Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6943

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
200.107.543/01 & 200.107.545/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, partneralimentatie en verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummers : 200.107.543/01 en 200.107.545/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 11-5814 (scheiding) en FA RK 11-8103 (verdeling)

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.A.M. Perquin te ’s-Gravenhage,

tegen

1. [verweerder 1],

hierna te noemen: de vrouw,

2. [verweerder 2],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: de jongmeerderjarige,

beiden wonende te [woonplaats],

verweerders, tevens incidenteel verzoekers in hoger beroep,

hierna ook gezamenlijk te noemen: verweerders,

advocaat mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 29 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 februari 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

Verweerders hebben op 4 juli 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De man heeft op 16 augustus 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 7 september 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 19 september 2012 een brief van 18 september 2012 met bijlage;

- op 27 september 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van verweerders:

- op 17 september 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 28 september 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- verweerders, bijgestaan door hun advocaat.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De advocaat van de man heeft ter zitting nog stukken overgelegd waartegen geen bezwaar is gemaakt. Het hof betrekt deze stukken bij de overwegingen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken en, voor zover in hoger beroep van belang, de door de man met ingang van 27 februari 2012 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige bepaald op € 450,- per maand en de door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 175,- per maand. Voorts heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap uitvoerbaar bij voorraad vastgesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op 22 maart 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de jongmeerderjarige met ingang van 27 februari 2012 (hierna ook: alimentatie jongmeerderjarige), de uitkering in het levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 22 maart 2012 (hierna ook: partneralimentatie), alsmede de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, welke door echtscheiding op 22 maart 2012 is ontbonden.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de alimentatie jongmeerderjarige, de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te vernietigen en, (het hof leest:) in zoverre opnieuw beschikkende:

- het verzoek van de jongmeerderjarige tot bepaling van een door de man aan hem te betalen bijdrage in diens kosten van levensonderhoud en studie af te wijzen, althans deze te bepalen op een zodanig geringer bedrag dan € 450,- per maand als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

- het verzoek van de vrouw tot bepaling van een uitkering tot haar levensonderhoud af te wijzen;

- de verdeling van de inboedel vast te stellen;

- te bepalen dat de (het hof leest: verdeling van de) saldi van de bankrekeningen per 22 maart 2012 dient plaats te vinden;

- te bepalen dat het door dochter [dochter] overgemaakte bedrag ad

€ 1.502,75 ten laste van de vrouw dient te komen en niet in de verdeling dient te worden betrokken;

- te bepalen dat de schuld aan de broer van de man ([broer van de man]) in de verdeling dient te worden betrokken;

althans ten aanzien van de door de man bestreden onderdelen van de verdeling een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vernemen te behoren, kosten rechtens.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt de door de man opgenomen grieven te verwerpen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure. In incidenteel appel verzoekt de vrouw de bestreden beschikking op de navolgende punten te vernietigen en te bepalen dat:

- bij de vaststelling van de draagkracht van de man rekening wordt gehouden met het feit dat zijn partner de helft van de netto woonlasten voldoet;

- bij de vaststelling van de draagkracht van de man geen rekening wordt gehouden met de kosten van de overlijdensrisicoverzekering;

- de man aan de vrouw in verband met de door haar aangegane leningen een bedrag van € 11.663,37 dient te voldoen;

- de man alle bankafschriften vanaf 1 april 2007 tot aan de peildatum dient te overleggen en verantwoording moet afleggen voor het door hem gevoerde bestuur over het gezamenlijke vermogen;

- de man een boedelbeschrijving dient te overleggen waaruit blijkt wat de omvang en de waarde van de nalatenschap van de vader van de man is en waaruit blijkt wat de aanspraken van de man zijn en te bepalen dat hij verplicht is om aan de vrouw de helft van de waarde van zijn aandeel in deze nalatenschap uit te keren;

