Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6044

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
200.093.646-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage in de studiekosten van de jongmeerderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 14 maart 2012

Zaaknummer : 200.093.646/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-5787 en FA RK 10-7479

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. de Kluiver te ‘s-Gravenhage,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P. Verbraaken te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de jongmeerderjarige.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 9 september 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 juni 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 3 november 2011 een verweerschrift ingediend.

Op 28 december 2011 is bij het hof een brief van de advocaat van de vrouw van 21 december 2011 ingekomen, met als bijlage een machtiging van de jongmeerderjarige, waarin hij de vrouw machtigt om namens hem verweer te voeren tegen het verzoek van de man.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 24 januari 2012 een brief van 23 januari 2012 met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 1 februari 2012 een faxbericht met bijlagen.

De zaak is op 2 februari 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de jongmeerderjarige;

- namens de raad mevrouw J.E. van der Sande.

Op verzoek van het hof heeft de jongmeerderjarige de behandeling ter terechtzitting met betrekking tot de zorgregeling niet bijgewoond.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is in de voorlopige voorzieningenprocedure het verzoek van de man tot vaststelling van een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken afgewezen. Voorts is iedere verdere beslissing omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.

Voorts is daarbij de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover in hoger beroep van belang, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 537,- per maand, naast een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie en de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van respectievelijk de thans jongmeerderjarige en de hierna te noemen minderjarige van € 270,50 per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de (voorlopige) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hierna ook: zorgregeling. Voorts zijn in geschil de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna: kinderalimentatie, en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, hierna: alimentatie jongmeerderjarige, ten behoeve van de kinderen, alsmede de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, hierna: partneralimentatie.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest: voor wat betreft de afwijzing van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de partneralimentatie, de kinderalimentatie en de alimentatie jongmeerderjarige) en in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat er op korte termijn gestart wordt dient te worden met de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, eventueel onder gelijktijdige mediation van partijen dan wel een ouderschapsonderzoek. Voorts verzoekt de man de partneralimentatie van aanvang af (het hof leest: vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) op nihil te bepalen (het hof leest: het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen) en de alimentatie ten behoeve van de kinderen te verlagen naar € 180,- per maand per kind (het hof leest: de alimentatie ten behoeve van de kinderen vast te stellen op € 180,- per maand per kind), althans een zodanige beslissing te geven als het hof vermeent te behoren.

3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in hoger beroep, althans zijn gronden af te wijzen, en de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bekrachtigen.

Ontvankelijkheid

4. Primair verzoekt de vrouw de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vrouw voert daartoe aan dat de rechtbank in zoverre geen eindbeslissing heeft genomen maar de behandeling van de zaak heeft aangehouden teneinde de ouders in de gelegenheid te stellen om met behulp van professionele hulpverlening serieus aan zichzelf te gaan werken en de resultaten van de behandeling van de minderjarige (traumacursus) af te wachten. Subsidiair stelt de vrouw dat het verzoek van de man afgewezen dient te worden, gelet op het advies van de raad.

5. In het rapport van 21 maart 2011 concludeert de raad dat voor nu geen regeling valt vast te stellen. Aan die conclusie ligt het volgende ten grondslag. De raad meent dat de verhouding tussen de ouders is verstoord en niet valt te verwachten dat hier op korte termijn verandering in zal komen en dat een zorgregeling te veel spanningen voor de minderjarige zal opleveren, welke een ernstige bedreiging zullen vormen op meerdere ontwikkelingsgebieden (cognitief, sociaal, emotioneel). Deze houding wordt mede ingegeven door de houding die de ouders ten opzichte van elkaar innemen. De raad ziet daarom thans geen mogelijkheden om positief te adviseren ten aanzien van een zorgregeling tussen de man en de minderjarige, omdat een zorgregeling ernstig nadeel zou opleveren voor zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling. Ter terechtzitting van het hof heeft de raad gepersisteerd bij het advies. De raad benadrukt dat het niet de intentie heeft om de man het recht op een zorgregeling te ontzeggen maar de raad vindt het belangrijk dat de minderjarige therapie gaat volgen en dat nadien wordt bekeken of een zorgregeling tot de mogelijkheden behoort.

