Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ9672

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
200.104.809/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 19 december 2012

Zaaknummer : 200.104.809/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 11-665

[De vrouw],

wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge, gemeente Oostflakkee,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. van Gastel te Hellevoetsluis.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 4 april 2012 in hoger beroep gekomen van een tussenbeschikking van 29 april 2011 en een beschikking van 6 januari 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 12 juni 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 23 april 2012 een brief van 20 april 2012 met bijlagen,

- op 21 augustus 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 31 augustus 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Mr. Van Gastel heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 29 april 2011 en de daaropvolgende beschikking van 6 januari 2012.

Bij de beschikking van 29 april 2011 heeft de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de behandeling ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma aangehouden.

Bij de beschikking van 6 januari 2012 heeft de rechtbank de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld en de vrouw ten titel van overbedeling veroordeeld om aan de man te voldoen een bedrag van € 47.714,46. Het meer of anders verzochte is afgewezen en de proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikkingen van 29 april 2011 en 6 januari 2012 te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover het betreft hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden) en, opnieuw beschikkende, het in appel gewijzigde en aangevulde verzoek tot vaststelling dan wel afdoening van de vermogensrechtelijke betrekkingen van partijen alsnog toe te wijzen en vast te stellen, zo nodig op een wijze die het hof juist acht.

3. De man verzoekt het hof de vrouw in haar appel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het beroep af te wijzen, zulks met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties en deze kosten te verhogen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking van het hof althans na de betekening van deze beschikking zullen zijn voldaan.

In het geding gebrachte stukken

4. Ter zitting van het hof is door de advocaat van de man bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw bij brief van 21 augustus 2012 overgelegde stukken. De advocaat stelt dat het uitgebreide pakket aan stukken eerder door de vrouw in het geding hadden kunnen worden gebracht. Hij heeft de stukken nu nauwelijks met de man kunnen bespreken.

5. Het hof zal acht slaan op de door de vrouw bij brief van 21 augustus 2012 overgelegde stukken. De stukken zijn binnen de termijn van tien kalenderdagen als bedoeld in artikel 1.4.3. van het geldende Procesreglement overgelegd. Bovendien betreft het stukken die de man reeds bekend waren, te weten bankafschriften van gezamenlijke rekeningen van partijen, de huwelijkse voorwaarden en een koopovereenkomst waarbij ook de man partij was.

Werkafspraken

6. De eerste grief van de vrouw richt zich tegen de overweging van de rechtbank in de tussenbeschikking van 29 april 2011 waarin de rechtbank een aantal werkafspraken heeft opgesomd die tijdens de mondelinge behandeling zijn gemaakt. De vrouw stelt dat de rechtbank miskent dat de vrouw ter voorbereiding op die mondelinge behandeling een aanzienlijke hoeveelheid informatie heeft ingebracht waaruit zonder meer duidelijk werd dat de personenauto en de verkoopopbrengst van de woning aan [adres A] te [plaatsnaam] gezamenlijke vermogensbestanddelen waren.

7. Het hof gaat aan deze grief van de vrouw voorbij. Immers, de rechtbank heeft aan de opsomming van werkafspraken in de tussenbeschikking geen beslissing verbonden en de vrouw verbindt voorts geen conclusie aan haar grief. Bovendien maken de stukken waar de vrouw op doelt - ook in hoger beroep - deel uit van het procesdossier.

Afwijken huwelijkse voorwaarden

8. In de tweede grief stelt de vrouw dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een afrekening naar bepaling van de huwelijkse voorwaarden niet meer aanvaardbaar is. Zij voert daartoe aan dat er geen sprake was van een gescheiden financiële administratie en dat partijen – naar het hof begrijpt in hun onderlinge verhouding - hebben geleefd als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd. De salarissen van partijen werden op een gezamenlijke rekening gestort en zowel de persoonlijke uitgaven als de gezamenlijke uitgaven werden van die gemeenschappelijke rekening voldaan en zo nodig ook van de op naam van partijen staande privérekeningen.

