Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6270

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
200.106.678/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag. Gronden vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 25 juli 2012

Zaaknummer. : 200.106.678/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8003

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.A.C. van Kempen te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming

te ’s-Gravenhage,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de biologische vader van de hierna nader te noemen minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3],

2. William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Diemen,

hierna te noemen: de WSS,

optredend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland/Haaglanden,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg;

3. [pleegouder 1] en [pleegouder 2],

wonende op een bij de WSS bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1],

4. [pleegouder 3] en [pleegouder 4],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2],

5. [pleegouder 5] en [pleegouder 6],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 3].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 februari 2012 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 31 mei 2012 een brief van 30 mei 2012 met bijlagen, waaronder nogmaals een afschrift

van het beroepschrift;

- op 19 juni 2012 een faxbericht met bijlagen.

De zaak is op 20 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw J.J. de Kok namens de raad;

- mevrouw M. van Kralingen namens de WSS;

- de pleegouders van [minderjarige 1].

De biologische vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de pleegouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 1]),

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 2]), en

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 3]).

Voorts is Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarigen benoemd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de raad te veroordelen in de kosten van deze procedure. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de moeder medegedeeld dat het petitum van het beroepschrift aldus moet worden gelezen dat vernietiging van de bestreden beschikking wordt verzocht en afwijzing van het verzoek van de raad.

3. De moeder verzet zich tegen de ontheffing van het ouderlijk gezag over de minderjarigen en voert daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. De moeder erkent dat de minderjarigen vanwege haar persoonlijke en psychische problematiek en met haar instemming ten minste één jaar of langer in een ander gezin worden verzorgd en opgevoed. De moeder stelt echter dat zij geruime tijd in behandeling is geweest voor haar problematiek en dat zij inmiddels is uitbehandeld. Weliswaar heeft de moeder begin 2011 een terugval gehad maar de raad heeft beaamd dat zij daar adequaat op heeft gereageerd. De moeder stelt dat zij een flinke vooruitgang heeft geboekt en mede vanwege het feit dat haar oudste dochter, [naam oudste dochter], alweer geruime tijd zonder problemen thuis woont, betwist zij dat zij ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de bovengenoemde minderjarigen te vervullen. De moeder is inmiddels zes jaar getrouwd met haar huidige echtgenoot en leidt thans een stabiel leven zonder geweld. Met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ziet de moeder in dat zij momenteel niet de hulp kan bieden die de pleegouders hen bieden maar het is niet in hun belang om de moeder uit het ouderlijk gezag te ontheffen. De moeder heeft erg goed contact met de pleegouders en voelt zich gesteund door het feit dat ook zij bedenkingen hebben tegen de ontheffing.

Met betrekking tot [minderjarige 1] verzet de moeder zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen perspectief is op terugplaatsing omdat de doelstelling van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet zou worden bereikt. De verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders van [minderjarige 1] is slecht, mede vanwege het feit dat de moeder te weinig ruimte voor omgang wordt geboden en zij op die manier geen band met [minderjarige 1] op kan bouwen. De moeder wordt nauwelijks betrokken bij het wel en wee over [minderjarige 1] en de pleegouders hebben zonder overleg met haar aan [minderjarige 1] verteld dat zij een andere vader heeft dan [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De moeder wordt nog steeds bijgestaan door verschillende hulpverleners en stelt zich begeleidbaar op. De moeder stelt dat zij zowel door de pleegouders als door Jeugdzorg wordt tegengewerkt en pas kan laten zien dat zij [minderjarige 1] ook kan verzorgen en opvoeden zodra zij in staat wordt gesteld om een betere band met haar op te bouwen. Ter terechtzitting heeft de moeder medegedeeld in te zien dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet meer thuis zullen komen wonen omdat zij vanwege hun problematiek specifieke hulp nodig hebben die de moeder hen niet kan bieden. Met betrekking tot [minderjarige 1] ziet de moeder echter nog wel perspectief op terugplaatsing.

