Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6666

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
200.113.463/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer : 200.113.463/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-229

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Zwiers te Dordrecht,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg te Dordrecht,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 17 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 juni 2012 van de rechtbank Dordrecht.

Jeugdzorg heeft op 22 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 8 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum zonder bijlage, op 9 oktober 2012 ingekomen als brief met bijlage.

De zaak is, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.113.456/01 (betreffende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de halfbroer van de hierna te noemen minderjarigen), op 14 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw T. Philippart namens de raad;

- mevrouw J. Graus (teamleider) en mevrouw J. Gerstel (gezinsvoogd) namens Jeugdzorg;

- de heer [naam], de vader van de halfbroer van de minderjarigen.

De vader van de minderjarigen is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 1]), en

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 2])

voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld, met benoeming van Jeugdzorg om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Voorts is, ter effectuering van de indicatiebesluiten van 13 juni 2012 en 14 juni 2012, een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] respectievelijk [minderjarige 2] voor dag en nacht in een accommodatie van een zorgaanbieder, met ingang van 20 juni 2012 voor de duur van zes maanden (dat wil zeggen tot 20 december 2012). Het meer of anders verzochte is afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de periode van 20 juni 2012 tot 20 juni 2013 en de uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de periode van 20 juni 2012 tot 20 december 2012 in een accommodatie van een zorgaanbieder.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking tot ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden van de minderjarigen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van (naar het hof begrijpt:) de raad alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

3. Jeugdzorg verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van die beschikking, af te wijzen.

4. De moeder voert in hoger beroep aan dat uit de overgelegde bescheiden en uit de verklaringen van de gehoorde personen volgens haar niet blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat hun geestelijke, zedelijke en lichamelijke belangen ernstig worden bedreigd, en dat andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. De moeder verwijst naar de eindverslagen van Trivium Lindenhof van 8 juni 2012, die voor zichzelf spreken. Voorts verwijst de moeder naar het raadsrapport van 7 juni 2012 en het Indicatiebesluit van 13 juni 2012 waaruit blijkt dat [minderjarige 2] een sociale en leuke meid is. Op school gaat alles goed, ze is lief, zorgzaam en beleefd. Er is sprake van een sterke veerkracht. Ook bij [minderjarige 1] is geen sprake van zorgelijk gedrag. Hij is een sociale rustige jongen. Hij heeft gevoel voor humor, hij doet het goed op school en hij doet het erg goed op de groep. De zorgelijke thuissituatie staat volgens de moeder helemaal niet vast. Indien en voor zover er sprake is van zorgelijk gedrag, dan is dat van ná de uithuisplaatsing. Vóór die tijd zijn er geen zorgen over het gedrag van de kinderen gemeld. Van lichamelijke of geestelijke mishandeling of verwaarlozing is volgens haar in het geheel nooit sprake geweest. Noch in het gedrag, noch in de lichamelijke toestand van de kinderen zijn aanwijzingen die een (gedwongen) uithuisplaatsing rechtvaardigen. Integendeel, het is volgens de moeder de uithuisplaatsing zelf die de kinderen schade toebrengt. Als er al onderzoek nodig is, dan kan dit vanuit de thuissituatie plaatsvinden. Er is geen enkele reden aan te nemen dat de moeder daaraan niet zou willen meewerken; het is haar nooit gevraagd. Kennelijk is er nooit aanleiding voor geweest. Dat de moeder niet in staat zou zijn om de kinderen in de thuissituatie de veiligheid, zorg en ondersteuning te bieden, waar zij behoefte aan hebben, wordt door haar betwist. Sinds 2010 is de bedreiging door het verbreken van de relatie van de moeder en het vertrek van de vader beëindigd, zodat de moeder wel degelijk veiligheid biedt. Voor wat betreft de verzorging blijkt volgens de moeder uit alle rapportages dat daar geen zorgen over zijn. Voor dwang of de noodzaak van uithuisplaatsing is geen enkele onderbouwing.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder verklaard dat de moeder kan leven met de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, maar dat de machtiging tot uithuisplaatsing zo snel mogelijk beëindigd dient te worden. De vader van de halfbroer van de minderjarigen is het eens met het standpunt van de moeder.

5. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de minderjarigen bedreigd worden in hun ontwikkeling. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] laat zorgelijk gedrag zien op de groep. Beiden hebben moeite met het reguleren van hun emoties. Uit de observaties van de interactie tussen de moeder en de kinderen blijkt dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in wat de kinderen nodig hebben.

De moeder belast de kinderen met haar persoonlijke problematiek en vindt het lastig in te schatten wat het effect van haar woorden op de kinderen zijn. Jeugdzorg meent dat er voldoende

aanleiding is voor een ondertoezichtstelling voor de kinderen. Jeugdzorg meent verder dat er op dit moment geen andere mogelijkheid is om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. Er is gebleken dat er sprake was van onveiligheid in de thuissituatie van de kinderen, dit in de vorm van mishandeling en verwaarlozing. Stappen om de moeder te ondersteunen of hulpverlening te bieden komen door haar houding niet van de grond. De thuissituatie is niet veranderd en onverminderd onveilig. Jeugdzorg meent dat een uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk is. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] geven aan dat er sprake is geweest van een onveilige thuissituatie. Naast de fysieke onveiligheid, zijn er ook zorgen over de emotionele veiligheid. Er zijn vragen over hun emotionele ontwikkeling. Bij [minderjarige 2] is een aanmelding gedaan voor een persoonlijkheidsonderzoek. Voorts komt de moeder de gemaakte afspraken wisselend na.

