Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6634

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
200.108.922/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Verdeling beperkte gemeenschap en pensioenverevening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 12 december 2012

Zaaknummer : 200.108.922/01

Rekestnummer rechtbank : 362391+377007

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker , tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.A. Remport Urban te Bergen op Zoom,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerster , tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. V.S. Waterval te Spijkenisse.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 26 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 maart 2012 van de rechtbank Rotterdam, hierna: de bestreden beschikking.

De vrouw heeft op 16 augustus 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 2 oktober 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 27 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 4 juli 2012 een brief van 3 juli 2012 met bijlagen;

- op 5 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

op 23 oktober 2012 een brief van 22 oktober 2012 met bijlage.

De zaak is op 16 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking 29 juli 2011 van de rechtbank Dordrecht en naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang - bepaald dat:

- de aanslagen/teruggaven inkomstenbelasting over de huwelijkse periode voor rekening komen van degene op wiens naam de aanslag/teruggave is gesteld;

- de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning en de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde polis van levensverzekering (verminderd met het bedrag van € 8.105,57, dat de man aan privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning en dat aan de man toekomt), verminderd met de hypothecaire geldlening en de taxatie- en verkoopkosten aan ieder van partijen voor de helft toekomt;

- dat de man uit hoofde van de overeenkomst van geldlening aan de vrouw € 62.177,- verschuldigd is, inclusief rente tot en met 31 december 2010, na verkoop en levering van vorenbedoelde voormalig echtelijke woning.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Volgens de man is de echtscheidingsbeschikking op 19 januari 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, alsmede ten aanzien van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap van de voormalige echtelijke woning en inboedel:

- een gebruiksvergoeding

- de draagplicht van de lasten van de echtelijke woning

- de verdeling van de inboedel.

Voorts is in geschil de verevening van de pensioenrechten.

2. De man verzoekt te vernietigen de bestreden beschikking:

I) voor wat betreft de opmerking van de rechtbank dat inzake de door de vrouw betaalde gelden sprake is van een lening van de vrouw aan de man, alsmede

II) alsnog te bepalen dat de vrouw, met ingang van 19 januari 2012, de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, aan de man dient te voldoen een gebruiksvergoeding ad € 850,- per maand, althans een ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, ter compensatie voor het gebruik van het onverdeelde aandeel van de man in de echtelijke woning, alsmede

III) te bepalen dat de op zijn naam gestelde belastingaanslagen over de jaren 2009, 2010 en 2011 tussen partijen bij helfte dienen te worden verdeeld, alsmede

IV) te bepalen dat de vrouw een compensatie ad € 2.000,- dient te betalen in verband met de overbedeling van de vrouw ter zake de verdeling van de gezamenlijke inboedel,

voor al het overige dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof:

I) het hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten, kosten rechtens;

in incidenteel appel:

I) te bepalen dat de man dient bij te dragen in de helft van de lasten van de echtelijke woning, te weten de hypotheekrente, de premie voor de spaarverzekering alsmede de helft van de overige eigenaarslasten (zoals het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, waterschap, rioolheffing, opstalverzekering en dergelijke), zolang de woning nog niet is verkocht en geleverd aan een derde;

II) voor recht te verklaren dat partijen niet zullen overgaan tot verevening van de pensioenrechten over en weer opgebouwd ten tijde van het huwelijk;

III) te bepalen dat de man dient over te gaan tot terugbetaling van de geldlening aan de vrouw zodra de man hiertoe de mogelijkheid heeft.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

De geldleningsovereenkomst

Privé of zakelijk

5. De man klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte de geldleningsovereenkomst van 22 augustus 2007 bepalend heeft geacht voor de vraag of de door de vrouw betaalde gelden aan de man of aan zijn onderneming zijn geleend. Volgens de man is de overeenkomst op zichzelf niet bepalend: deze is pas opgesteld nadat de vrouw al driemaal geld aan de onderneming van de man had geleend. De betalingen hebben steeds als omschrijving bestemd te zijn voor het bedrijf van de man. Hieruit blijkt de wil van de vrouw geld uit te lenen aan de onderneming en niet aan de man in privé. Het was het idee van de boekhouder om de geldleningen in een contract te vermelden. De man heeft daaraan meegewerkt als vertegenwoordiger van zijn onderneming en niet in privé. De onderneming van de man heeft zakelijke betalingen verricht met de ter leen ontvangen gelden.

