Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6319

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
200.100.225-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Wijziging omstandigheden. Behoefte. Draagkracht. Aandeel van ouders in kosten kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer : 200.100.225/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-2870

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.B. Koppenberg te Hoorn,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.C.M. van Lieshout te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[jongmeerderjarige],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [jongmeerderjarige],

in hoger beroep vertegenwoordigd door de vrouw.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 11 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 oktober 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 19 maart 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 24 januari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 24 september 2012 een brief van 21 september 2012 met bijlagen;

- op 2 oktober 2012 een faxbericht van 1 oktober 2012 met bijlagen;

- op 2 oktober 2012 een faxbericht van 2 oktober 2012 met bijlage;

van de zijde van de vrouw:

- op 11 april 2012 een faxbericht met bijlage, op 12 april 2012 ingekomen als brief;

- op 25 september 2012 een brief van 20 september 2012 met bijlagen.

Van de zijde van [jongmeerderjarige] is bij het hof op 22 maart 2012 een brief van 18 maart 2012 ingekomen waarin zij de vrouw machtigt haar in hoger beroep te vertegenwoordigen.

De zaak is op 4 oktober 2012 mondeling behandeld ten overstaan van mr. L.F.A. Husson als raadsheer-commissaris.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door mr. C.I. Burger, kantoorgenoot van mr. Koppenberg;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij vonnis in kort geding van 23 augustus 2001 van de rechtbank Alkmaar is – voor zover thans van belang – de man veroordeeld om met ingang van september 2001 een bedrag van fl. 500,- per maand per kind in de kosten van verzorging en opvoeding van (de destijds minderjarige) [jongmeerderjarige] en van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (hierna [minderjarige]) te betalen. De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] is op

[datum] 2011 van rechtswege overgegaan in een bijdrage in levensonderhoud en studie. Na indexering bedraagt de door de man te betalen bijdrage € 291,42 per maand per kind per 1 januari 2012.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man, strekkende tot nihilstelling van de kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2011, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Het hof zal de stukken van de zijde van de man gedateerd 1 oktober 2012 en ingekomen bij het hof op 2 oktober 2012, ondanks het feit dat deze conform het procesreglement te laat zijn overgelegd, bij de beoordeling betrekken, nu deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en de vrouw daarop bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ook heeft gereageerd.

2. In geschil zijn de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook kinderalimentatie) en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van [jongmeerderjarige] (hierna ook alimentatie jongmeerderjarige).

3. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de door de man te betalen kinderalimentatie en alimentatie jongmeerderjarige met ingang van 1 mei 2011 op nihil wordt gesteld, althans te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum wordt verlaagd tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

4. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel de verzoeken van de man af te wijzen, kosten rechtens.

Grondslagen van het verzoek

5. De man heeft als grondslagen van zijn inleidend verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdrage aangevoerd (i) dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, ten gevolge waarvan de man niet langer in staat moet worden geacht een bijdrage voor de kinderen te betalen, alsmede (ii) dat de beschikking waarvan hij wijziging verzoekt van aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven, omdat daarbij geen onderzoek is verricht naar de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man.

6. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

7. Het hof overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

9. Het hof is van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de uitspraak van 23 augustus 2001 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar. Onweersproken is dat de man is hertrouwd en zijn onderneming in 2007 heeft verkocht en sindsdien op verschillende wijzen in zijn levensonderhoud tracht te voorzien. De man kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek en het hof zal overgaan tot beoordeling van de behoefte en de draagkracht.

Behoefte

10. De man stelt dat in 2001 geen onderzoek is gedaan naar de behoefte van de minderjarigen en dat de kinderalimentatie dan ook bij de uitspraak van 23 augustus 2001 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar ten onrechte op fl. 500,- per maand per kind is vastgesteld. Gelet op het netto gezinsinkomen van destijds fl. 1.500,- per maand had de behoefte niet hoger kunnen worden vastgesteld dan op fl. 95,- per maand per kind.

