Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6068

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
200.091.674-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenleven als waren zij gehuwd; bewijs einde samenleving geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 12 december 2012

Zaaknummer : 200.091.674/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-8942

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.C. Griffioen-Wennekers te Waddinxveen,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Peeters te Woerden.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het procesverloop naar zijn tussenbeschikking van 14 maart 2012, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Bij die tussenbeschikking is de vrouw toegelaten om bewijs te leveren van haar stelling dat tussen haar partner en haar sinds 22 oktober 2008 geen sprake meer is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW.

Op 27 april 2012 is van de zijde van de vrouw een akte overlegging producties tevens houdende akte uitlating producties ingekomen.

Op 12 juni 2012 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij drie getuigen zijn gehoord. Van de verhoren is een proces-verbaal opgemaakt.

Op 26 juni 2012 is van de zijde van de man een antwoordakte ingekomen, waarbij producties zijn overgelegd.

Op 13 augustus 2012 is van de zijde van de vrouw een akte uitlating producties ingekomen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft bij haar akte van 27 april 2012 producties overgelegd om bewijs bij te brengen, dat tussen haar en [naam] sinds 22 oktober 2008 geen sprake meer is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. Bovendien heeft zij getuigen doen horen, te weten haar vader, een buurman en de zoon van [naam].

2. In de e-mails tussen de vrouw en [naam] wordt gesproken over het opheffen van een voordien gezamenlijke bankrekening en verdere financiële afwikkeling van het voordien bestaande samenlevingsverband, waaronder de verrekening van een gezamenlijk aangeschafte gezinsauto. Voorts heeft de vrouw een verklaring overgelegd van [naam], waarin wordt uiteengezet hoe de afbouw van de samenleving vorm is gegeven en waaruit blijkt, dat zij beiden nog vriendschappelijk omgaan met elkaar.

Ter verdere onderbouwing heeft de vrouw overgelegd een aantal bankafschriften van diverse bankrekeningen van haar, de voorheen gemeenschappelijke rekening en van [naam] over de perioden vóór én na 22 oktober 2008, waaruit blijkt dat zij en [naam] tot oktober 2008 een gemeenschappelijke huishouding hadden en dus daarna niet meer.

3. Voorts heeft de vrouw haar vader als getuige doen horen, die heeft verklaard, dat in zijn beleving de relatie tot een einde is gekomen, zijn dochter en [naam] een vriendschappelijke relatie hebben evenals hij en [naam] en laatstgenoemde met de kinderen van partijen.

4. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vrouw erin is geslaagd bewijs te leveren van haar stellingen dat sinds 22 oktober 2008 de relatie zodanig is veranderd dat niet langer sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging, hetgeen nodig is voor het aannemen van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. Hetgeen de man heeft aangevoerd doet daaraan niet af; het staat de vrouw immers vrij om na het verbreken van de samenleving een (meer dan) vriendschappelijke relatie met [naam] te onderhouden.

5. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de man verzocht om over de hoogte van de partneralimentatie een beslissing te geven als het hof “in goede justitie wordt vermeend te behoren”. De man heeft dit verzoek in beide instanties op geen enkele wijze onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

6. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Husson en Roelvink-Verhoeff, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2012.