6. De vrouw betwist dat zij de gelden aan het bedrijf van de man heeft geleend. Het was volgens haar de bedoeling van partijen dat de vrouw de gelden aan de man in privé zou lenen, zeker nu het bedrijf van de man toen al noodlijdend was. Dat de man met de geleende gelden zakelijke betalingen heeft verricht, is hierbij niet van belang. De vrouw verwijst voorts naar de schriftelijke overeenkomst, die volgens haar voldoende duidelijk is, en naar de omstandigheid dat de lening niet is verwerkt in de boekhouding van de onderneming van de man.

7. Het hof overweegt als volgt. In de procedure is de getekende overeenkomst van 22 augustus 2007 overgelegd, waaruit in ieder geval niet blijkt dat de besloten vennootschap (hierna B.V.) van de man als schuldenaar is opgetreden. Voorts heeft de voormalige boekhouder van de man in zijn brief van 15 augustus 2012 verklaard dat de overeenkomst is opgesteld om eventuele geschillen in de toekomst te vermijden, alsmede dat in de door de man ondertekende jaarstukken van de B.V. nooit sprake is geweest van een zakelijke lening, welke verstrekt zou zijn door de vrouw aan de B.V. De man heeft in hoger beroep geen stukken meer overgelegd waaruit blijkt dat de ontvangen gelden wel in de boekhouding van de onderneming zijn verwerkt, hetgeen naar het oordeel van het hof op zijn weg had gelegen. Dit alles leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat de man in privé - partijen zijn gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen - de gelden heeft geleend van de vrouw. De doeleinden waarvoor deze gelden daarna zijn aangewend, maken deze geldlening niet tot een lening aan de B.V. van de man. Het hof zal de man niet toelaten tot het door hem aangeboden getuigenbewijs aangezien het hof op grond van hetgeen hiervoor is overwogen bewezen acht dat de man in privé de gelden van de vrouw heeft geleend.

Opeisbaarheid

8. De vrouw klaagt in haar derde grief in incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man de geldlening pas verschuldigd is na verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning. Zij wijst erop dat in de geldleningsovereenkomst tevens is opgenomen dat de schuldenaar de hoofdsom moet aflossen zodra hiertoe de mogelijkheid bestaat. Volgens de vrouw heeft de man de middelen om de schuld aan de vrouw af te lossen vanwege een door hem ontvangen letselschadevergoeding van € 85.000,-. Bij de rechtbank Rotterdam is ter zake een dagvaardingsprocedure aanhangig voor het verkrijgen van een executoriale titel.

9. De man betwist het door de vrouw gestelde. Volgens de man dient de schuld niet door hem in privé maar door zijn onderneming te worden afgelost. De man betwist de authenticiteit van de bankafschriften waaruit zou blijken dat hij een bedrag van € 85.000,- heeft ontvangen.

10. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft het uit de overeenkomst van geldlening verschuldigde bedrag opgeëist. Uit punt 3 de overeenkomst vloeit voort dat dit bedrag opeisbaar is:

a. zodra hiertoe de mogelijkheid bestaat;

b. bij verkoop van de echtelijke woning.

Ter terechtzitting is gebleken dat ten behoeve van de man een bedrag van € 85.000,- op de derdenrekening van zijn advocaat is gestort. Nu de voorwaarde als onder a. gemeld, zich heeft voorgedaan, dient de man de vrouw het haar uit hoofde van de overeenkomst van geldlening toekomende bedrag terug te betalen.

De voormalige echtelijke woning: gebruiksvergoeding en lasten

11. De man stelt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het vaststellen van een door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding voor het gebruik van de voormalige echtelijke woning. Volgens de man kan en wil de vrouw de woning niet overnemen. De woning staat te koop, terwijl de vrouw er nog woont. De man meent dat hij recht heeft op een gebruiksvergoeding voor zijn aandeel in de waarde van de voormalige echtelijke woning.

12. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het redelijk is dat zij geen gebruiksvergoeding aan de man voldoet omdat zij alle lasten van de echtelijke woning voor haar rekening neemt. Bovendien kan zij nergens anders heen terwijl de man inmiddels een eigen woning toegekend heeft gekregen. Volgens de vrouw frustreert de man de verkoop van de echtelijke woning. De vrouw is van mening dat de door de man verzochte gebruiksvergoeding van € 850,- per maand gebaseerd is op het verkeerde uitgangspunt, namelijk de huur op de vrije markt van een gemeubileerd driekamerappartement.

De vrouw keert zich met haar eerste grief in incidenteel appel tegen het oordeel van de rechtbank dat het redelijk is dat zij de lasten van de echtelijke woning voor haar rekening neemt. Zij is van mening dat de man dient bij te dragen in deze lasten, zeker nu de man verzoekt om een gebruiksvergoeding.