- de man zijn aandeel in de polissen heeft verbeurd nu hij deze heeft verzwegen en aan de vrouw een bedrag van € 50.000,-- dient te voldoen;

- de man te verplichten om binnen 14 dagen na de in deze te wijzen beschikking alle in productie 15 genoemde goederen aan de vrouw te overhandigen zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft met de afgifte van alle goederen in goede staat;

- de man te verplichten om alle schriftelijke aanwijzingen van de makelaar van Joost van Vliet makelaars te ’s-Gravenhage op te volgen die er toe leiden dat de woning zo spoedig mogelijk voor een zo hoog mogelijk bedrag wordt verkocht, zulks op verbeurte van een dwangsom van

€ 500,-- per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft met het opvolgen van de aanwijzingen van de makelaar;

kosten rechtens.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt de verzoeken van verweerders af te wijzen, kosten rechtens.

Alimentatie jongmeerderjarige

Behoefte jongmeerderjarige

5. De behoefte van de minderjarige aan een bijdrage staat als niet bestreden vast.

Draagkracht man

6. Bij het bepalen van de draagkracht van de man neemt het hof als uitgangspunt de door hem overgelegde draagkrachtberekening, als bijlage overgelegd bij brief van 18 september 2012.

Inkomen

7. Uit het appelschrift van de man volgt dat hij van mening is dat de rechtbank zijn draagkracht verkeerd heeft vastgesteld. In punt 4 van zijn appelschrift heeft de man aangegeven dat de navolgende uitgangspunten van de rechtbank niet correct zijn:

• De hoogte van zijn inkomen;

• De woonlasten die de man voldoet met betrekking tot de voormalige echtelijke woning;

• Zijn eigen risico met betrekking tot zijn ziektekosten.

Uit de brief van de man van 18 september 2012 volgt:

• Dat voor zijn inkomen uitgegaan moet worden van een bedrag van € 44.070,-;

• De premies levensverzekering en de premie overlijdensrisicoverzekering met betrekking tot de voormalige echtelijke woning moeten worden gesteld op een bedrag van € 433,-.

8. De vrouw is van mening dat de rechtbank bij de vaststelling van het inkomen van de man terecht is uitgegaan van de jaaropgave van de man met betrekking tot het jaar 2011. In dat jaar had de man een inkomen van € 46.609,-. Uit punt 4 van haar verweerschrift volgt dat de vrouw van mening is dat met een inkomensdaling van de man geen rekening moet worden gehouden.

9. Met betrekking tot het inkomen van de man is voor de vaststelling van zijn draagkracht relevant het inkomen dat hij na datum echtscheidingsbeschikking feitelijk verwerft dan wel in redelijkheid zou kunnen verwerven. In het onderhavige geval zijn naar het oordeel van het hof geen rechtens relevante feiten en omstandigheden door de vrouw gesteld om af te wijken van het inkomen dat de man feitelijk verdient. Van een vrijwillige inkomensdaling aan de zijde van de man is het hof niet gebleken. Met betrekking tot het inkomen van de man gaat het hof uit van de gegevens zoals deze door de man in het geding zijn gebracht bij brief van 7 september 2012. Dit betekent dus dat het hof zal uitgaan van een bruto jaar inkomen van de man van € 44.070,-.

10. In zijn draagkrachtberekening van de man heeft hij de hypotheekrente met betrekking tot de voormalige echtelijke woning volledig in aftrek genomen. Ter zitting is de man gewezen op de fiscale eigen woning regeling zoals opgenomen in art 3.111 Wet inkomstenbelasting 2001. Op basis van deze Wet is de hypotheekrente voor de man nog slechts voor de helft fiscaal aftrekbaar. Het hof zal de draagkracht van de man met in achtneming van de juiste fiscale uitgangspunten bepalen aangezien het hof conform artikel 25 Rv de rechtsgronden moet aanvullen.

