Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:CA1130

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
200.085.447.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve toepassing van dwangsombepaling in zaak waarin de partijen naar het omgangshuis worden verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 14 maart 2012

Zaaknummer : 200.085.447.01

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 09-8869 - FA RK 09-8870

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, tevens verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K.H. May te Dordrecht,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, tevens verzoeker in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A. Harent te Dordrecht.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Zuid-Holland Zuid en Zeeland,

locatie Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof heeft op 31 augustus 2011 een tussenbeschikking gewezen, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die beschikking is onder meer de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige is verleend. Voorts is de bestreden beschikking vernietigd voor zover de omgang tussen de man en de minderjarige is ontzegd en zijn partijen verwezen naar het Rotterdams Omgangshuis voor begeleide omgang tussen de man en de minderjarige. De zaak is pro forma aangehouden tot 25 februari 2012.

Op 9 december 2011 is bij het hof het door het Rotterdams Omgangshuis op 8 december 2011 opgemaakte rapport, met als bijlage de brief van de moeder aan het Rotterdams Omgangshuis van 26 oktober 2011, ingekomen.

Op 9 februari 2012 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door mr. R.A.A.H. van Leur;

- mevrouw T. Philippart namens de raad.

VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is thans nog de omgang tussen de man en de minderjarige.

2. Het Rotterdams Omgangshuis heeft te kennen gegeven dat het niet is gelukt begeleide omgang te starten, aangezien de moeder heeft aangegeven niet mee te zullen werken aan het traject in het omgangshuis.

3. De moeder stelt in haar brief aan het omgangshuis niet mee te kunnen werken aan de begeleide omgang aangezien zij niet kan instemmen met de contractuele voorwaarden die het Rotterdams Omgangshuis hanteert. Zo kan zij onder meer niet akkoord gaan met de doelstelling, te weten het tot stand brengen van een zelfstandige omgangsregeling en met de omstandigheid dat zonder haar voorafgaande toestemming foto’s van de minderjarige kunnen worden gemaakt. Voorts is het voor haar niet haalbaar om steeds met het openbaar vervoer van [woonplaats] naar Rotterdam te reizen en is het voor haar financieel niet haalbaar om taxivervoer in te schakelen. Ten slotte meldt de moeder dat de man haar onlangs bij de kinderboerderij onverwacht heeft benaderd en gedreigd heeft dat er iets zal gaan gebeuren als zij de minderjarige niet binnen drie weken naar het omgangshuis zou brengen, een bedreiging die zij, gelet op het verleden, serieus neemt. Ter zitting heeft de moeder nog aangevoerd dat het niet zo is dat zij niet heeft willen meewerken aan de begeleide omgang op zich, maar dat zij niet heeft kunnen instemmen met de voorwaarden waaronder het Rotterdams Omgangshuis werkt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het omgangshuis in Utrecht, dat andere voorwaarden hanteert.

4. De man heeft ter zitting gesteld dat wat hem betreft een verwijzing naar het omgangshuis in Dordrecht een oplossing zou kunnen bieden. Voorts heeft hij te kennen gegeven gehuwd te zijn, een stiefdochter te hebben, een eigen woning te bewonen, zijn financiën op orde te hebben en op het moment een opleiding tot vrachtwagenchauffeur te volgen.

5. Namens de raad is ter zitting gesteld dat de raad reeds jaren zeer goede ervaringen heeft met het omgangshuis in Dordrecht, Trivium Lindenhof. Een verwijzing naar het omgangshuis in Utrecht zal volgens de raadsvertegenwoordiger problemen kunnen opleveren bij de indicatiestelling. Een verwijzing naar het omgangshuis in Dordrecht acht de raad in het belang van de minderjarige noodzakelijk, mits de moeder meewerkt aan de begeleide omgang via dit omgangshuis.

6. Het hof overweegt als volgt. In zijn tussenbeschikking van 31 augustus 2011 heeft het hof reeds overwogen dat niet is gebleken van contra-indicaties, waardoor omgang tussen de vader en de minderjarige niet mogelijk zou zijn. Het hof blijft bij dit standpunt. Hetgeen de moeder nog heeft aangevoerd leidt niet tot een andere gevolgtrekking. Het hof is van oordeel dat het contact tussen de minderjarige en de vader zo spoedig mogelijk onder begeleiding van het omgangshuis in Dordrecht dient plaats te vinden. Het hof zal partijen derhalve ter verkrijging van een indicatie voor het onder begeleiding op gang brengen van omgangscontacten tussen de vader en de minderjarige verwijzen naar Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, waarna partijen zich dienen te wenden tot het omgangshuis te Zuid-Holland in Dordrecht voor begeleide omgangscontacten. Het hof zal de zaak daartoe pro forma aanhouden tot zaterdag 30 juni 2012.

