Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ8781

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
200.101.214-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn afspraken die partijen maakten in het kader van een echtscheidingsprocedure over de verdeling van gebruikers- en eigenaarslasten, bevestigd door de rechtbank, aan te merken als onderdeel van de nevenvoorzieningen (artikel 827 Rv) of niet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer : 200.101.214/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 09-6612 en FA RK 10-475

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. T.K. Dik te Leiden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [A],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.W. Lagraauw te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 27 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 oktober 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 30 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 26 oktober 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Verder was aanwezig een stagiaire van het kantoor van de advocaat van de man.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank onder meer de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 23 september 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de ontbonden huwelijksvermogensgemeenschap.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vrouw gehouden is de gebruikerslasten met betrekking tot de echtelijke woning te voldoen en de man en de vrouw gehouden zijn de eigenaarslasten van de woning ieder bij helfte te voldoen.

3. De vrouw bestrijdt het beroep van de man en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en dusdoende de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, subsidiair dit verzoek af te wijzen.

4. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen zijn overeengekomen dat de man, zolang de echtelijke woning niet in eigendom is overgedragen, de woonlasten waaronder begrepen de lasten van de hypothecaire geldlening, verzekeringen, gas, water en elektriciteit en de gemeentelijke lasten, zal doorbetalen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat partijen gehouden zijn deze afspraak na te komen. De man voert daartoe aan dat er geen sprake is van een dergelijke afspraak. Zelfs al zou die afspraak bestaan, dan kan de man niet gehouden worden aan zo’n afspraak, omdat vast staat dat de man geen draagkracht heeft. De man meent dat de vrouw vanaf 1 juni 2009 gehouden is om de gebruikerslasten volledig zelf te voldoen. Wat betreft de eigenaarslasten is de vrouw gehouden de helft te voldoen zolang partijen nog gezamenlijk eigenaar zijn van de woning.

5. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep, omdat voor toewijzing van het verzoek van de man geen wettelijke grondslag bestaat. Voorts stelt de vrouw dat met de man wel de afspraak is gemaakt dat hij alle woonlasten zou blijven voldoen en zij verwijst daarvoor naar de stukken in eerste aanleg. De vrouw meent dat dit ook niet onredelijk is, aangezien zij alle kosten voor de kinderen van partijen voor haar rekening nam.

6. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft overwogen dat sprake is van een afspraak tussen partijen inhoudende dat de man alle woonlasten zou doorbetalen en dat deze afspraak zich niet leent voor opname in het dictum, omdat het verzoek geen nevenvoorziening betreft als bedoeld in artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en voor toewijzing ervan geen wettelijke grondslag valt aan te wijzen.

Naar het oordeel van het hof is de man ontvankelijk in zijn hoger beroep. Anders dan de rechtbank beschouwt het hof het verzoek van de man als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 Rv, nu het verzoek is gedaan in het kader van de echtscheidingsprocedure en aansluit bij de wel in dit artikel genoemde gevallen en samenhangt met de vermogensaspecten van de echtscheiding. De in lid 1 van artikel 827 Rv opgegeven opsomming van nevenvoorzieningen is immers niet limitatief. Uit de memorie van toelichting volgt dat aan twee voorwaarden dient te worden voldaan om een verzoek als nevenvoorzieningen te beschouwen, te weten: er dient voldoende samenhang te zijn met het scheidingsverzoek en de behandeling daarvan mag niet tot onnodige vertraging van het geding leiden. Aan beide voorwaarden was in eerste aanleg voldaan, zodat de rechtbank de afspraak als nevenvoorziening had kunnen kwalificeren en opnemen in het dictum. De rechtbank heeft dit niet gedaan en de man vraagt thans in hoger beroep alsnog om vaststelling van een regeling betreffende de draaglast van de lasten met betrekking tot de echtelijke woning. De man verzoekt echter om een andere verdeling van de draaglast dan waar de rechtbank vanuit ging, stellende dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen daaromtrent een afspraak hadden gemaakt. Uit de overgelegde stukken is het hof niet gebleken dat tussen partijen een afspraak is gemaakt dan wel anderszins, overeenstemming bestond, inhoudende dat de man alle woonlasten zou blijven doorbetalen. Weliswaar blijkt uit de stukken dat ter discussie is geweest wie van partijen de woonlasten zou betalen en of daar een gebruikersvergoeding tegenover zou moeten staan, maar uit de stukken blijkt niet dat partijen vervolgens zijn overeengekomen dat de man alle woonlasten zou blijven doorbetalen. Het hof beschouwt het verzoek van de man in hoger beroep als een vermeerdering/wijziging van het verzoek in eerste aanleg als bedoeld in artikel 283 Rv. De man is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.

7. Hoewel de man in zijn verzoek, zoals hierboven uiteengezet, ontvankelijk is, vloeit hetgeen de man verzoekt – ieder van partijen draagt voor de helft bij in de uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijke woning, terwijl de vrouw haar eigen gebruikerslasten draagt - reeds voort uit de wet, zodat het hof op dit punt geen beslissing hoeft te nemen.

8. Dit laat onverlet dat de man uit hoofde van de door hem voor meer dan zijn aandeel betaalde schulden in verband met de gemeenschappelijke woning op grond van de wet een vordering heeft gekregen op de vrouw.

9. Uit het voorstaande volgt dat het hof het hoger beroep van de man zal verwerpen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.