Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6036

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
200.102.474-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen opteren voor mediation en komen onder de regie van het hof een tijdelijke contactregeling overeen ter vermindering van de vertoonde spanningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 11 juli 2012

Zaaknummer : 200.102.474/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 10-2035

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. G.J. Schipper-de Bruijn te Spijkenisse,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg (Zuid-Holland).

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 22 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 november 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 12 april 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 13 april 2012 een brief van 12 april 2012 met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 9 mei 2012 een brief van 8 mei 2012 ingekomen, waarin is medegedeeld dat de raad ter zitting aanwezig zal zijn en aldaar verweer zal voeren. Voorts is medegedeeld dat de door de raad ingebrachte stukken reeds in het bezit van het hof zijn.

De zaak is op 24 mei 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door mr. J. van de Kreeke, kantoorgenoot van mr. Verschoor;

- mevrouw E.M. van Dijk namens de raad.

De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de verzoeken van de moeder, strekkende tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag over de minderjarigen en tot wijziging van de bij beschikking van 12 oktober 2009 door de rechtbank Rotterdam vastgestelde zorgregeling, afgewezen.

Voorts zijn de verzoeken van de vader, om het hoofdverblijf van de minderjarigen te wijzigen en bij hem te bepalen, de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie op nihil te bepalen, alsmede een door de moeder aan hem te betalen kinderalimentatie te bepalen, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], (hierna: de minderjarigen) en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) ten behoeve van hen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, uitsluitend voor zover zijn verzoeken met betrekking tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de kinderalimentatie zijn afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

- met wijziging van de beschikking van 2 februari 2004 van de rechtbank Rotterdam de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen;

- met wijziging van de beschikking van 10 juni 2009 van de rechtbank Rotterdam de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie alsnog op nihil te bepalen,

danwel een zodanige beslissing te geven als het hof vermeent te behoren.

3. De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken althans de verzoeken af te wijzen dan wel een beslissing te geven als het hof vermeent te behoren.

4. De vader verzet zich tegen de beslissing van de rechtbank voor zover zijn verzoeken tot bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem en wijziging van de kinderalimentatie zijn afgewezen en voert daartoe het volgende aan. Bij de beslissing omtrent het hoofdverblijf is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan het belang van de minderjarigen. Dat de moeder opvoedondersteuning vanuit Trivium Lindenhof heeft geaccepteerd, is ingegeven door het risico dat de minderjarigen hun verblijfplaats bij de vader zouden krijgen indien de moeder deze, noodzakelijk geachte, hulp niet zou accepteren. Het rapport van de raad is voor de vader helder wat betreft de standpunten van de minderjarigen. Beide kinderen hebben de wens geuit om bij hem te wonen. Dat de moeder door middel van het recent ingezette hulpverleningstraject de opvoedsituatie van de minderjarigen tracht te verbeteren en zij de mogelijkheid krijgt dit prille traject te continueren, neemt niet weg dat hiermee vaststaat dat er sprake was/is van een opvoedsituatie bij de moeder die voldoet aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling. Indien de vader de onderhavige procedure niet aanhangig had gemaakt, had de moeder nimmer hulpverlening binnen haar gezin toegelaten en had de bedreigende opvoedsituatie voortgeduurd. De wens en de belangen van de minderjarige dienen in casu zwaarder te wegen dan het belang van de moeder. De vader begrijpt dat de beslissing omtrent de kinderalimentatie inherent is aan de beslissing omtrent het hoofdverblijf maar verzoekt de beslissing omtrent de kinderalimentatie te wijzigen indien het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem wordt bepaald.

5. De moeder verweert zich als volgt. Terecht heeft de rechtbank na advies van de raad geen reden gezien om het hoofdverblijf van de minderjarigen te wijzigen. De vader heeft tot nu toe en zonder resultaat in alle procedures beschuldigingen jegens de moeder geuit. Het bepalen van de woon- of verblijfplaats van een kind dient door een deskundige te geschieden en niet door een kind. De moeder zoekt en aanvaardt hulp bij de opvoeding en het huidige traject werpt zijn vruchten af. Door de stelling van de vader, dat de belangen van de minderjarigen nu weer worden geschaad omdat de moeder de gelegenheid krijgt hulp te accepteren, vermoedt de moeder dat de vader het belang van nihilstelling van de kinderalimentatie voorop wil stellen met als gevolg dat de problemen tussen hen als ouders nog verder zullen toenemen.