6. Het hof acht de man voor wat betreft zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling ontvankelijk in zijn beroep. Weliswaar is de beslissing omtrent een zorgregeling in de hoofdprocedure aangehouden en is in zoverre sprake van een tussenbeschikking, maar het hof begrijpt de gronden van de man in hoger beroep aldus dat hij een regeling vastgesteld wil zien waarbij op zo kort mogelijke termijn contact komt tussen hem en de minderjarige omdat het ontbreken van contact te lang duurt. Gezien het behandelplan van de Stichting De Jutters gaat het hof er vanuit dat de behandeling – waarbij ook de ouders en de jongmeerderjarige betrokken zijn – inmiddels is gestart. Het hof acht het niet wenselijk dit traject te doorkruisen en is van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is om het aan De Jutters over te laten of enig contact tussen de man en de minderjarige op korte termijn mogelijk is. Het hof weegt daarbij mee dat ter terechtzitting is medegedeeld dat de man zich wil voegen naar de hulpverlening. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting alsmede het ontbreken van een eenduidige verklaring van de Jutters dat het in belang van de minderjarige is op dit moment een concrete omgangsregeling met de man op te bouwen, komt het hof tot de conclusie dat de rechtbank de beslissing omtrent de zorgregeling terecht heeft aangehouden. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve in zoverre bekrachtigen. Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht met betrekking tot de zorgregeling behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking meer aangezien dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Behoefte

7. De behoefte van de minderjarige en de jongmeerderjarige aan een bijdrage van € 282,50 per maand per kind staat als niet bestreden vast. Naar het oordeel van het hof staat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man eveneens vast. Weliswaar stelt de man dat de vrouw geen behoefte heeft aan alimentatie omdat zij een bijstandsuitkering ontvangt, maar het feit dat de vrouw een uitkering ontvangt, ontslaat de man niet van zijn onderhoudsverplichting jegens haar.

Behoeftigheid vrouw

8. Het hof passeert de stelling van de man dat de vrouw door middel van inkomen uit arbeid in eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien. Het is een feit van algemene bekendheid dat een sollicitatieplicht een vereiste is om een bijstandsuitkering te kunnen behouden, zodat het hof er van uit gaat dat het de vrouw tot op heden niet gelukt is om een passende baan te vinden. Bovendien heeft de vrouw ter terechtzitting onweersproken gesteld dat zij tijdelijk geen sollicitatieplicht heeft.

Draagkracht man

9. De man exploiteert een sigarenwinkel en stelt dat de rechtbank bij het vaststellen van zijn draagkracht ten onrechte een gemiddeld bedrijfsresultaat over de jaren 2007 tot en met 2009 van € 35.877,- per jaar in aanmerking heeft genomen. De man stelt dat de winst in 2010 € 9.397,- bedroeg en dat de gemiddelde winst over de jaren 2008 tot en met 2010 is te stellen op € 25.002,33 per jaar, mede gelet op de winst in 2008 van € 24.456,- en € 41.154,- in 2009. De man betoogt dat een gemiddeld bedrijfsresultaat van € 25.002,33 nimmer tot het door de rechtbank in aanmerking genomen netto besteedbaar inkomen van € 2.692,- per maand kan leiden. De man heeft gesteld dat het bedrijfsresultaat in 2010 is gedaald vanwege de economische recessie en ter terechtzitting heeft de man gesteld dat hij in 2011 een omzetdaling van 25% heeft gehad ten opzichte van 2010.

10. De vrouw betwist de stellingen van de man. Kort weergegeven stelt de vrouw dat het bedrijfsresultaat van 2010 bij het vaststellen van de draagkracht van de man buiten beschouwing moet worden gelaten aangezien sprake lijkt te zijn van een verwijtbare inkomensachteruitgang. Voorts stelt de vrouw dat van de man verwacht mag worden dat hij een inkomen gaat verdienen als voorheen.