11. De vrouw stelt dat het op de weg van de man had gelegen tegen de door de rechtbank in 2001 vastgestelde kinderalimentatie in beroep te gaan. Bovendien was het inkomen van partijen destijds fl. 8.500,- netto per maand en bedroegen de kosten van de kinderen fl. 575,- per maand per kind, thans geïndexeerd € 335,14 per maand per kind.

12. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen fl. 1.500,- per maand bedroeg – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw – onvoldoende onderbouwd. Onweersproken is dat partijen in mei 2001 uit elkaar zijn gegaan, zodat het hof het redelijk acht rekening te houden met de inkomensgegevens over dat jaar. Gelet op de door de vrouw als producties 1 en 2 bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde stukken gaat het hof uit van een behoefte van [minderjarige] van thans € 335,14 per maand. Met betrekking tot de behoefte van [jongmeerderjarige] gaat het hof uit van het door de vrouw als productie 9 overgelegde behoeftelijstje van [jongmeerderjarige] en de toelichting daarop ter zitting. Het hof acht het redelijk om rekening te houden met een behoefte van [jongmeerderjarige] van € 980,- per maand. Rekening houdend met € 380,- per maand aan eigen inkomsten, heeft zij per saldo behoefte aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 600,- per maand.

Voor zover de man opkomt tegen de afwijzing van zijn stelling dat de vastgestelde bedragen c.q. behoefte van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan, faalt het beroep.

Aandeel van partijen in de kosten van de kinderen

13. Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. In het kader van de draagkrachtvergelijking beschouwt het hof beide partijen als alleenstaanden en wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat de vrouw door het verblijf van [minderjarige] bij haar in aanmerking komt voor extra heffingskortingen en de man voor de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie vanaf 1 januari 2013.

Draagkracht van de man

14. De vrouw stelt dat de wijziging van het inkomen van de man geen wijziging van de onderhoudsbijdrage rechtvaardigt, omdat sprake is van een door de man zelf teweeggebrachte inkomensdaling. Het inkomensverlies als gevolg van de verkoop van de onderneming van de man dient voor zijn rekening te blijven. Hij heeft ervoor gekozen met vervroegd pensioen te gaan en een Bed & Breakfast in Hongarije te beginnen, terwijl hij onderhoudsplichtig is jegens zijn kinderen. Het inkomensverlies is bovendien voor herstel vatbaar.

15. De man stelt dat het vanaf 2004 bergafwaarts is gegaan met zijn onderneming, mede door het massale vertrek van al het gediplomeerde en ondersteunende personeel in het jaar 2005, waardoor hij omdat hij zelf niet over de vereiste kennis beschikte, uiteindelijk genoodzaakt was om een deel van de activa van de onderneming over te dragen. Er is geen sprake van vrijwillig inkomensverlies. Als daar wel sprake van is dan is dit niet voor herstel vatbaar. De man beschikt niet over de vereiste diploma’s om als accountant aan de slag te gaan. Het inkomen van de man is thans nagenoeg nihil.

16. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het hof gebleken dat er voor de man een noodzaak was om (een deel van) zijn onderneming in 2007 te beëindigen. Wat er verder zij van de reden dat het vanaf 2004 bergafwaarts ging met de onderneming en in 2005 het gediplomeerd personeel massaal ontslag heeft genomen, gebleken is dat de man niet in staat is geweest om de onderneming zonder dit personeel op succesvolle wijze voort te zetten. Het hof is dan ook van oordeel dat in beginsel rekening dient te worden gehouden met de gevolgen hiervan voor het inkomen van de man. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is echter niet gebleken dat de man zich vervolgens heeft ingezet om zijn verdiencapaciteit ten volle te benutten, waartoe hij met het oog op zijn onderhoudsverplichtingen jegens zijn kinderen verplicht was. De man stelt dat hij sinds de gedeeltelijke verkoop van zijn onderneming op verschillende wijzen getracht heeft inkomsten te genereren. Zo verkoopt hij antiek en doet hij de aangiften IB van circa honderd particulieren waarmee hij stelt in 2011 een omzet te hebben behaald van ongeveer € 24.000,-. Daarnaast heeft hij met zijn nieuwe partner twee woningen in Hongarije gekocht met het doel één daarvan na verbouwing door te verkopen en vanuit de andere logies in het kader van wandelvakanties te gaan verzorgen. De man verwacht hiermee vanaf dit jaar inkomsten te gaan genereren.

17. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het appelschrift van de man onvoldoende van welke financiële gegevens het hof uit dient te gaan bij de beoordeling van de draagkracht van de man. Het hof zal uit gaan van een bruto jaarinkomen van € 24.000,- gebaseerd op de in 2011 behaalde netto-omzet van € 24.762,-. Naar het oordeel van het hof heeft de man de kosten en lasten met betrekking tot de exploitatie van zijn onderneming onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Van het hof noch de wederpartij kan in redelijkheid worden verlangd om alle bijgevoegde producties te onderzoeken of daar mogelijk kosten met betrekking tot de exploitatie van de onderneming zijn opgenomen. Een appelschrift behoort de met redenen omklede gronden van het appel te bevatten en de door een appellant ter onderbouwing van zijn stellingen overgelegde stukken dienen geen zoekplaatje te zijn voor de rechter of de wederpartij.

18. Met betrekking tot de lasten van de man houdt het hof rekening met een eigen woningforfait behorend bij een WOZ-waarde van € 197.800,- en de helft van de rente over de hypothecaire geldlening, te weten € 175,- per maand, gelet op het feit dat de man samenwoont met een partner die in eigen levensonderhoud voorziet. Het hof houdt voorts rekening met een premie zorgverzekering van € 116,- per maand, zorgtoeslag van € 71,- per maand en een eigen risico van € 18,- per maand, zoals deze bedragen uit de door de man overgelegde bijlagen 18 en 19 bij het appelschrift blijken. Het hof houdt ten slotte rekening met de premie levensverzekering van € 885,- per jaar.

19. Gelet op het vorenstaande acht het hof de man in staat om een bijdrage te kunnen voldoen van € 200,- per maand per kind voor de periode 1 mei 2011 tot 1 januari 2013 en vanaf

1 januari 2013 van € 230,- per maand per kind.

Draagkracht van de vrouw

20. Met betrekking tot de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van de door de vrouw als productie 7 bij brief van 20 september 2012 overgelegde en met stukken onderbouwde draagkrachtberekening, voor zover deze niet door de man is betwist. Met betrekking tot de door de vrouw opgevoerde en door de man weersproken kosten van de VVE houdt het hof rekening met een bedrag van € 112,20 per maand. De overige kosten zien mede op water- en stookkosten die reeds in de bijstandsnorm verdisconteerd zijn. Het hof acht het redelijk om rekening te houden met € 140,- per maand aan huur van een garage. Voorts houdt het hof rekening met het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen, te weten de algemene, de arbeids- en de alleenstaande ouderkorting. Uitgaande van deze gegevens is het hof van oordeel dat de draagkracht van de vrouw een bijdrage toelaat van € 325,- per maand.

Conclusie

21. De gezamenlijke draagkracht van partijen is onvoldoende om in de totale behoefte van de kinderen te kunnen voorzien. Het hof zal de onderhoudsbijdrage van de man derhalve met ingang van 1 mei 2011 op € 201,- per maand per kind vaststellen en vanaf 1 januari 2013 op € 230,- per maand per kind.

Ingangsdatum

22. De vrouw bestrijdt ten slotte de verzochte ingangsdatum van de nihilstelling.

23. Gelet op de datum van het inleidend verzoekschrift acht het hof de door de man verzochte ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdragen redelijk.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van het vonnis van 23 augustus 2001 van de rechtbank Alkmaar – de door de man aan de vrouw en [jongmeerderjarige] te betalen kinderalimentatie en alimentatie jongmeerderjarige met ingang van 1 mei 2011 op € 201,- per maand per kind en met ingang van 1 januari 2013 op € 230,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Van Dijk en Van der Burght, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.