6. De raad sluit zich aan bij de standpunten van Jeugdzorg. Ter aanvulling heeft de raad ter zitting verklaard dat de moeder een instabiele indruk maakt en geen probleeminzicht heeft. De ernstige zorgen over de minderjarigen bestaan nog steeds. De moeder is bereidwillig, maar kan niet inspelen op de behoeftes van de minderjarigen.

7. Het hof overweegt als volgt. Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

Ondertoezichtstelling

8. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig waren en thans nog zijn. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking. Uit het raadsrapport van 12 juni 2012 komt naar voren dat de minderjarigen een belaste voorgeschiedenis hebben gekend waarbij de minderjarigen in een zeer onveilige situatie verkeerden waarbij fysiek geweld plaatsvond. Bij [minderjarige 2] is letsel geconstateerd. De bedreiging kan niet op een andere manier worden weggenomen, omdat de moeder geen probleeminzicht heeft en van mening is dat fysiek straffen een gelegitimeerde opvoedingsmethode is. Gebleken is dat de moeder de minderjarigen belast met haar persoonlijke problematiek en dat zij het lastig vindt in te schatten wat het effect van haar woorden op de kinderen zijn. Verder was er sprake van grensoverschrijdend gedrag van de minderjarigen. De raad heeft in zijn rapport zorgen geuit over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen. Ook heeft de raad geconstateerd dat de moeder een ambivalente houding laat zien in de hulpverlening. Uiteindelijk is er geen enkele vorm van hulpverlening van de grond gekomen. Tevens heeft de moeder geen netwerk waar ze op terug kan vallen.

9. Gelet op deze omstandigheden alsmede op hetgeen ter zitting nog namens Jeugdzorg en de raad naar voren is gebracht, is het hof - anders dan de moeder - van oordeel dat de minderjarigen ernstig worden bedreigd in hun zedelijke en geestelijke belangen alsmede hun gezondheid. Het hof acht het noodzakelijk dat een gezinsvoogd toezicht houdt op de belangen van de minderjarigen en er voor zorg draagt dat de minderjarigen de hulp krijgen die zij behoeven. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Uithuisplaatsing

10. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen ook thans nog noodzakelijk is dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt voortgezet. Het hof overweegt daartoe dat, hoewel vaststaat dat de moeder betrokken is op de minderjarigen en het liefst weer zelf voor hun wil zorgen, uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder de minderjarigen (nog) niet kan bieden wat zij nodig hebben en dat de moeder ook niet voldoende inzicht heeft in haar (on)mogelijkheden om voor de minderjarigen te zorgen.

11. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de raad blijkens zijn rapport van 7 juni 2012 een machtiging uithuisplaatsing (en een ondertoezichtstelling) voor de minderjarigen heeft verzocht, omdat de minderjarigen zorgelijk gedrag vertoonden, mede doordat zij veel ernstige levensgebeurtenissen hebben meegemaakt, waaronder mishandeling door de moeder en huiselijk geweld tussen de moeder en haar (ex)partners. De moeder is instabiel omdat zij bezig is met haar eigen situatie en beleving en daardoor onvoldoende oog heeft voor de belangen van de minderjarigen. Hierdoor is de moeder onvoldoende in staat de minderjarigen te ondersteunen en te stimuleren in hun ontwikkeling en de minderjarigen een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. Daartegenover staat dat de minderjarigen vanuit de crisisopvang van Trivium Lindenhof in september 2012 zijn doorgeplaatst naar de behandelgroep van Trivium Lindenhof, de Meander. Beide kinderen doen het goed op de groep. Bij [minderjarige 1] is er een aantal zorgen over zijn emotionele ontwikkeling en bij [minderjarige 2] zijn er zorgen over haar conflictoplossend vermogen en zelfvertrouwen. Blijkens het Plan van Aanpak gezinsvoogdij van Jeugdzorg heeft Jeugdzorg vragen bij het functioneren van de moeder. Er zijn zorgen over de pedagogische vaardigheden van de moeder ten aanzien van regels, grenzen en gezag. De moeder lijkt niet of onvoldoende leerbaar. Verder laat de moeder zich regelmatig leiden door haar emoties en belast zij hiermee de minderjarigen.

12. Het hof neemt verder in aanmerking de verklaring van Jeugdzorg ter zitting dat het doel nog steeds is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op termijn thuis terug te plaatsen, maar dat het proces stagneert door de houding van de moeder. Bij de moeder is twee keer een persoonlijkheidsonderzoek opgestart, doch deze onderzoeken zijn niet van de grond gekomen doordat de moeder geen hulpvraag had. Om beter zicht te hebben op de wijze waarop de hulpverlening kan aansluiten bij de mogelijkheden van de moeder, is de moeder inmiddels weer aangemeld voor een persoonlijkheidsonderzoek.

13. In het licht van bovengenoemde omstandigheden is, anders dan de moeder stelt, vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat zij thans wel in staat moet worden geacht de minderjarigen een stabiel gezinsleven te bieden. Terugkeer naar de moeder acht het hof, voordat daadwerkelijk is gebleken dat de moeder in staat is hen een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en veiligheid in hun dagelijkse verzorging en opvoeding gewaarborgd is, in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen. Hetgeen de moeder overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

14. Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. Daarmee wordt nog altijd voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

15. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

16. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Stollenwerck en Burgerhart, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.