagd inzake de mate van arbeidsongeschiktheid van belanghebbende en zijn mogelijkheden tot reïntegratie in het arbeidsproces. Zijn werkzaamheden als rijschoolhouder heeft belanghebbende in mei 1992 gestaakt.

2.6. Naar aanleiding van de in 2.5 bedoelde adviesaanvraag rapporteerde de GMD in maart 1993 aan de bedrijfsvereniging dat "belanghebbende voor zijn werk als zelfstandig rij-instructeur alsook voor zijn werk als buschauffeur arbeidsongeschikt te achten is". Mede in verband hiermee conludeerde de GMD in die rapportage dat belanghebbende "per einde wachttijd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt te beschouwen (is) in de zin van de WAO en voor minder dan 25% in de zin van de AAW". Op grond van die rapportage werd belanghebbende door de bedrijfsvereniging een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend.

2.7. Belanghebbende heeft zich op 25 mei 1993 op verzoek van F medisch laten onderzoeken door een neuroloog. Die neuroloog kwam op grond van zijn bevindingen bij dat onderzoek tot de conclusie dat belanghebbende als gevolg van meergemeld verkeersongeval een zogenoemd postwhiplash-syndroom heeft opgelopen en in verband daarmee een bepaalde, blijvende functionele invaliditeit van belanghebbende vastgesteld. Naar aanleiding van zijn daarover aan de medische adviseur van F uitgebrachte rapport, dat is gedateerd 22 september 1993, heeft F bij brief van 8 oktober 1993 aan belanghebbende een invaliditeitsuitkering van fl. 5.000,-- toegekend, nadat eerder, naar aanleiding van een door een orthopaedisch chirurg uitgebracht rapport d.d. 1 december 1992, door F aan belanghebbende een uitkering in verband met blijvende invaliditeit was verstrekt.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of ter zake van het in 2.4 vermelde bedrag van fl. 12.527,98, voorkomende in de aldaar bedoelde overeenkomst van dading, een bedrag van fl. 9.307,98 moet worden aangemerkt als vergoeding voor verlies van arbeidsvermogen in algemene zin en een bedrag van fl. 3.220,-- moet worden aangemerkt als vergoeding voor gederfd arbeidsinkomen, conform het standpunt van belanghebbende, dan wel of bedoeld bedrag van fl. 12.527,98 in zijn geheel een vergoeding voor gederfd arbeidsinkomen vormt, zoals de Inspecteur verdedigt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof uit het door hem in zijn aanvullende pleitnota gestelde begrijpt, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van (fl. 38.011,-- - fl. 9.307,98 =) fl. 28.703,-- (afgerond). De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. In de schadestaat is een totaalbedrag vermeld van fl. 16.025,27. In de in 2.4 vermelde overeenkomst van dading stelden F en belanghebbende de schade van belanghebbende in verband met vorenbedoeld ongeval vast op fl. 16.025,27. Evenbedoeld bedrag komt exact overeen met het in de schadestaat vermelde totaalbedrag.

4.1. In het in de schadestaat vermelde totaalbedrag van

fl. 16.025,27 is begrepen een bedrag van fl. 9.307,98 aan in de weken 9 t/m 43 van het onderhavige jaar "gemiste uren als buschauffeur", alsmede een bedrag van fl. 3.220,-- aan in het onderhavige jaar geleden "bedrijfsschade autorijschool". De som van beide laatstbedoelde bedragen beloopt fl. 12.527,98. In de in 2.4 vermelde overeenkomst van dading is onder III vermeld dat in de in die overeenkomst vastgestelde schade ten bedrage van fl. 16.025,27 "(een bedrag van f. 12.527,98) is begrepen voor aanspraken in verband met geleden en eventueel te lijden verlies aan arbeidsvermogen". Evengemeld bedrag ad fl. 12.527,98, voorkomende in bedoelde overeenkomst van dading, komt exact overeen met de som van de bedragen, in de schadestaat gemoeid met verlies aan arbeidsinkomen in verband met "gemiste uren als buschauffeur" en "bedrijfsschade autorijschool".

4.3. De schadestaat is door de E bij brief van 22 januari 1990 aan F verzonden. De in 2.4 vermelde overeenkomst van dading is gesloten op 28 februari 1990.

4.4. Uit de in 4.1 t/m 4.3 vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het Hof af dat uitsluitend de schadestaat de basis vormde voor het vaststellen van belanghebbendes schade in de in 2.4 vermelde overeenkomst van dading en dat, mede gelet op de omstandigheid dat in de schadestaat geen bedragen zijn vermeld in verband met invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid van belanghebbende,

het in die overeenkomst vermelde bedrag van fl. 12.527,98 geheel strekte tot vergoeding van gederfd arbeidsinkomen. Daarop wijst ook de omstandigheid dat F bij brief van 8 oktober 1993 aan belanghebbende een invaliditeitsuitkering van fl. 5.000,-- heeft toegekend, nadat eerder, naar aanleiding van een door een orthopaedisch chirurg uitgebracht rapport d.d. 1 december 1992, door F aan belanghebbende een uitkering in verband met blijvende invaliditeit was verstrekt. Niet aannemelijk is derhalve dat in het in voormelde overeenkomst van dading vermelde bedrag van fl. 12.527,98 een bedrag van fl. 9.307,98 is begrepen "voor aanspraken in verband met geleden en eventueel nog te lijden verlies aan arbeidsvermogen".

4.5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

Proceskosten

Belanghebbende wordt in het ongelijk gesteld. Belanghebbende zelf heeft niet een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht gemaakt. Onder die omstandigheden acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 30 augustus 1995 door G.J. van Muijen, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier.

Met ontvangstbevestiging in afschrift aan partijen verzonden op: 30 augustus 1995