11. Het hof houdt verder aan de inkomenszijde van de man rekening met de – niet in geschil zijnde – heffingskortingen, te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

12. Ten aanzien van de in geschil zijnde lasten overweegt het hof als volgt.

Woonlasten

13. Verweerders stellen (in hun eerste incidentele grief) dat bij de vaststelling van de draagkracht van de man slechts met de helft van de woonlasten rekening moet worden gehouden, aangezien de man samenwoont met een partner met een eigen inkomen.

14. De man stelt dat van samenwoning geen sprake is. Hij heeft een latrelatie met zijn partner. Zij beschikt over een eigen woning.

15. Het hof houdt rekening met de volledige woonlasten van de man, aangezien verweerders – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man – niet aannemelijk hebben gemaakt dat de man samenwoont met zijn nieuwe partner en dus deze woonlasten kan delen.

Overlijdensrisicoverzekering

16. Verweerders stellen (in hun eerste incidentele grief) dat geen rekening moet worden gehouden met de premie overlijdensrisicoverzekering ad € 27,54, aangezien de man deze verplichting – ruim drie jaar na het uiteengaan van de man en de vrouw in 2007 – vrijwillig is aangegaan.

17. De man stelt dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met deze premie, aangezien deze tezamen met de spaarpolis bij Reaal verpand is aan de DSB Bank, ingangsdatum 28 januari 2005.

18. Het hof overweegt als volgt. Evenals de rechtbank houdt het hof rekening met de verplichting van de man tot betaling van de premie overlijdensrisicoverzekering van € 27,54 per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde producties 1a en 1b bij het verweerschrift op het incidenteel appel. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de man deze verzekering heeft moeten afsluiten inverband met de hypothecaire geldlening.

Premie levensverzekeringen

19. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de premie van de verpande en aan de hypotheek gekoppelde polissen van in totaal een bedrag van € 405,- per maand (€ 278,- per maand Hollands Welvaren en € 127,- per maand ASR).

20. Verweerders stellen dat met deze bedragen geen rekening dient te worden gehouden in de draagkrachtberekening van de man, nu hij hiervan geen enkel bewijsstuk in het geding heeft gebracht.

21. Het hof overweegt dat uit de door de man overgelegde stukken bij brief van 7 september 2012 genoegzaam blijkt dat de premie levensverzekeringen in totaal € 405,- per maand bedraagt. Gezien het feit dat de verzekering is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening is het hof van oordeel dat met deze last rekening dient te worden gehouden. Er bestaat een contractuele verplichting van partijen jegens de hypotheekbank.

Eigen risico ziektekostenverzekering

22. De man voert op een bedrag aan eigen risico ziektekosten van € 14,- per maand.

23. Verweerders stellen dat de rechtbank – bij gebrek aan financiële stukken hieromtrent – terecht geen rekening heeft gehouden met deze kosten.

24. Het hof zal – in tegenstelling tot de rechtbank – wel rekening houden met een eigen risico van € 170,- per jaar, nu dit blijkens de door de man in hoger beroep overgelegde stukken het gerealiseerde eigen risico van de man is (bijlagen bij het appelschrift). Het hof gaat ervan uit dat de man ook voor het jaar 2012 zijn eigen risico met betrekking tot ziektekosten zal moeten voldoen mede bezien het ziektebeeld van de man.

25. Daarnaast houdt het hof – anders dan de man heeft opgevoerd in zijn draagkrachtberekening – rekening met een bijstandsnorm voor een alleenstaande.

26. Indien dan rekening wordt gehouden met de overige, niet bestreden maandelijkse lasten zoals vermeld in bovengenoemde draagkrachtberekening (te weten forfait overige eigenaarslasten ad € 95,- en premie ziektekostenverzekering ad € 143,-), volgt dat de draagkracht van de man met ingang van 27 februari 2012 een alimentatie jongmeerderjarige toelaat van € 76,- per maand, zodat de bestreden beschikking in zoverre moet worden vernietigd.