7. Het hof overweegt voorts als volgt. Gelet op de (proces-)houding van de moeder tot op heden en de houding die zij ter zitting heeft getoond ziet het hof aanleiding om ambtshalve te bepalen dat de moeder een dwangsom van € 250,- zal verbeuren per keer dat zij in gebreke blijft mee te werken aan de begeleide omgangscontacten, tot een maximum van € 10.000,- nu de moeder geen gevolg heeft gegeven aan de uitvoering van hetgeen het hof in zijn tussenbeschikking heeft bepaald. Het hof verwijst wat de ambtshalve toepassing betreft naar de artikelen 1:253a lid 5 en 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede naar de Nota van de Minister van Justitie, Vergaderjaar 2006-2007, Kamerstuk 30145, nr. 6 onder 4.:

“Indien het belang van het kind het noodzakelijk maakt om dwangmiddelen in te zetten, behoort hiervan uiteraard ook gebruik te worden gemaakt. Om een en ander tot uitdrukking te brengen, is de redactie van artikel 1:253a BW (nieuw) aangepast. Door de wijziging die is opgenomen in de bijgevoegde nota van wijziging, geeft de wettekst nu met zoveel woorden aan dat de rechter een door de wet toegelaten dwangmiddel kan opleggen, dit eventueel ook ambtshalve, en voorts kan bevelen dat de beschikking met de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd. Een algemene, meer automatische toepassing van dwangmiddelen acht ik niet in het belang van het kind. In ieder concreet geval dient de belangenafweging te worden gemaakt of, en zo ja, welk dwangmiddel moet worden ingezet. Ik deel de zorg van de leden van de fracties van de PvdA, VVD, SP en D66 dat het niet naleven van een zorg- of omgangsregeling de belangen van kinderen kan schaden. Dit heeft aanleiding gegeven om, zoals ik hierboven reeds heb aangegeven, de wettekst te verduidelijken door aan te geven dat het, wanneer de situatie dit vereist, mogelijk is om een dwangmiddel op te leggen. Dit creëert geen nieuwe wettelijke sanctiemogelijkheden, maar het expliciet opnemen van de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangmiddel kan er wel aan bijdragen dat de zorg- of omgangsregeling in meer gevallen wordt nageleefd.”

De minister maakt in de nota voor wat betreft de ambtshalve toepassing van de in artikel 1:253a lid 5 BW bedoelde dwangmiddelen geen onderscheid tussen het vaststellen van een zorgregeling (bij gezamenlijk gezag) en een omgangsregeling (bij éénoudergezag), hetgeen het hof ook juist voor komt. De wetgever heeft niet de bedoeling gehad de omgangssituatie in dit opzicht anders te behandelen dan de situatie waarin een zorgregeling dient te worden vastgesteld of nagekomen.

8. Het hof beslist daarom als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

verwijst partijen, te weten:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. K.H. May te Dordrecht,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. A. Harent te Dordrecht,

naar Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland-Zuid, voor het verkrijgen van een indicatie voor het onder begeleiding op gang brengen van omgangscontacten tussen de vader voornoemd en de minderjarige [naam minderjarige], geboren op [in 2009] te [geboorteplaats];

bepaalt dat partijen zich binnen veertien dagen na deze beschikking melden bij Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Zuid:

Kromhout 120,

3311 RH Dordrecht,

telefoonnummer: 078-6334700;

bepaalt dat partijen na het verkrijgen van een indicatie naar het omgangshuis te Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Zuid, Kromhout 120, 3311 RH Dordrecht, gaan voor begeleide omgangscontacten;

bepaalt dat de moeder de minderjarige tijdig voorafgaand aan ieder omgangscontact zal brengen naar het omgangshuis en haar daar aan het einde van elk contact weer zal ophalen;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder in gebreke blijft mee te werken aan begeleide omgang tussen de vader en de minderjarige, tot een maximum van € 10.000,-;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid Holland Zuid;

bepaalt dat Bureau Jeugdzorg, vestiging Zuid-Holland Zuid het hof vóór de na te melden pro forma datum rapporteert omtrent het verloop van de omgangsbegeleiding;

bepaalt dat partijen het hof vóór de na te melden pro forma datum bericht of een nadere mondelinge behandeling is gewenst of dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan;

houdt iedere verdere beslissing aan tot zaterdag 30 juni 2012 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Van Kempen en Mink, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14maart 2012.