Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6673

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
200.110.590/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang. Tussenbeschikking: tijdelijke omgangsregeling met verwijzing naar een mediator. Ambtshalve schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de regeling als opgenomen in de bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer : 200.110.590/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-4188

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens inciden¬teel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S.L.A. Verburgt te ‘s-Gravenhage.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 26 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 mei 2012 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vader heeft op 31 augustus 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend.

De moeder heeft op 15 oktober 2012 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader :

- op 9 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 1 augustus 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 21 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door mr. F. Dunki Jacobs (kantoorgenoot van mr. S.L.A. Verburgt).

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is bepaald dat tussen de vader en de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), de volgende omgangsregeling zal gelden:

in de periode van 21 mei 2012 tot 26 november 2012 zal de vader elke week twee keer twee uur onbegeleid samen met de minderjarige zijn:

- één keer per week op maandagochtend haalt de vader de minderjarige ’s ochtends op voordat de moeder naar haar werk gaat en hij brengt de minderjarige twee uur later naar het kinderdagverblijf;

- één keer per week op een in onderling overleg tussen partijen aan de hand van het dienstrooster van de vader te bepalen dag;

in de periode van 26 november 2012 tot 25 februari 2013 zal de vader elke week twee keer onbegeleid samen met de minderjarige zijn:

- op maandag haalt de vader de minderjarige ’s ochtends op om 8.00 uur, in ieder geval voordat de moeder naar haar werk gaat, en hij brengt de minderjarige thuis na 17.30 uur, in ieder geval nadat de moeder terug is van haar werk;

- één dag per week op een in onderling overleg tussen partijen aan de hand van het dienstrooster van de vader te bepalen dag van 9.00 uur tot 17.00 uur;

vanaf 25 februari 2013 zal de minderjarige elke week twee aaneengesloten dagen, inclusief overnachting, bij de vader verblijven;

vanaf de zomer van het jaar 2013 zal de minderjarige twee weken in de zomerperiode en één week in de kerstperiode bij de vader verblijven.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit de moeder is het volgende thans nog minderjarige kind geboren: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats], die door de vader is erkend, hierna ook te noemen: de minderjarige.

De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.

De minderjarige verblijft sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, een onderzoek te gelasten door de raad teneinde onderzoek te doen naar de vraag of en zo ja, welke vorm van omgang tussen de vader en de minderjarige in het belang van de minderjarige is, en in afwachting van dat onderzoek te bepalen dat er uitsluitend begeleide omgangscontacten tussen de vader en de minderjarige zullen plaatsvinden.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in principaal appel

de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar hoger beroep af te wijzen;

in incidenteel appel

met ingang van 1 oktober 2012 een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende:

in de periode van 1 oktober 2012 tot 1 januari 2013 zal de vader elke week twee keer onbegeleid samen met de minderjarige zijn:

- op maandag haalt de vader de minderjarige ’s ochtends om 8.00 uur, in ieder geval voordat de moeder naar haar werk gaat, en haalt de moeder de minderjarige na 17.30 uur op bij de vader;

- één dag per week op een in onderling overleg tussen partijen aan de hand van het dienstrooster van de vader te bepalen dag van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vader de minderjarige ’s ochtends ophaalt en de moeder de minderjarige na haar werk ophaalt bij de vader;

vanaf 1 januari 2013 zal de minderjarige elke week twee aaneengesloten dagen, inclusief overnachting, bij de vader verblijven:

- in de weken dat de vader geen weekenddienst heeft van zondagochtend 9.00 uur t/m maandagavond 17.30 uur, waarbij de vader de minderjarige ophaalt bij de moeder en de moeder de minderjarige na haar werk op maandag ophaalt bij de vader;

- in de weken dat de vader weekenddienst heeft op maandag en donderdag van 8.00 uur tot 17.30 uur, waarbij de vader de minderjarige ophaalt bij de moeder en de moeder de minderjarige na haar werk op maandag en donderdag ophaalt bij de vader.