4. De raad stelt dat ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing maatregelen zijn van in beginsel tijdelijke aard, waarbij toegewerkt dient te worden naar opheffing van de maatregelen en terugplaatsing bij de ouder(s). [minderjarige 1] en [minderjarige 3] zijn sinds eind 2005 uit huis geplaatst en [minderjarige 2] is sinds medio 2006 uit huis geplaatst. Zij verblijven sindsdien bij hun pleegouders. Volgens de raad is er met betrekking tot de minderjarigen geen perspectief op terugplaatsing bij de moeder. De moeder erkent dat de problematiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bijzondere opvoedingsvaardigheden van de pleegouders vraagt die zij hen niet kan bieden. Omdat [minderjarige 1] zich al langere tijd in een loyaliteitsconflict bevindt acht de raad het ook in haar belang dat er duidelijkheid komt over haar opvoedingsperspectief. Bij onzekerheid daarover zal [minderjarige 1], mede gezien de houding van de moeder, nog verder in een loyaliteitsconflict geraken. Nu is te voorzien dat het uiteindelijke doel van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet haalbaar is acht de raad het in het belang van de minderjarigen dat er duidelijkheid komt over hun opvoedingsperspectief. De raad meent dat het belang van de minderjarigen bij een continuering van de huidige opvoedingssituatie en voortzetting van een ongestoord hechtingsproces dient te prevaleren boven het belang van de moeder om met het gezag belast te blijven. De raad heeft ter zitting benadrukt dat de moeder altijd de moeder van de minderjarigen zal blijven en een belangrijke rol in het leven van de minderjarigen zal blijven innemen.

5. De WSS heeft ter zitting medegedeeld de visie van de raad te delen. Voor de WSS staat vast dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot ten minste hun 18e levensjaar bij de pleegouders zullen verblijven en gezien het feit dat [minderjarige 1] zich in een loyaliteitsconflict bevindt meent de WSS dat het in haar belang is dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over haar toekomstperspectief. [minderjarige 1] ervaart volgens de WSS onvoldoende veiligheid ten tijde van de omgang met haar moeder. De WSS erkent dat het contact tussen de moeder en de pleegouders van [minderjarige 1] stroef verloopt maar zowel de pleegouders als de WSS zijn bereid zich in te zetten voor contactverbetering.

6. De pleegouders van [minderjarige 1] hebben ter zitting medegedeeld zich te kunnen vinden in de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Zij achten het in het belang van [minderjarige 1] dat de onzekerheid over haar toekomstperspectief wordt weggenomen. Bovendien vinden zij dat [minderjarige 1] in de toekomst behoed moet worden voor onverwachte gebeurtenissen, zoals de voormalige wijziging van haar achternaam. Voorts hebben de pleegouders medegedeeld dat zij het belang van een goede bezoekregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] inzien en om die reden bereid zijn om mee te werken aan het verbeteren van de verstandhouding met de moeder.

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Krachtens artikel 1:268, eerste lid, BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel ten aanzien van het verzet uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, BW af te wenden.

8. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel maatregelen van tijdelijke aard, waarbij toegewerkt dient te worden naar opheffing van de maatregelen en terugplaatsing bij de ouder(s). [minderjarige 1] en [minderjarige 3] zijn sinds eind 2005 uit huis geplaatst en [minderjarige 2] is sinds medio 2006 uit huis geplaatst. Zij verblijven sindsdien bij hun pleegouders en zijn daar gehecht. De moeder erkent dat de problematiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bijzondere opvoedingsvaardigheden van de pleegouders vraagt die zij hen niet kan bieden. Om die reden stemt zij in met hun uithuisplaatsing. Het hof acht de moeder op grond van het voorgaande ongeschikt en onmachtig om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te vervullen. Er is, gezien hun problematiek, geen perspectief tot terugplaatsing. Hierdoor zal het uiteindelijke doel van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet worden behaald. Omdat de moeder ter zitting heeft medegedeeld dat zij graag zou willen dat alle kinderen weer bij haar komen wonen, sluit het hof niet uit dat de moeder zich te zijner tijd zal verzetten tegen de jaarlijkse verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Er moet rekening mee worden gehouden dat deze houding bij hen tot onrust en onduidelijkheid leidt, hetgeen naar het oordeel van het hof een belemmering voor hun ontwikkeling vormt. In een geval als het onderhavige zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing derhalve niet voldoende om de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] af te wenden en is, mede gelet op het vorenstaande, een ontheffing van het gezag noodzakelijk.

