Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ9665

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
200.108.844/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:103, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Vraag of beroep op dwaling, bedrog in de verzoekschriftprocedure aan de orde kan komen. Vraag of sprake is van dwaling of bedrog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2013/74

Uitspraak

’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 19 december 2012

Zaaknummer : 200.108.844/01

Rekestnummer rechtbank : 12-1673

[De man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.D. Winter te 's-Gravenhage,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.R.P. Drielsma te 's-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 25 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 maart 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 14 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 5 juli 2012 een brief van 4 juli 2012 bijlagen;

- op 18 oktober 2012 een brief van 17 oktober 2012 met bijlagen.

De zaak is op 31 oktober 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Mr. Winter en mr. Drielsma hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, uitvoerbaar bij voorraad, in de beschikking opgenomen de door de man en de vrouw getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het door partijen opgestelde convenant.

In het echtscheidingsconvenant, door de vrouw ondertekend op 3 februari 2012, door de man op 7 februari 2012, zijn partijen – voor zover hier van belang - onder meer overeengekomen:

1.1 De man koopt de alimentatie die hij met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk van partijen aan de vrouw verschuldigd zal zijn af door betaling van een afkoopsom ten bedrage van € 107.500,-.

[...]

1.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 1.1 wordt de alimentatieverplichting jegens de vrouw definitief en onvoorwaardelijk afgekocht. De man zal niet gehouden zijn verder nog op enigerlei wijze bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw, die door acceptatie van deze regeling onvoorwaardelijk afstand doet van alle verdere alimentatierechten. Deze afspraak is voor beide partijen bindend en zal niet door rechterlijke uitspraak of anderszins kunnen worden gewijzigd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 21 september 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de partneralimentatie zoals bepaald in het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking (het hof begrijpt: behalve voor wat betreft de daarin uitgesproken echtscheiding) respectievelijk het onderdeel Partneralimentatie van het echtscheidingsconvenant te vernietigen en, naar het hof begrijpt: opnieuw rechtdoende, en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen althans op nihil te stellen althans in goede justitie op een bedrag vast te stellen dat overeenkomt met de werkelijke draagkracht van de man.

3. Ter zitting van het hof heeft de man zijn petitum aangepast en wel in die zin dat hij thans verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (voor zover het betreft de partneralimentatie) respectievelijk het onderdeel Partneralimentatie van het echtscheidingsconvenant.

4. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair het appel van de man af te wijzen.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

5. De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nu de man een vordering op de voet van artikel 6: 228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dan wel artikel 3: 44 BW aan de orde stelt in een verzoekschriftprocedure en bovendien voor het eerst in hoger beroep. De man betwist dit.

6. Het hof oordeelt als volgt. In zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 BW, moet het volgen van de verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven worden beschouwd, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten. Uit wetgeving en jurisprudentie blijkt dat de opvatting dat voor een beroep op een vernietigingsgrond ex artikel 3:51 BW teneinde te komen tot vernietiging van een (alimentatie)overeenkomst een afzonderlijke, bij dagvaarding in te leiden, procedure is vereist onjuist is. Aan het beroep in rechte op een vernietigingsgrond worden geen nadere eisen gesteld. Het beroep kan – met inachtneming van de regels van een goede procesorde – worden gedaan in elk stadium van de procedure.

7. Het vorenstaande in acht nemend – en meewegend het feit dat de vrouw ruimschoots in de gelegenheid is geweest op de door de man aangevoerde vernietigingsgronden te reageren in zowel haar verweerschrift als ter zitting en van deze gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt – is het hof van oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

De afwijzing van het hoger beroep

8. Partijen hebben bij de rechtbank een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding ingediend. In dit verzoek wordt de rechtbank verzocht om bij beschikking de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Voorts wordt de rechtbank verzocht te bepalen dat de inhoud van het door partijen op 3 en 7 februari 2012 ondertekende convenant deel uitmaakt van die beschikking.

9. De man verzoekt vernietiging van de beschikking van de rechtbank respectievelijk onderdeel Partneralimentatie van het echtscheidingsconvenant op de grond dat sprake is van dwaling althans bedrog.

Vernietiging van de beschikking

10. Het hof oordeelt als volgt. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Verder heeft de rechtbank slechts de door partijen getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het (in fotokopie) aan de beschikking gehechte convenant, opgenomen in het dictum. De rechtbank heeft derhalve niet zelf een beslissing genomen met betrekking tot de partneralimentatie doch slechts, overeenkomstig het bepaalde in artikel 819 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de afspraak van partijen met betrekking tot de partneralimentatie zoals neergelegd in het door partijen gesloten convenant in de beschikking opgenomen. Nu de rechtbank in het onderhavige geval niets heeft beslist met betrekking tot de partneralimentatie en partijen in eerste aanleg gemeenschappelijk hebben verzocht tot opneming van het echtscheidingsconvenant in de beschikking, dient het verzoek in dit hoger beroep van de man tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank in zoverre, dan ook te worden afgewezen.