4. De moeder verzet zich daartegen en verzoekt het hof de vader in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel appel af te wijzen.

5. De moeder voert in hoger beroep aan dat zij een onderzoek door de raad wenst. Volgens haar heeft de rechtbank onvoldoende gewicht toegekend aan de door haar geuite zorgen over de persoon van de vader en zijn houding ten opzichte van de moeder en de minderjarige. De zorgen van de moeder hebben betrekking op het gebrek aan communicatie van de vader jegens de moeder. De zorgen zijn volgens de moeder dusdanig toegenomen en zodanig te relateren aan de omgangscontacten die er sinds kort plaatsvinden dat dit aanleiding is geweest een melding te doen bij het AMK. De recente ervaringen sinds de bestreden beschikking geven weer dat er geen enkele positieve verandering is opgetreden in de houding van de vader, dat de zorgen over het gedrag van de vader ten opzichte van de minderjarige zijn toegenomen, dat de vader geen opvoedingscapaciteiten ontwikkelt en zich ook niet leerbaar opstelt en wil opstellen, waardoor bij de moeder de noodzakelijke vertrouwensbasis ontbreekt en een omgangsregeling zoals de rechtbank die heeft vastgesteld niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht.

6. De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder er alles aan doet om hem in een kwaad daglicht te stellen. Hij voelt zich onmachtig doordat de moeder zonder enige onderbouwing allerlei valse aantijgingen jegens de vader kan doen en dat hij zich daartegen dan telkens weer moet verweren. Volgens hem heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen noodzaak is voor het gelasten van een raadsonderzoek. Er zijn geen contra-indicaties tegen onbegeleide omgang. De omgangsregeling verloopt in de optiek van de vader goed. Nu de moeder per 15 augustus 2012 is verhuisd naar [woonplaats] en met ingang van 1 oktober 2012 de minderjarige voor twee dagen per week naar een kinderdagverblijf in Amersfoort laat gaan, acht de vader het redelijk dat het hof tevens een regeling inzake het halen en brengen van de minderjarige vaststelt, in aanvulling op de reeds door de rechtbank vastgestelde regeling.

7. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de moeder en de vader hun gedragingen als ouders na echtscheiding nog niet goed op elkaar kunnen afstemmen en dat zij niet goed met elkaar kunnen communiceren. Dit vormt een belemmering om tot overeenstemming te komen over een allesomvattende ouderschapsregeling rond de minderjarige.

8. In het licht van het bovenstaande zijn partijen ter terechtzitting overeengekomen om onder begeleiding van een mediator te komen tot een heroriëntatie op het ouderschap na echtscheiding.

9. Het hof zal voor de duur van deze procedure een tijdelijk geldende omgangsregeling vast stellen als hierna te melden. De partijen zijn gerechtigd deze, uitsluitend indien zij het daar gezamenlijk over eens worden, gedurende het mediationproces te wijzigen. In verband met deze tijdelijke regeling zal het hof de werking van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking voor de duur van deze procedure ambtshalve schorsen.

10. Het hof zal, in afwachting van de uitkomst van de mediation, de verdere behandeling van de zaak pro forma aanhouden tot zaterdag 29 juni 2013.

11. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens nader te beslissen:

stelt een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vast, inhoudende dat de minderjarige iedere week op maandagochtend om 08.00, althans voordat de moeder naar haar werk gaat, wordt opgehaald door de vader en aan het einde van de dag, tussen 17.00 en 19.00 uur, afhankelijk van de mogelijkheden van de moeder, door haar weer wordt opgehaald bij de vader;

voorts zal de minderjarige iedere donderdagochtend om 08.00 uur, althans voordat de moeder naar het werk gaat, door de vader worden opgehaald bij de moeder en door de vader rond het middaguur, tussen 12.00 uur en 13.00 uur worden gebracht naar het kinderdagverblijf in Amersfoort;

schorst de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 mei 2012;

houdt de behandeling aan tot de zitting van 29 juni 2013 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Van Leuven en Van Wijk, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.