Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6649

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
200.103.880/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling van huwelijksgemeenschap. Geschil omtrent de omvang van de gemeenschap: wat valt er wel/niet in?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer : 200.103.880/01

Rekestnummer rechtbank : 85123 FA RK 10-7094/88199

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster , tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder , tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A. Elias te Oisterwijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 13 maart 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 december 2011 van de rechtbank Dordrecht (hierna: de bestreden beschikking).

De man heeft op 23 mei 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 13 juli 2012 een brief van 11 juli 2012 met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 17 oktober 2012 een brief van 16 oktober 2012 met bijlagen.

De zaak is op 19 oktober 2012 mondeling behandeld ten overstaan van mr. Labohm, raadsheer-commissaris.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de vrouw;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 9 maart 2011 van de rechtbank Dordrecht (hierna ook: de tussenbeschikking) en naar de bestreden beschikking.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast zoals neergelegd in rechtsoverweging 3.23 f, g, k, l, m, n, o, en p van de tussenbeschikking en zoals neergelegd in rechtsoverweging 2.2 onder a, b, c, d, e, en j van de eindbeschikking.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

In geding brengen van stukken

1. Het hof overweegt vooreerst dat het de brief met bijlagen van 16 oktober 2012 van de zijde van de man bij de behandeling van het hoger beroep in aanmerking zal nemen nu de inhoud daarvan weinig omvangrijk en makkelijk te doorgronden is.

Het geschil

2. In geschil zijn ter zake van de verdeling van de huwelijksgemeenschap:

de woning te Curaçao;

de naamloze vennootschap: N.V. [bedrijfsnaam] te Suriname;

de onderneming van de vrouw in Nederland;

de nalatenschap van de moeder van de vrouw;

de inboedel.

Het verzoek van de vrouw

3. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de opgenomen eindbeslissing in de bestreden beschikking, althans de eindbeslissing waarbij de rechtbank de wijze gelast van de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals neergelegd in rechtsoverweging 3.23 van de beschikking van 9 maart 2011 en rechtsoverweging 2.2 onder a, b, c, d, en j van de bestreden beschikking (beiden met hetzelfde kenmerk) te vernietigen, en voor zover mogelijk:

- te bepalen dat tot de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap behoren de bestanddelen genoemd in overweging 3.23 van de beschikking van 9 maart 2012, onder e tot en met p en

- de verzoeken van de man betrekking hebbende op de bestanddelen a tot en met d genoemd in overweging 3.23 van de beschikking van 9 maart 2011 in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel genoemde verzoeken af te wijzen en

- te bepalen dat zoals verzocht door de vrouw in eerste aanleg de inboedel conform bijlage 12 van het beroepschrift aan haar wordt toebedeeld zonder dat er een overbedelingsvordering ontstaat, dan wel dat (indien de goederen niet conform bijlage 12 worden verdeeld) de man wegens overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 5.736,50 dient te voldoen.

4. De man bestrijdt het beroep en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel dit beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen met bekrachtiging van de bestreden beschikking en de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5. De vrouw klaagt in grief I dat de rechtbank de in hoger beroep in geschil zijnde boedelbestanddelen ten onrechte in de verdeling heeft betrokken, zoals zij dat heeft gedaan. De vrouw werkt haar standpunten vervolgens uit in de grieven II tot en met VI. Het hof zal deze grieven hierna bespreken.

De woning te Curaçao

6. De vrouw betoogt in haar tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de woning te Curaçao aan de vrouw wordt toebedeeld en dat de vrouw ter zake aan de man een bedrag van € 100.000,- dient te voldoen. De vrouw betwist dat zij een woning op Curaçao in eigendom had of heeft. Kadastrale of andere gegevens ontbreken, zodat niet duidelijk is op welke woning wordt gedoeld. De vrouw legt een verklaring van de Bewaarder der Openbare registers te Curaçao over. Hieruit blijkt volgens haar dat zij aldaar niet in het bezit is van een onroerende zaak. Indien de vrouw in een e-mail heeft gesproken over ‘haar woning’ dan bedoelde zij daarmee de woning waar zij op dat moment logeerde, welke woning niet haar eigendom was. Overigens is € 200.000,- een te hoge waarde voor een eenvoudig huis op Curaçao, aldus de vrouw.

