Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6899

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
200.100.701/ & 200.100.785/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten plaatsing. Belang bij doorzetten en afronden van ingezette behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 maart 2012

Zaaknummers : 200.100.703/01 en 200.100.785/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-2345

In de zaak met zaaknummer 200.100.703/01:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], thans verblijvende te Zetten bij de Ottho Gerhard Heldringstichting,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat mr. D.S.C. Hes te ‘s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Zennipman te ’s-Gravenhage;

3. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In de zaak met zaaknummer 200.100.785/01:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Zennipman te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg;

3. de hierna te noemen minderjarige.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

In de zaak met zaaknummer 200.100.703/01:

De minderjarige is op 17 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de minderjarige:

- op 8 februari 2012 een brief van 3 februari 2012 met bijlagen.

In de zaak met zaaknummer 200.100.785/01:

De moeder is op 20 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 2 februari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 2 februari 2012 een brief van diezelfde datum.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 9 februari 2012 een brief van diezelfde datum ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad ter terechtzitting zal verschijnen.

In beide zaken:

Op 22 februari 2012 zijn de zaken tezamen mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader;

- de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer R. van der Touw namens de raad;

- mevrouw N. Garcia namens Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg, van 7 december 2011 tot 19 augustus 2012, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit van 24 augustus 2011.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 7 december 2011 tot 19 augustus 2012 in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

In de zaak met zaaknummer 200.100.703.01:

2. De minderjarige verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, en - zo begrijpt het hof - opnieuw beschikkende, het inleidende verzoek van de raad af te wijzen.

In de zaak met zaaknummer 200.100.785.01:

3. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, haar hoger beroep gegrond te verklaren en de gevraagde machtiging alsnog af te wijzen dan wel te beëindigen.

4. De raad bestrijdt hun beroep.

5. De minderjarige voert in hoger beroep aan dat haar gedragsproblemen niet zo ernstig zijn dat daarvoor gesloten opname noodzakelijk is. Volgens haar is er slechts een korte periode sprake geweest van de gedragsproblemen die ertoe hebben geleid dat zij in augustus 2011 met spoed uit huis werd geplaatst..De minderjarige is van mening dat de kinderrechter voortzetting van een gesloten plaatsing niet in haar belang en zeker niet nodig zou hebben gevonden als hij voldoende rekening had gehouden met het leed dat zij als gevolg van de gesloten plaatsing ondervond en nog ondervindt. Na het rapport van de psycholoog is de minderjarige overgeplaatst naar een leefgroep voor verstandelijk gehandicapten. Het verblijf daar vindt zij nog erger dan de gesloten plaatsing in de observatiegroep. Zij meent dat het niet in haar belang is om, zo kort na de vorige, een nieuwe intelligentietest af te leggen, waarbij het ook uiterst dubieus is of daaruit een duidelijker resultaat zal blijken dan uit de vorige test. Op school gaat het goed; zij zit in de derde klas van het VMBO-T. De verstandhouding met de moeder is, na de problemen van vorig jaar, weer goed. De minderjarige wil zo snel mogelijk naar huis. Volgens haar staat de moeder open voor hulp bij de opvoeding. Een verschil van mening over de vraag of ook haar moeder een intelligentietest af moet leggen behoort geen reden te zijn voor voortzetting van een gesloten uithuisplaatsing van de minderjarige.

6. De raad heeft ter zitting verklaard dat de rechtbank een juiste beslissing heeft gegeven. Volgens de raad is er bij de minderjarige nog steeds sprake van forse gedragsproblematiek. De resultaten van het door de Ottho Gerhard Heldringstichting (hierna: de OHG) verrichte onderzoek zijn helder en duidelijk. De minderjarige is inmiddels begonnen met een behandeling volgens het behandelplan. De inschatting van de OHG is dat de behandelduur en het verblijf van de minderjarige in een gesloten setting 6 maanden tot een jaar zullen duren. De raad meent dat uitvoering dient te worden gegeven aan het behandelplan. Het is niet in het belang van de minderjarige om de behandeling nu stop te zetten.

7. Jeugdzorg sluit zich aan bij het standpunt van de raad. Ter zitting heeft Jeugdzorg ter aanvulling verklaard dat de betrokkenheid van de moeder groot is, maar dat de moeder geen, althans onvoldoende besef heeft van de problematiek. De minderjarige gaat met kleine stapjes vooruit. Zij vertoont een stijgende lijn, maar moet nog veel leren. In de thuissituatie moet de moeder leren om de minderjarige te begrenzen. Er zijn doelen om aan te werken, zoals haar opvoedingsvaardigheden. De moeder gaat met behulp van een gezinsmaatschappelijk werker op korte termijn starten om die doelen te verwezenlijken.