Vernietiging van het onderdeel betreffende de partneralimentatie in het echtscheidingsconvenant

11. Het hof dient vervolgens te beoordelen of sprake is van dwaling althans bedrog, zoals de man stelt, op grond waarvan het gedeelte van het echtscheidingsconvenant dat ziet op de partneralimentatie zou moeten worden vernietigd. Subsidiair, zo begrijpt het hof, doet de man een beroep op de bedoelingen van partijen bij de totstandkoming van de alimentatieafspraken zoals deze zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant.

12. De man stelt – kort weergegeven – dat het bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant de bedoeling van partijen is geweest dat de vrouw, met de kinderen, in de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) zou blijven wonen. De vrouw had deze wens uitgesproken en ook de man wilde de vrouw en de kinderen dezelfde welstand blijven bieden die zij ten tijde van het huwelijk van partijen gewend waren. Toen de man op zijn werk boventallig was verklaard, en derhalve werkloos zou worden, hebben partijen diverse besprekingen gevoerd over de gevolgen hiervan in het kader van de echtscheidingsprocedure. Partijen zijn toen overeengekomen dat de man de partneralimentatie zou afkopen, onder meer door een rechtstreekse aflossing op de op de woning rustende hypothecaire geldlening te doen uit de door hem ontvangen ontbindingsvergoeding. Na het ondertekenen van het convenant en de afgifte van de echtscheidingsbeschikking is de man ermee bekend geworden dat de vrouw kennelijk van de aanvang af niet de intentie heeft gehad de woning te behouden. Zo heeft de vrouw op 31 maart 2012 in [het buitenland] een Islamitisch huwelijk gesloten met de heer [naam man]. De heer [naam man] is aannemer in [het buitenland], zodat het niet aannemelijk is dat hij zich in Nederland bij de vrouw zal vestigen in de woning. Anderzijds staat volgens de man wel vast dat de vrouw zich bij de heer [naam man] in [het buitenland] zal vestigen. Het is volgens de man aannemelijk te veronderstellen dat de vrouw al in de onderhandelingsfase met de man kennis droeg van het plan om in [het buitenland] een Islamitisch huwelijk aan te gaan en zich aldaar te vestigen. Het had dan ook op de weg van de vrouw gelegen de man van haar toekomstplannen in kennis te stellen. Deze plannen zouden toch eenmaal met zich meebrengen dat zij mogelijk geen inhoud zou (willen/kunnen) geven aan het door haar aan de man voorgespiegeld behoud van welstandsniveau in de woning. Zo de man bekend was geweest met deze toekomstplannen van de vrouw, had hij beslist een andere oplossing gekozen voor de afwikkeling van de partneralimentatie.

13. De vrouw voert verweer en stelt dat zij de man ten tijde van de onderhandelingen bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant niet onjuist of onvolledig heeft voorgelicht en dat zij evenmin essentiële informatie heeft achtergehouden. De vrouw woont nog steeds in de woning en staat ook op dat adres ingeschreven. Zij heeft de heer [naam man] na de echtscheidingsprocedure leren kennen en is enige tijd naar [het buitenland] geweest om hem beter te leren kennen. Bij aankomst in [het buitenland] heeft de vrouw een religieuze dienst gehouden, teneinde haar de zegeningen te geven om de nieuwe man in haar leven beter te leren kennen. De vrouw is niet voornemens met de heer [naam man] te gaan samenwonen laat staan om met hem te trouwen. Zij is inmiddels weer terug in Nederland en is niet voornemens de woning na toedeling aan haar op korte termijn te verkopen. De vrouw stelt voorts dat het bij de totstandkoming van het convenant de bedoeling van partijen was om in goed onderling overleg te komen tot een redelijke regeling die recht zou doen aan de gerechtvaardigde belangen van beide partijen. De bepaling in het convenant staan in nauwe samenhang met elkaar. Zo is de vrouw akkoord gegaan met een relatief lage afkoopsom voor de partneralimentatie en heeft zij bij de verdeling van de overige vermogensbestanddelen genoegen genomen met minder dan waar zij de facto recht op had. Er was haar immers veel gelegen aan toedeling aan haar van de woning.