11. Het hof overweegt als volgt. Waar bij het bepalen van de behoefte ter zake van het inkomen gekeken kan worden naar meerdere jaren, dan wel een gemiddelde van een aantal jaar, geldt dit voor het bepalen van de draagkracht niet. Naar het oordeel van het hof dient bij het bepalen van de draagkracht als uitgangspunt te worden gehanteerd de feitelijke financiële situatie, waarbij tevens van belang is welk inkomen de alimentatieplichtige zich in redelijkheid kan verwerven. In casu zal het hof de draagkracht van de man op basis van de meest recent overgelegde financiële stukken van de man, in casu de jaarrekening van 2010, beoordelen. Gelet op de financiële stukken van voorgaande jaren en de toelichting van de man daarop, ziet het hof geen grond om deze om de door de vrouw genoemde redenen buiten beschouwing te laten. Uit die jaarrekening blijkt dat de winst van de man € 9.397,- bedraagt. Het hof acht de stelling van de man, dat zijn onderneming sinds 2009 te kampen heeft met een daling van zijn omzet en dat zijn omzet in 2011 – het jaar van de scheiding – mede vanwege de economische recessie nog verder is gedaald, aannemelijk. Enige aanwijzing voor de door de vrouw gestelde verwijtbaarheid van het verlies aan omzet en winstcapaciteit ontbreekt. Rekening houdend met de overige financiële omstandigheden van de man, waaronder zijn lasten zoals door de rechtbank vastgesteld en waartegen geen van partijen bezwaar heeft gemaakt, constateert het hof dat de draagkracht van de man geen ruimte overlaat om een bijdrage ten behoeve van de vrouw en de kinderen te voldoen. Aangezien de man echter in hoger beroep heeft verzocht om de alimentatie ten behoeve van de kinderen vast te stellen op € 180,- per maand per kind en hij zich ter terechtzitting van het hof bereid heeft verklaard om (te proberen zo lang als het gaat) die bijdrage te blijven voldoen zal het hof overeenkomstig het verzoek van de man beslissen. Het hof gaat er daarbij van uit dat de echtscheidingsbeschikking, zoals ter terechtzitting is medegedeeld, in oktober 2011 is ingeschreven dan wel tijdig wordt ingeschreven. Voorts merkt het hof op dat de man heeft toegezegd dat hij geen terugbetaling verlangt van de (eventueel) (teveel) betaalde alimentatie en het hof gaat er van uit dat de man zijn toezegging gestand zal doen.

12. Ter terechtzitting van het hof is vast komen te staan dat de man in september 2011 een bedrag van circa € 18.000,- uitgekeerd heeft gekregen uit het studieplan dat hij in het verleden ten behoeve van de jongmeerderjarige heeft afgesloten. De jongmeerderjarige heeft ter terechtzitting van het hof medegedeeld dat hij voornemens is om volgend jaar te gaan studeren en dat hij derhalve aanspraak wenst te maken op voormelde uitkering. De man heeft onweersproken gesteld dat van voormelde uitkering thans nog circa € 4.000,- à € 5.000,- resteert nadat hij van die uitkering lopende rekeningen heeft voldaan. De man is bereid het restant aan de jongmeerderjarige te voldoen, echter niet zolang hij blijft weigeren om met hem in contact te treden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat van de jongmeerderjarige mag worden verlangd dat hij contact met zijn vader opneemt zodra hij daadwerkelijk gaat studeren. Van de man mag worden verlangd dat hij het restant van de uitkering daadwerkelijk aan de jongmeerderjarige ten goede laat komen indien de jongmeerderjarige contact met hem opneemt en aantoont dat hij daadwerkelijk gaat studeren.

13. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de alimentatie ten behoeve van de vrouw en de kinderen betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige alsmede de door de man aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, op € 180,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek van de vrouw tot een bijdrage in haar levensonderhoud af;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Van Dijk en Roelvink-Verhoeff, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2012.