7. De man betwist het door de vrouw gestelde. Volgens de man maakt de vrouw in haar e-mails wel degelijk gewag van ‘mijn huis’ en de gelden die zij zal ontvangen bij verkoop van de woning om de schulden van partijen af te lossen. Ook uit overige rapportage en de door de man overgelegde rekeningafschriften valt op te maken dat de vrouw een woning op Curaçao bezat. De man is van mening dat de verklaring van de bewaarder van de openbare registers te Curaçao geen uitsluitsel biedt omdat deze verklaring geen inzicht geeft in de situatie per peildatum 7 september 2010. De man acht een geschatte waarde van € 200.000,- voor de woning redelijk.

8. Het hof overweegt als volgt. Op de man rust de bewijslast van zijn stelling dat de vrouw op de peildatum 7 september 2010 in het bezit was van een woning op Curaçao, die in de verdeling dient te worden betrokken. Het hof is van oordeel dat de man zulks niet heeft aangetoond. De uitlatingen van de vrouw in de e-mails en rapportage, alsmede de door de man overgelegde rekeningafschriften zijn daartoe onvoldoende. Het had bovendien op de weg van de man gelegen eveneens Het Kadaster en Openbare Registers te Curaçao te raadplegen om na te gaan of de vrouw op de peildatum 7 september 2012 in het bezit was van een woning aldaar. De grief van de vrouw treft derhalve doel, zodat de bestreden beschikking in zoverre dient te worden vernietigd.

De naamloze venootschap in Suriname

9. In haar derde grief stelt de vrouw dat zij de stellingen van de man dat tot de huwelijksgemeenschap een “onderneming” behoort die een waarde van € 10.000,- vertegenwoordigt, in tegenstelling tot wat de rechtbank overweegt, voldoende gemotiveerd heeft betwist. Volgens de vrouw heeft zij de man op 9 november 2009 per e-mail laten weten dat zij voornemens was om in Suriname een bedrijf te starten met de naam N.V. [bedrijfsnaam]. Echter, na het bericht van de man dat hij wilde scheiden van de vrouw heeft de vrouw deze plannen laten varen. Het bedrijf is formeel niet opgericht en bevond zich slechts in het voorstadium. Aan de door de man in eerste aanleg overgelegde offertes is geen gevolg gegeven. Als er al een onderneming bestaat dan is volgens de vrouw de waarde hiervan nihil.

10. De man stelt dat uit de diverse e-mails van de vrouw, welke overigens van maanden voor de scheidingsmelding dateren, is op te makende vrouw wel degelijk een onderneming heeft opgezet en dat het aan de vrouw te wijten is dat een schatting moet worden gemaakt omtrent de waarde van de onderneming.

11. Het hof overweegt als volgt. Onder een onderneming verstaat het hof de combinatie van arbeid en kapitaal waarmee met een oogmerk van winst duurzaam wordt deelgenomen aan het economische verkeer. Een onderneming kan worden onder meer worden geëxploiteerd in de vorm van een eenmanszaak, een personenvennootschap, een naamloze vennootschap en een besloten vennootschap. Het hof begrijpt uit de stellingen van de vrouw dat zij voornemens was om een naamloze vennootschap op te richten. Uit de gewisselde stukken begrijpt het hof dat als gevolg van de huwelijkse problemen de vrouw niet is overgegaan tot oprichting van een N.V. Nu op de peildatum er geen aandelen N.V. [bedrijfsnaam] zijn, kunnen die niet in de verdeling worden betrokken. Gelet hierop slaagt de derde grief van de vrouw en dient de bestreden beschikking in zoverre te worden vernietigd.

De onderneming van de vrouw

12. De vrouw klaagt in haar vierde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij een onderneming in Nederland heeft. Volgens de vrouw voert zij slechts af en toe freelance opdrachten uit, met behoud van haar uitkering.

13. De man stelt dat de vrouw wel degelijk als ZZP-er een eenmanszaak heeft, maar dat hij ermee akkoord kan gaan dat de waarde van de onderneming op nihil wordt gesteld.