8. De moeder meent dat er bij de minderjarige geen sprake is van zodanige gedragsproblemen dat deze een gesloten plaatsing van de minderjarige rechtvaardigen. De moeder stelt dat zij pedagogisch voldoende bij machte is om de minderjarige de benodigde structuur te bieden en haar gezag als opvoeder te doen gelden. Hulp daarbij zal zij niet afslaan. Het wegloopgedrag van de minderjarige heeft de moeder niet alleen besproken met de gezinsvoogd en medewerkers van de OGH, maar ook met de minderjarige. De moeder bagatelliseert de zorgen niet doch zij vindt dat niet voorbij mag worden gegaan aan het feit dat de minderjarige inmiddels vijf maanden gesloten geplaatst is en in deze periode zowel de moeder als de minderjarige een ontwikkeling hebben doorgemaakt. Volgens de moeder is de minderjarige erg verdrietig dat zij niet naar huis kan en gaat de gesloten plaatsing ten koste van haar gezondheid. Er is voorts niet langer sprake van een verstoorde relatie tussen haar en de minderjarige. De moeder erkent dat de minderjarige baat heeft bij de uitvoering van het behandelplan, maar zij ziet geen enkele reden om de minderjarige te behandelen in een gesloten setting.

9. De vader heeft ter zitting verklaard dat de minderjarige bij de moeder thuis behoort te wonen. Hij sluit zich aan bij het standpunt van de moeder.

10. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 29b lid 3 van de Wet op de Jeugdzorg wordt een machtiging tot opneming van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten Jeugdzorg, ongeacht zijn instemming daarmee, slechts verleend indien de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal ontrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

11. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat bij de minderjarige sprake was van ernstige gedragsproblemen, die een bedreiging voor haar ontwikkeling naar volwassenheid vormden. De raad heeft in eerste aanleg aanleiding gezien om een machtiging tot gesloten plaatsing te verzoeken voor de duur van de ondertoezichtstelling. Er was sprake van ernstige zorgen op het gebied van onder meer het sociaal-emotioneel functioneren, de verstandelijke ontwikkeling en de seksuele ontwikkeling van de minderjarige. Ook waren de ouders onvoldoende in staat hun gezag te doen gelden. De minderjarige vertoonde ook ernstig wegloopgedrag. De minderjarige heeft in de thuissituatie bij de moeder niet de zorg en structuur heeft ontvangen die zij nodig heeft. Wanneer de minderjarige haar zin niet kreeg, werd zij verbaal en fysiek agressief, niet alleen naar haar moeder, maar ook naar de hulpverlening en de politie. Uit de rapportage van de OHG van 18 november 2011 blijkt dat de aandachtspunten in de hulpverlening van de minderjarige zijn het op een adequate manier leren uiten van en omgaan met emoties, zelfbeheersing en het leren gebruiken van adequate probleemoplossende vaardigheden in meer spanningsvolle situaties. Gebleken is dat de minderjarige zelf heeft aangegeven hiermee aan de slag te willen en dat zij hierbij baat heeft. Zij heeft al veel geleerd over het omgaan met problemen en beseft inmiddels dat weglopen niets oplost. De moeder heeft erkend dat de minderjarige veel geleerd heeft in de gesloten setting. Andere aandachtspunten zijn volgens de rapportage het opbouwen van het zelfvertrouwen en het vertrouwen in andere mensen. De minderjarige dient daarnaast gestimuleerd te worden tot het accepteren van leiding, sturing en begrenzing. Met name voor de thuissituatie is dit van belang. Gebleken is dat de minderjarige met kleine stapjes vooruitgaat tijdens de behandeling. De door de raad, Jeugdzorg en de OHG voorgestane behandeling van minimaal zes maanden tot één jaar, komt het hof op dit moment voor als een noodzakelijk traject voor de minderjarige om een goede ontwikkeling naar volwassenheid te realiseren. Gelet op de ernst van de problemen die aanwezig waren is het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk dat deze problemen thans reeds zodanig zijn verminderd dat een behandeling in een ander dan een gesloten kader kan plaatsvinden. Het is nog maar kort geleden dat de minderjarige ernstig wegloopgedrag vertoonde. Hieraan zijn grote risico’s verbonden. Het hof acht het risico dat de minderjarige opnieuw zal weglopen wanneer zij niet langer gesloten wordt geplaatst, nog te groot. Daarbij komt dat het, gezien de ingrijpende veranderingen die in de thuissituatie moeten plaatsvinden, te vroeg is om de minderjarige op dit moment naar huis te laten gaan. Onder de hiervoor omschreven omstandigheden deelt het hof het standpunt van Jeugdzorg dat de gesloten machtiging thans nog noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of door anderen daaraan zal worden onttrokken. Dat de minderjarige veel verdriet ervaart doet aan het voorgaande niet af. Op de langere termijn gezien dient meer gewicht te worden toegekend aan het belang van de minderjarige bij het doorzetten en afronden van de behandeling.

12. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29 b Wet op de jeugdzorg, zodat een gesloten plaatsing van de minderjarige op dit moment noodzakelijk is. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen.

13. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk en Punselie, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2012.