Met betrekking tot [minderjarige 1] is gebleken dat de moeder haar plaatsing bij de pleegouders niet, althans niet volledig, ondersteunt. De moeder ziet weliswaar in dat [minderjarige 1] niet van de ene op de andere dag bij haar kan worden geplaatst maar ziet niet in dat een terugplaatsing niet tot de mogelijkheden behoort. De moeder zal zich derhalve naar verwachting tegen de jaarlijkse verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verzetten. Vaststaat dat [minderjarige 1] zich al langere tijd in een loyaliteitsconflict bevindt en het hof is met de raad van oordeel dat het om die reden ook in haar belang is dat er duidelijkheid komt over haar opvoedingsperspectief. Bij onzekerheid daarover zal [minderjarige 1], mede gezien de houding van de moeder, nog verder in een loyaliteitsconflict geraken. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat zij zich volledig en harmonieus op haar huidige plek kan blijven ontwikkelen, mede vanwege het feit dat zij inmiddels ruim zes jaar bij haar pleegouders verblijft. Hieruit vloeit voort dat de moeder niet geschikt is om de plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te vervullen. Om aan de opvoedingsbehoeftes van [minderjarige 1] te voldoen dient er duidelijkheid omtrent haar opvoedings- en ontwikkelingsperspectief te bestaan. Het hof weegt de wens van [minderjarige 1] om bij haar pleegouders te mogen blijven wonen mee maar die wens is niet van doorslaggevende betekenis. Gelet op het vorenstaande acht het hof de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 1] eveneens onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Dat de oudste dochter van de moeder, [naam oudste dochter], sinds 2010 en tot op heden zonder problemen bij de moeder woont doet niet af aan het feit dat [minderjarige 1] zich in een loyaliteitsconflict bevindt.

9. Het hof merkt nog op dat de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen niet tot gevolg zal hebben dat er geen omgang meer tussen de moeder en de minderjarigen zal plaatsvinden. De moeder zal immers altijd de moeder van de minderjarigen blijven en de moeder zal altijd een rol van betekenis in het leven van de minderjarigen blijven vervullen. Gebleken is dat de moeder en de minderjarigen betrokken zijn op elkaar, hetgeen als positief te waarderen valt.

Indien het hof de stelling van de moeder, dat de pleegouders van [minderjarige 2] graag de voogdij over [minderjarige 2] willen hebben, als verzoek moet beschouwen zal het hof dat verzoek afwijzen. Er bestaat naar het oordeel van het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat Jeugdzorg haar taak als voogdes niet goed vervult. Bovendien is er een goed lopende omgangsregeling tussen enerzijds de moeder en anderzijds [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Aangezien Jeugdzorg en de pleegouders van [minderjarige 1] de intentie hebben uitgesproken om de contacten met de moeder te verbeteren en het hof er van uit gaat dat de moeder die handreiking met beide handen aan zal grijpen verwacht het hof dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] in de nabije toekomst eveneens uitgebreid zal kunnen worden, hetgeen ook in het belang van [minderjarige 1] is.

10. Het hof ziet geen reden om de raad, zoals door de moeder is verzocht, te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep en zal dat verzoek derhalve afwijzen.

11. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Stille en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door Suderée als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2012.