13. Het hof overweegt dat een gebruiksvergoeding eerst in kan gaan op de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, in casu 19 januari 2012. Het hof acht het onder de gegeven omstandigheden niet redelijk de man een gebruiksvergoeding toe te kennen nu slechts sprake is van een geringe overwaarde van de woning. Het hof houdt bij zijn beslissing mede rekening met de omstandigheid dat de man een redelijk bod op de te koop staande woning heeft afgewezen, waardoor hij zelf de financiële lasten met betrekking tot die woning in stand houdt. Het hof is voorts van oordeel dat de man als mede-eigenaar van het onroerend goed op de voet van artikel 3:172 BW voor de helft moet bijdragen in de hypothecaire lasten, de premie van de aan de hypothecaire lening verbonden polis van levensverzekering en de OZB. De overige lasten dienen voor rekening van de vrouw te komen nu zij de man geen gebruiksvergoeding betaalt.

Inkomstenbelasting

14 De man klaagt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de aanslagen/teruggaven inkomenstbelasting over de huwelijkse periode voor rekening komen van degene op wiens naam de aanslag/teruggave is gesteld. Volgens de man hebben de belastingaanslagen 2009, 2012 en 2011 betrekking op de kosten van de gezamenlijke huishouding zodat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat deze bij helfte worden gedeeld. Daarbij komt dat de vrouw zelf een belastingteruggave heeft ontvangen, zodat zij dubbel profiteert.

15. De vrouw is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. De vrouw verwijst naar artikel 2 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden. Zij betwist dat zij dubbel zou profiteren.

16. Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 2 van de akte van huwelijkse voorwaarden volgt dat belastingen worden gedragen door degene van de echtgenoten van wiens goederen, vermogen of inkomen zij worden geheven of ingeval een gezamenlijke aanslag wordt opgelegd door de echtgenoten naar dezelfde evenredigheid als waarin ieders inkomen respectievelijk vermogen staat tot de som waarover de betreffende belasting wordt geheven. De rechtbank heeft terecht derhalve beslist zoals zij heeft gedaan. De grief van de man faalt.

De inboedel

17. In zijn vierde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte opmerkt dat partijen het erover eens zijn dat de inboedel als verdeeld kan worden beschouwd. Volgens de man heeft hij omwille van de lieve vrede veel bezwaren geslikt, maar hij is voor € 2.000,- benadeeld voor wat betreft de verdeling van de gezamenlijke inboedel. Een en ander is niet verlopen zoals was afgesproken.

18. De vrouw verweert zich en stelt dat de inboedel conform de wens van de man is verdeeld. De man is het er alleen niet mee eens dat de vrouw ook nieuwe inboedelgoederen heeft gekocht die niet voor verdeling in aanmerking komen. De man doelt ook op verbruiksgoederen die geen onderdeel uitmaken van de inboedel.

19. Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 3 van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden volgt dat de gehele inboedel aan de vrouw toekomt. Gezien dit feit alleen al treft de grief van de man geen doel.

Pensioenrechten

20. De vrouw klaagt in haar tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de opgebouwde pensioenrechten van partijen dienen te worden verevend. Volgens de vrouw hebben partijen mondeling afgesproken dat niet hoeft te worden verevend omdat de man nooit pensioen heeft opgebouwd.

21. De man betwist dat partijen overeengekomen zouden zijn wederzijds afstand te doen van het door hen opgebouwde pensioen. De vrouw heeft zulks ook niet onderbouwd. De man is niet bereid afstand te doen van het hem toekomende deel van de pensioenrechten van de vrouw.

22. Het hof overweegt dat de Wet Verevening Pensioenrechten bij echtscheiding in casu van toepassing is nu partijen de toepasselijkheid daarvan niet bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding hebben uitgesloten. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden waarin de redelijkheid en de billijkheid aan pensioenverevening in de weg staan. Het desbetreffende verzoek van de vrouw zal derhalve worden afgewezen.

Proceskosten

23. Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zal het hof de kosten van het hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

24. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man de helft van de hypothecaire en overige eigenaarslasten van de woning zal voldoen, is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man ter zake van de voormalige echtelijke woning voor de helft moet bijdragen in de hypothecaire lasten, de premie van de aan de hypothecaire lening verbonden polis van levensverzekering en de OZB;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige en in aanvulling daarop:

bepaalt dat de man uit hoofde van de overeenkomst van geldlening aan de vrouw € 62.177,- dient te voldoen, inclusief rente tot en met 31 december 2010, zodra de man daartoe de gelegenheid heeft dan wel na verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2012.