9. De man betwist dat er sprake is geweest van een zodanige situatie en stelt dat partijen juist hebben gehandeld conform de huwelijkse voorwaarden.

10. Het hof oordeelt als volgt. Voor zover hetgeen de vrouw aanvoert al juist is, is dit onvoldoende om aan te nemen dat een afrekening naar bepaling van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer aanvaardbaar is. Het gaat hier immers om de kosten van de huishouding en partijen hebben dus niet gedaan alsof zij in algehele gemeenschap van goederen leefden. Ze zijn afgeweken van de verdelingsmaatstaf van artikel 1:84 BW dan wel de maatstaf zoals opgenomen in de huwelijkse voorwaarden. Het afwijken van de evenredigheidsmaatstaf is op zich echter onvoldoende om aan te nemen dat partijen in hun onderlinge relatie voor het overige zijn afgeweken van de huwelijkse voorwaarden en hebben geleefd als ware zij gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Het hof betrekt in zijn oordeel voorts dat is komen vast te staan dat de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan in het bijzonder om het vermogen van de vrouw te beschermen.

Woning [adres B] te [plaatsnaam]

11. De vrouw stelt dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid is getreden door de woning aan de [adres B] te [plaatsnaam] aan haar toe te delen onder de verplichting de hypotheek als eigen schuld op zich te nemen en de helft van de vermeende overwaarde aan de man te voldoen. De vrouw heeft met deze toedeling uitdrukkelijk niet ingestemd. Zij wilde slechts in het kader van een door haar voorgestelde totaalregeling van de verdeling toedeling van de woning aan haar. Nu die totaalregeling niet tot stand is gekomen, kan zij de toedeling van de woning aan haar financieel niet dragen.

12. De man is van mening dat de door de rechtbank uitgesproken verdeling redelijk is en recht doet aan de belangen van partijen.

13. Het hof stelt voorop dat de rechter op grond van artikel 3:185 BW bij de verdeling een actieve rol kan aannemen en een grote mate van vrijheid heeft bij de vast te stellen verdeling. Vast staat dat de woning gemeenschappelijk eigendom van partijen is en derhalve in een eenvoudige gemeenschap valt. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat geen van partijen toedeling van de woning aan hem/haar wenst. Het hof zal dan ook op grond van artikel 3:185 BW als wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van woning vaststellen verkoop van de woning op de in het dictum bepaalde wijze en verdeling van de netto-opbrengst tussen partijen. In het geval van een restschuld, zal ieder van partijen de helft daarvan dragen.

De caravan

14. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de caravan gemeenschappelijk eigendom van partijen is. Zij is van mening dat, nu volgens de man de caravan op zijn naam staat, de man als eigenaar moet worden beschouwd. De caravan dient dan ook tegen de door de man aangegeven waarde van € 5.000,- aan de man te worden toebedeeld onder de verplichting de helft van dit bedrag aan de vrouw uit te betalen.

15. De man is van mening dat de caravan gemeenschappelijk eigendom van partijen is, nu partijen gedurende de procedure uitdrukkelijk hebben verklaard dat deze caravan gezamenlijk is gekocht en op naam van de man is gezet. De man merkt daarbij op dat de tenaamstelling niet met zich brengt dat hij als eigenaar moet worden beschouwd. De man is bereid uit te gaan van een waarde van € 5.000,-.

16. Het hof oordeelt als volgt. Nu geen van partijen heeft aangetoond wie de eigenaar van de caravan is, gaat het hof er, op grond van de huwelijkse voorwaarden en de wet, van uit dat de caravan gemeenschappelijk eigendom van partijen is en in een eenvoudige gemeenschap valt. Partijen zijn het er over eens dat de caravan voor een waarde van € 5.000,- in de verdeling kan worden betrokken. Nu de man onweersproken heeft gesteld dat de vrouw en de kinderen gebruik maken van de caravan, zal het hof de caravan aan de vrouw toedelen, onder de verplichting een bedrag van € 2.500,- aan de man te voldoen.