14. Voor een beroep op bedrog dient de man ingevolge artikel 3: 44 BW aan te tonen dat de vrouw hem heeft gebracht tot de alimentatieregeling in het convenant door opzettelijk een onjuiste mededeling te doen dan wel opzettelijk een feit te verzwijgen dat zij verplicht was mee te delen dan wel door een andere kunstgreep. Een beroep van de man op dwaling als geregeld in artikel 6: 228 BW slaagt indien hij aantoont dat de vrouw, in verband met hetgeen zij wist dan wel behoorde te weten, de man had behoren in te lichten en dat hij bij een juiste voorstelling van zaken de onderhavige alimentatie-overeenkomst niet zou hebben gesloten. De man dient derhalve in de eerste plaats aan te tonen dat de vrouw reeds ten tijde van de onderhandelingen en de ondertekening van het convenant niet meer het voornemen had om in de woning te blijven wonen, hetgeen zij de man had moeten meedelen althans niet voor hem had moeten verzwijgen.

15. Het hof is van oordeel dat zowel het beroep van de man op bedrog als het beroep op dwaling niet slaagt en overweegt daartoe als volgt.

16. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. Partijen wonen sinds augustus 2007 gescheiden van elkaar. De vrouw is met de kinderen van partijen, en de moeder van de man, in de woning blijven wonen. Partijen zijn in april 2011 voor het eerst met elkaar in gesprek gegaan over de te regelen echtscheiding. Eind 2011 en begin 2012 is er zeer uitgebreid contact geweest tussen de advocaten van partijen en tussen partijen zelf over de inhoud van het convenant. Het convenant is vervolgens opgesteld en door partijen op 3 en 7 februari 2012 ondertekend. Op 2 maart 2012 heeft de advocaat van de man het gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De echtscheiding is bij beschikking van 26 maart 2012 uitgesproken.

17. Het hof is van oordeel dat uit hetgeen de man naar voren heeft gebracht niet is af te leiden dat de vrouw reeds ten tijde van de besprekingen van partijen en het ondertekenen van het convenant niet meer het voornemen had om in de woning te blijven wonen. Dat de vrouw op 31 maart 2012 een Islamitisch huwelijk heeft gesloten met [naam man] zoals de man stelt, hetgeen de vrouw ten stelligste ontkent, is daartoe onvoldoende. De vrouw heeft immers gesteld dat zij [naam man] pas na de echtscheidingsprocedure heeft ontmoet en de man heeft deze stelling niet kunnen weerleggen. De door hem overgelegde getuigenverklaringen bieden geen steun voor zijn stelling dat de vrouw [naam man] al kende tijdens de echtscheidingsprocedure. De vrouw heeft voorts onweersproken gesteld dat zij in [het buitenland] niet met [naam man] heeft samengewoond. Ook het argument van de man, dat [naam man] in verband met zijn werk in [het buitenland] niet in de woning in [woonplaats] zal gaan wonen, kan niet leiden tot de conclusie dat de vrouw tijdens de onderhandelingen en op het moment dat zij het convenant ondertekende wist dat zij niet in de woning wilde blijven wonen. Het hof merkt hierbij op dat de vrouw, die vanaf eind maart 2012 enige maanden in [het buitenland] heeft doorgebracht, vanaf oktober 2012 weer in de woning woonachtig is. De man heeft voorst nog opgemerkt dat de vrouw hem ten tijde van de onderhandelingen had moeten melden dat zij op haar werk in een reorganisatie was verwikkeld omdat zij dan de lasten van de woning niet meer zou kunnen voldoen. Het hof gaat ook aan dit argument van de man voorbij, nu de vrouw ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij, hoewel zij thans geen werk heeft noch inkomen uit enige uitkering, nog immer de woonlasten verbonden aan de woning kan voldoen.

18. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de man niet heeft aangetoond dat de vrouw reeds ten tijde van de onderhandelingen en het ondertekenen van het convenant niet meer het voornemen had om in de woning te blijven wonen en de man een valse voorstelling van zaken heeft gegeven. Een beroep van de man op bedrog dan wel dwaling slaagt derhalve niet. Dat de vrouw misschien thans het voornemen heeft om uit de woning te vertrekken, zoals de man stelt, doet hieraan niet af. Andere gronden tot vernietiging zijn gesteld noch gebleken.

19. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof voorts dat het subsidiaire beroep van de man, dat hetgeen door partijen in het echtscheidingsconvenant is vastgelegd niet overeenkomt met de bedoeling van partijen, niet slaagt. Immers, ter onderbouwing van deze stelling herhaalt de man slechts dat het de wil van zowel de man als de vrouw is geweest dat de vrouw in de woning zou blijven wonen en dat derhalve de tot stand gekomen afspraken met betrekking tot de alimentatie in strijd zijn met de werkelijke bedoelingen van de man en de vrouw. Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen gaat het hof derhalve ook aan dit subsidiaire beroep van de man voorbij.

20. Het vorenstaande in acht nemend dient het hoger beroep van de man ook voor het overige te worden afgewezen.

21. Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

wijst het hoger beroep van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Van der Burght, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2012.