Partneralimentatie

27. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen laat de draagkracht van de man geen ruimte voor het vaststellen van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw. Het hof zal derhalve het inleidende verzoek tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw alsnog afwijzen.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

Inboedel

28. De man heeft een grief geformuleerd betreffende de verdeling van de inboedel. Het hof begrijpt uit de toelichting op de grief dat de man van mening is dat, nu er geen afspraken kunnen worden gemaakt over de verdeling van de inboedel, de inboedelgoederen alsnog in de verdeling dienen te worden betrokken. Indien de vrouw wordt overbedeeld, dient zij de man een vergoeding te betalen voor de door haar meegenomen en nog mee te nemen zaken, aldus de man.

29. Het vorenstaande wordt door de vrouw bestreden.

30. Het hof is van oordeel dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Het hof heeft geen inzicht in de omvang (en waarde) van alle inboedelgoederen. De grief treft derhalve geen doel.

Peildatum bankrekeningen

31. De man stelt dat als peildatum voor de bankrekeningen dient te gelden de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 22 maart 2012. De datum die door de rechtbank is vastgesteld, te weten 31 december 2011, acht de man onredelijk. Immers, op dat moment had hij wel zijn salaris ontvangen, doch nog niet de betalingen voor die maand gedaan.

32. De vrouw betwist de stelling van de man.

33. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de man en de vrouw ter zitting bij de rechtbank overeenstemming hebben bereikt over de te hanteren peildatum voor de bankrekeningen, te weten 31 december 2011. Het feit dat de man daar nu anders tegen aankijkt, doet daaraan niet af. De grief van de man slaagt dan ook niet. In obligatoire zin is de man aan de overeengekomen peildatum gebonden.

Lening dochter [dochter]

34. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte het door [dochter] aan de vrouw overgemaakte bedrag van € 1.502,75 (ter voldoening van de advocaatkosten van de vrouw) heeft meegenomen in de verdeling. De man voert hiertoe aan dat dit bedrag niet strookt met het feit dat er aan de vrouw gratis rechtsbijstand is verstrekt (zoals blijkt uit de kop van het verzoekschrift tot echtscheiding onder nr. 3GS2677, bijlage bij het appelschrift). Indien deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, dienen deze geheel ten laste van de vrouw te komen, aldus de man.

35. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan.

36. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt vast dat het bedrag ad € 1.502,75 niet aangemerkt kan worden als een schuld aan de advocaat van de vrouw, althans niet voor de hoogte die de vrouw stelt. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat dit bedrag een geldlening betreft die door de man en de vrouw bij helfte dient te worden gedragen. De grief treft doel.

Schuld aan broer [broer]

37. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de schuld ter hoogte van € 20.000,- aan zijn broer niet in de verdeling heeft betrokken.

38. De vrouw betwist dat de man geld zou hebben geleend van zijn broer.

39. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne. Naar het oordeel van het hof heeft de man in hoger beroep geen onderbouwing gegeven van zijn grief en geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat het hof anders zou moeten beslissen.

Overige verzoeken van de vrouw in incidenteel appel

40. De vrouw stelt in haar tweede incidentele grief dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met alle door haar aangegane schulden van in totaal € 23.326,73.

41. Het hof overweegt als volgt. Het hof begrijpt uit het verweer van de man dat hij bestrijdt dat de vrouw schulden is aangegaan voor een bedrag van € 23.326,73. De man heeft onder meer gesteld dat hij wel heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en van [jongmeerderjarige]. Naar het oordeel van het hof brengt een goede procesorde met zich mede dat de vrouw voor de wederpartij en de rechter inzichtelijk maakt wat haar bezwaren tegen de bestreden beschikking zijn. Van de vrouw had in dat kader mogen worden verwacht dat zij in haar toelichting op de grief nog een nadere onderbouwing had dienen te geven met betrekking tot haar standpunt. Nu zij dit niet heeft gedaan heeft de vrouw naar het oordeel van het hof niet voldaan aan haar stelplicht. Een verweerschrift tevens incidenteel appel dient niet een zoekplaatje te zijn voor de rechter en de wederpartij. De grief treft derhalve geen doel.