17. De vrouw stelt dat de taxatiekosten die zij heeft gemaakt om de waarde van de caravan te laten vaststellen als gezamenlijke kosten moeten worden beschouwd. Het hof zal deze kosten als gezamenlijke kosten beschouwen, aangezien de man dit taxatierapport op zich niet betwist en de verdeling voor wat betreft de waarde van de caravan aan de hand van het taxatierapport kan worden afgewikkeld. De vrouw heeft de taxatie laten uitvoeren zonder voorafgaand overleg met de man, zoals de man stelt, maar de kosten van het taxatierapport zijn op zich redelijk, zodat het eventuele gebrek aan overleg daaraan niet kan afdoen. Nu de man niet betwist dat de vrouw deze kosten heeft voldaan, zal het hof bepalen dat de man de helft van het bedrag van € 208,-, zoals dit blijkt uit de door de vrouw in eerste aanleg bij brief van 28 juni 2011 overgelegde factuur, aan de vrouw dient te voldoen.

18. Wat betreft de nog door de vrouw naar voren gebrachte stallingkosten betreffende de caravan gaat het hof aan deze stallingkosten voorbij. Deze kosten zijn door de vrouw, mede in het licht van de betwisting hiervan door de man, niet althans onvoldoende onderbouwd.

De auto Peugeot 207 SW

19. De vrouw stelt dat de auto Peugeot 207 SW alsmede de daarop rustende financiering als gemeenschappelijk moeten worden beschouwd. Partijen hebben immers geleefd en gehandeld als waren zij in gemeenschap gehuwd en ook ter zake van de auto is gemeenschappelijk eigendom althans is sprake van een eenvoudige gemeenschap en voor rekening waarvan komt de navolgende schuld. De vader van de vrouw heeft aan partijen een bedrag van € 17.500,- geleend ter financiering van de Peugeot 207 SW. Van deze lening resteert nog een bedrag van € 4.985,45, welke lening volgens de vrouw bij helfte door partijen moet worden gedragen.

20. De man stelt dat de vrouw de eigendom van de Peugeot 207 SW heeft verkregen doordat deze auto aan haar is geleverd. Voorts stelt de man dat hij er altijd vanuit is gegaan dat de vader van de vrouw het geld aan de vrouw had geschonken. De vader van de vrouw heeft in ieder geval het geld nooit aan de man ter beschikking gesteld of voorgeschoten.

21. Met betrekking tot de financiering van de Peugeot 207 SW oordeelt het hof als volgt. De vrouw heeft haar stelling, dat ten behoeve van de aanschaf van de Peugeot 207 SW door partijen een lening bij de vader van de vrouw is aangegaan, in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door de man niet voldoende aangetoond. De verklaring van de vader van de vrouw is van een datum ver na de aankoop van de auto in 2008 en deze verklaring wordt niet door enig ander stuk ondersteund. De door de vrouw overgelegde bankafschriften zijn hiertoe onvoldoende. Een eventuele schuld aan de vader van de vrouw kan het hof derhalve niet in het kader van een eenvoudige gemeenschap van auto – welke gemeenschap door de man gemotiveerd wordt betwist - in een verdeling betrekken. De vijfde grief van de vrouw kan niet slagen.

De woningen aan [adres A] te [plaatsnaam] en [adres C] te [plaatsnaam]

22. De vrouw stelt in haar zesde grief dat partijen ter zake van de afwikkeling van het project [adres A] te [plaatsnaam] (hierna: [adres A]) nog een gezamenlijke schuld aan haar ouders hebben ter grootte van € 40.726,-, waarbij zij gehouden moeten worden geacht ieder de helft te dragen. De financiële afwikkeling van dit project ziet niet alleen op de verkoop van het pand aan [adres A], maar ook op de verkoop van het pand aan [adres C] te [plaatsnaam] (hierna: [adres C]) en de afwikkeling van de verbouwingskosten aangaande [adres A].