6. In het op 28 september 2011 uitgebrachte rapport heeft de raad onder meer geadviseerd om het verzoek van de vader tot wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarigen af te wijzen.

Aan dat advies ligt ten grondslag dat de moeder door middel van het recent ingezette hulpverleningstraject de opvoedsituatie van de minderjarigen tracht te verbeteren. De raad acht wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen van de moeder naar de vader momenteel niet in hun belang. Een wijziging zou teveel onrust teweegbrengen en de moeder dient de kans geboden te worden het nog prille begeleidingstraject te continueren. Ter zitting heeft de raad medegedeeld dat partijen reeds een aantal stappen in de goede richting hebben gezet en hij adviseert, mede gelet op de (hieronder genoemde) pijnpunten die ter zitting zijn besproken, thans de communicatie tussen hen weer op gang te brengen via de Stichting Flexus Jeugdplein, hierna: Flexus.

7. Het hof overweegt als volgt. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen. Het uitoefenen van gezamenlijk gezag veronderstelt dat beide ouders in staat zijn om goed met elkaar te communiceren ten aanzien van belangrijke aangelegenheden die de minderjarigen betreffen. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader en de moeder hun gedragingen als ouders na scheiding niet goed op elkaar kunnen afstemmen en dat zij niet tot nauwelijks met elkaar kunnen communiceren, met dien verstande dat de communicatie via de email volgens partijen inmiddels wel beter verloopt. Beide partijen hebben ter zitting de wens geuit de communicatie tussen hen te verbeteren en hebben ingestemd met het voorstel van het hof (overeenkomstig het advies van de raad) om zich voor bemiddelingsgesprekken te wenden tot Flexus of tot Trivium Lindenhof. Als belangrijkste pijnpunt heeft de moeder naar voren gebracht dat zij zich niet gerespecteerd heeft gevoeld in de partnerrelatie en zich nog steeds niet door de vader gerespecteerd voelt. De vader heeft naar voren gebracht dat hij moeite had en heeft met het feit dat de moeder macht over hem wil uitoefenen (via de kinderen). Het hof sluit niet uit dat, wanneer deze pijnpunten via de bemiddeling opgelost kunnen worden, partijen wellicht ook tot overeenstemming kunnen komen over de in geschil zijnde verblijfplaats van de minderjarigen. Partijen hebben voorts ingestemd met het voorstel van het hof om ten tijde van de bemiddeling en uitsluitend bij wijze van proef een andere contactregeling uit te proberen, in die zin dat de vader de minderjarigen bij zich zal hebben één keer per veertien dagen van donderdag uit school tot maandag naar school, voor het eerst met ingang van 31 mei 2012, alsmede van donderdag uit school tot en met vrijdag 19.30 uur, voorafgaand aan het laatste weekend van de maand waarin de minderjarigen bij de moeder verblijven. Daarmee worden de wisselmomenten nagenoeg gehalveerd en komt er naar het oordeel van het hof meer rust voor zowel de ouders als de minderjarigen. Bovendien wordt daarmee gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de wens van de minderjarigen om meer bij hun vader te zijn. Naast deze regeling moeten de minderjarigen naar het oordeel van het hof de vrijheid hebben en krijgen om incidenteel naar hun vader of moeder te gaan indien zij dat wensen en er geen valide redenen zijn om een dergelijk incidenteel bezoek niet toe te staan. Gelet op het vorenstaande zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden tot 29 december 2012 pro forma, in afwachting van het verloop van de bemiddelingsgesprekken en de hiervoor vermelde proefomgangsregeling. De meest gerede partij dient het hof uiterlijk vóór de genoemde pro forma datum te berichten over de gewenste voortgang van de onderhavige procedure.

8. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling aan tot de zitting van zaterdag 29 december 2012 pro forma ter fine als vermeld in rechtsoverweging 7;

verzoekt de meest gerede partijen het hof uiterlijk vóór de genoemde pro forma datum te berichten over het verloop van de bemiddelingsgesprekken en de proefomgangsregeling en over de gewenste voortgang van de procedure;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Van Leuven en Van der Linden, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2012.