42. In haar derde incidentele grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek, inhoudende dat de man inzage dient te geven in het verloop van het banksaldo vanaf 1 april 2007 tot aan de peildatum, heeft afgewezen.

43. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:83 BW verschaffen echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden. Dit wetsartikel is van toepassing op het onderhavige geschil. Uit de wetsgeschiedenis op dit artikel volgt naar het oordeel van het hof dat de man niet gehouden is tot het afleggen van rekening en verantwoording. De verruiming van de informatieplicht houdt dus niet in een recht om rekening en verantwoording af te leggen. De grief treft geen doel.

44. De vrouw stelt in haar vierde incidentele grief dat de rechtbank ten onrechte de man niet heeft verplicht om inzage te geven in de omvang alsmede de waarde van het aandeel van de man in de nalatenschap van zijn vader.

45. Het hof overweegt als volgt. De man heeft op blz. 3 van zijn verweerschrift gesteld dat de erfenis aanvankelijk bedroeg € 17.000,- doch na verlies in de effectenportefeuille was de erfenis nog maar € 15.500,-. Voorts heeft de man gesteld dat de erfenis is uitgegeven. Naar het oordeel van het hof heeft de man meer dan voldoende inzicht verschaft in het verloop van de omvang van de in 2004 ontvangen nalatenschap. In het kader van de verdeling van de huwelijksgoederen gemeenschap van partijen is slechts relevant het vermogen dat aanwezig is op de peildatum, namelijk de peildatum op het moment van de ontbinding. Het hof begrijpt uit de stelling van de man dat op de peildatum de nalatenschap was uitgegeven.

46. De vrouw stelt zich verder op het standpunt dat de man zijn aandeel in de polissen levensverzekering heeft verbeurd, nu hij deze heeft verzwegen. Volgens de vrouw maakt zij derhalve aanspraak op de hele waarde van de polissen, te bepalen op € 50.000,-.

47. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Het hof heeft in de onderhavige zaak niet kunnen vaststellen of aan het bovenvermelde criterium is voldaan, te meer nu de vrouw van het bestaan van de polissen op de hoogte was. Het hof gaat dan ook aan deze stelling van de vrouw voorbij.

48. Als laatste stelt de vrouw dat de man verplicht moet worden, onder verbeurte van een dwangsom, mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning, alsmede aan de afgifte van de aan de vrouw toebedeelde inboedel.

49. Het hof overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw dat de man dient mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning onder verbeurte van een dwangsom acht het hof te onbepaald. Het hof gaat ervan uit dat de man zijn medewerking verleent aan de verkoop van de echtelijke woning en te goeder trouw zijn verplichtingen zal nakomen. Met betrekking tot het verzoek tot afgifte van de aan de vrouw toebedeelde inboedel overweegt het hof het volgende. Indien partijen een verdeling met elkaar zijn overeengekomen (hetgeen in de onderhavige procedure het geval is), staat daarmee de verdeling vast. Het ligt dan vervolgens op de weg van de vrouw om nakoming te vorderen, waartoe de onderhavige procedure zich niet leent.

Proceskosten

50. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en zal de proceskosten tussen partijen compenseren.

51. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 27 februari 2012 op € 76,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw af;

bekrachtigt de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals opgenomen onder 1 en 2 in het dictum van de bestreden beschikking, en bepaalt dat partijen zijn gehouden om ieder de helft van de onderstaande schuld per de peildatum voor zijn/haar rekening te nemen, zulks onder vrijwaring van de andere partij: de schuld van de vrouw bij dochter [dochter] tot een bedrag van € 1.820,-;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Labohm en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.