23. De man betwist dat het verlies dat de ouders van de vrouw bij de verkoop van [adres C] hebben geleden voor gezamenlijke rekening van partijen zou moeten komen. Voorts is de man van mening dat de vordering van de vader van de vrouw ter zake van de verbouwingskosten met betrekking tot [adres A] buiten beschouwing moet blijven althans dat deze vordering niet in enige feitelijke goederengemeenschap van partijen valt.

24. Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat partijen, zoals ook blijkt uit de akte van levering van 29 juli 2002, tezamen met de vader van de vrouw de woning aan [adres A] hebben gekocht en gezamenlijk de eigendom hebben verkregen (de vader van de vrouw voor de helft en ieder der partijen voor een kwart). Voorts staat vast dat bij de verkoop van deze woning op 1 oktober 2009 ieder zijn aandeel in de overwaarde heeft verkregen. Uit de koopovereenkomst betreffende [adres A] van 25 juni 2009 blijkt dat er een koppeling is tussen de aankoop van [adres A] en het door die koper tijdig verkopen van diens huis aan [adres C]. Kennelijk hebben de ouders van de vrouw, teneinde de transactie van [adres A] door te laten gaan, [adres C] gekocht en geleverd gekregen. Uit niets blijkt echter dat daarbij, zoals door de vrouw gesteld en door de man gemotiveerd betwist, tussen partijen en de ouders van de vrouw de afspraak is gemaakt dat bij eventuele verkoop van [adres C] de winst dan wel het verlies zou worden gedeeld.

25. Met betrekking tot de verbouwingskosten kan het hof niet vaststellen of er een vordering van de vader van de vrouw op partijen bestaat en zo ja tot welke hoogte. Derhalve kan het hof in deze procedure een dergelijke vordering niet vaststellen, mede niet omdat de beweerdelijk schuldeiser van partijen, de vader van de vrouw, niet in deze procedure is betrokken.

26. Het vorenstaande in acht nemend slaagt de zesde grief van de vrouw derhalve niet. De man heeft in zijn verweerschrift echter onweersproken gesteld dat de vrouw van de aan beide partijen toekomende meeropbrengst een bedrag van € 40.000,- zonder overleg heeft overgemaakt aan haar vader zodat zij hem een bedrag van € 20.000,- dient terug te betalen ter zake van de verdeling van de gemeenschappelijke bankrekening. Het restant van € 7.714,64 van de meeropbrengst is ook in de visie van de man kennelijk aan beide partijen ten goede gekomen. De vrouw dient derhalve een bedrag van € 20.000,- aan de man te voldoen.

27. De zevende en laatste grief van de vrouw behoeft geen bespreking nu dit een algemene, zogenaamde ‘veeggrief’, betreft.

28. Het hof ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de proceskosten wordt derhalve afgewezen.

29. Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de tussen de partijen bestaande eenvoudige gemeenschap van woning op de navolgende wijze wordt verdeeld :

- verdeling van de netto-opbrengst van de voormalige echtelijke woning aan [adres B] te [plaatsnaam], nadat deze door beide partijen gezamenlijk is verkocht en in eigendom is overgedragen en

- gelast partijen de woning zo spoedig mogelijk gezamenlijk door middel van een met de plaatselijke huizenmarkt bekend zijnde NVM-makelaar te koop aan te bieden tegen een marktconforme vraagprijs;

stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van caravan vast als volgt:

- deelt de caravan toe aan de vrouw onder de verplichting de man wegens onderbedeling te betalen een bedrag van € 2500,-.

veroordeelt de vrouw om aan te man te betalen ter zake van overbedeling vanwege de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen een bedrag van per saldo € 22.396,- (€ 20.000,- + € 2.500,- minus € 104,-)

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover voorts aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Kamminga en Van der Burght, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2012.