Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ8786

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
200.113.488-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling zes kinderen. De zorgen zijn afgenomen. Bekorting van de duur van de ondertoezichtstelling, hetgeen ertoe leidt dat de ondertoezichtstelling direct wordt beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer : 200.113.488/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-1007

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de biologische vader] (voorheen genaamd: [A]),

wonende op een onbekend adres, via een advertentie opgeroepen,

hierna te noemen: de (biologische) vader,

2) [de moeder van de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de voogdes,

3. de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 18 september 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 juni 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 4 oktober 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 5 november 2012 een brief van 1 november 2012 met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 12 november 2012 laten weten ter zitting te zullen verschijnen.

Op 13 november 2012 is, op verzoek van het hof, ingekomen het raadsrapport van 22 maart 2012.

De zaak is op 14 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. J. Vrancken, een kantoorgenoot van haar advocaat;

- de heer M.C. Dors namens de raad;

- mevrouw A.W. Cullens en mevrouw J.L. Breidel namens Jeugdzorg;

De (biologische) vader en de voogdes zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarige [U] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling of schriftelijk haar mening kenbaar te maken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die bestreden beschikking heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – de na te noemen minderjarigen ondertoezicht gesteld voor de duur van één jaar met benoeming van Jeugdzorg tot stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Onder meer staat het volgende vast:

De minderjarigen:

- [kind U], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],

- [kind V], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

- [kind W], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

- [kind X], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],

- [kind Y], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], en

- [kind Z], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats], (hierna gezamenlijk: de minderjarigen) zijn geboren uit de moeder. De (biologische) vader heeft alleen [kind X] erkend. De voogdes is belast met het gezag over de oudste minderjarige. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over de andere minderjarigen. De minderjarigen verblijven bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de duur van een jaar.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad af te wijzen, althans een zodanige beschikking te geven als het hof juist acht.

3. De moeder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een situatie waarbij er een ontwikkelingsbedreiging bestaat jegens de minderjarigen waarvoor een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De moeder stelt dat de rechtbank een ‘baat het niet dan schaadt het niet’- beslissing lijkt te hebben genomen. Voorts stelt de moeder dat niet is gebleken dat hulpverlening in het vrijwillige kader is mislukt. Daarnaast heeft de moeder slechte ervaringen met Jeugdzorg, waardor zij het vertrouwen in Jeugdzorg mist, hetgeen de samenwerking bemoeilijkt.

4. De raad heeft ter zitting verklaard dat de zorgen die ten tijde van het indienen van het verzoek bestonden naar de achtergrond zijn verdwenen. Jeugdzorg en de moeder hebben de samenwerking goed aangepakt en zijn dusdanig aan de slag gegaan dat de raad thans geen noodzaak meer ziet om de maatregel van ondertoezichtstelling te handhaven.

5. Jeugdzorg had reeds schriftelijk aangegeven dat er op dit moment geen indicatie is die wijst op een onveilige opvoedingssituatie van de minderjarigen. Ook vanuit school en de behandelende arts van de jongste minderjarige worden er op het moment geen zorgen gemeld. Ter zitting heeft Jeugdzorg zich bij de raad aangesloten en verklaard dat de moeder het goed doet en dat een ondertoezichtstelling niet langer nodig is.

6. Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aanwezig zijn. Bij zijn beoordeling dient het hof derhalve te onderzoeken of de minderjarigen bij het uitblijven of beëindigen van de ondertoezichtstelling zodanig zullen opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen, dan wel gezondheid, ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de zorgen die in eerste instantie bestonden, zijn verdwenen sinds de moeder en Jeugdzorg op een positieve wijze hebben samengewerkt. Er is niet langer sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen. Onder deze huidige omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat er thans niet meer wordt voldaan aan de wettelijke gronden voor de ondertoezichtstelling en dat de maatregel per direct dient te worden opgeheven. Het hof heeft dit ter zitting aan partijen medegedeeld.

7. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking voor wat betreft de periode na 14 november 2012 zal worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de besteden beschikking voor zover het de duur van de ondertoezichtstelling betreft, en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bekort de duur van de ondertoezichtstelling tot 14 november 2012;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Leuven en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.