14. Het hof overweegt als volgt. Een eenmanszaak is geen goed en kan derhalve niet aan één der partijen worden toegedeeld. Als een echtgenoot een eenmanszaak exploiteert, vallen de goederen die worden gebruikt voor de exploitatie van de eenmanszaak in de wettelijke gemeenschap van goederen. Schulden die verband houden met de exploitatie van de eenmanszaak zijn in beginsel verhaalbaar op de wettelijke gemeenschap van goederen. Het hof begrijpt uit de standpunten van partijen dat zij het erover eens zijn dat er geen activa zijn die de vrouw gebruikt met betrekking tot haar ondernemerschap. Haar ondernemingsactiviteiten bestaan uitsluitend uit door haar zelf verrichte werkzaamheden, waaraan geen waarde kan worden toegekend..

De nalatenschap van de moeder van de vrouw

15. De vrouw stelt zich in haar vijfde grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de nalatenschap van haar moeder in de verdeling heeft betrokken en daaraan een waarde van € 50.000,- heeft toegekend. Volgens de vrouw valt de nalatenschap niet in de huwelijksgemeenschap. Zij stelt dat zij afstand heeft gedaan van deze nalatenschap. Hiervan kan zij echter geen stukken overleggen anders dan met toestemming van de overige erfgenamen. Subsidiair stelt de vrouw dat de waarde van de nalatenschap nihil is.

16. Volgens de man valt nu de moeder van de vrouw tijdens het huwelijk van partijen is overleden, haar nalatenschap in de huwelijksgemeenschap en is het aan de vrouw om aan te tonen dat zij daarvan afstand heeft gedaan. De man vermoedt dat de waarde van de nalatenschap hoger is dan € 50.000,-.

17. Het hof begrijpt uit het standpunt van de vrouw dat zij stelt dat de nalatenschap van haar moeder niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen omdat zij deze nalatenschap heeft verworpen. Naar het oordeel van het hof rust - gelet op de standpunten van partijen - op de vrouw de bewijslast om zulks aan te tonen. Nu de vrouw ter zake geen enkel bewijs heeft overgelegd moet het ervoor worden gehouden dat het aandeel van de vrouw in de nalatenschap van haar moeder in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Van een uitsluitingsclausule is evenmin gebleken. De vrouw heeft in hoger beroep de door de rechtbank vastgestelde waarde van de nalatenschap wederom niet gemotiveerd betwist. Zij heeft slechts gesteld dat de waarde nihil is. Gelet op het vorenstaand treft de grief van de vrouw geen doel en dient de bestreden beschikking in zoverre te worden bekrachtigd.

De inboedel

18. De vrouw klaagt in haar zesde tevens laatste grief dat de rechtbank de inboedel op onjuiste wijze heeft verdeeld. Volgens de vrouw heeft de man alle goederen in zijn bezit, inclusief de lazychair, de bedden, de bank, de canon-printer en de sieraden waarover de rechtbank overweegt dat deze niet tot de te verdelen goederen behoren. De vrouw wenst de door haar in bijlage 12 van haar verweerschrift vermelde goederen te ontvangen van de man of een bedrag van € 5.736,50 wegens overbedeling van de man.

19. Volgens de man huurden partijen tijdens hun huwelijk een gemeubileerde vakantiewoning en hadden zij voorts een aantal boedelonderdelen via Marktplaats aangeschaft, zodat geen sprake was van de door de vrouw gestelde hoge waarde van de inboedel. De man heeft een aantal persoonlijke zaken reeds aan de vrouw doen toekomen via haar eerste advocaat. De man erkent dat hij de overige goederen zoals vermeld onder 2.3 onder j van de bestreden beschikking nog steeds in zijn bezit heeft. De vrouw heeft echter tot op heden nooit verzocht om teruggave daarvan.

20. Het hof overweegt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man van het door de vrouw ten aanzien van de inboedel gestelde, kan de grief van de vrouw niet slagen en dient haar verzoek ter zake van de inboedel te worden afgewezen.

Proceskosten

21. Het hof ziet geen aanleiding de vrouw te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure en zal het verzoek van de man daartoe afwijzen.

RECAPITULATIE

22. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen dient de bestreden beschikking te worden vernietigd ten aanzien van:

I. de woning te Curaçao

II. de aandelen N.V. [bedrijfsnaam] te Suriname

III. de onderneming van de vrouw.

Het vorenstaande leidt slechts tot een gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking.

23. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank daarin de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft gelast met betrekking tot de navolgende punten:

I. de woning te Curaçao

II. de aandelen N.V. [bedrijfsnaam] te Suriname

III. de onderneming van de vrouw;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan ’s hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Zwagemaker, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.