Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6014

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
200.105.049/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2013-0071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 26 september 2012

Zaaknummer : 200.105.049/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 09-10006

[verzoeker],

wonende te ’s-Gravenhage,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat mr. dr. drs. P.H.J. Körver te ’s-Gravenhage.

Op grond van het bepaalde in artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

het Ressortsparket van het openbaar ministerie in het arrondissement ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: het openbaar ministerie.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoekster is op 10 april 2012 tijdig in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 januari 2012 van rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van verzoekster:

- op 9 mei 2012 een faxbericht van 8 mei 2012;

- op 15 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 20 juni 2012 een brief van 19 juni 2012 met bijlage.

De zaak is op 15 augustus 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting was aanwezig:

- de advocaat van verzoekster.

Noch verzoekster noch het openbaar ministerie is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 9 augustus 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage en de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 9 augustus 2010 heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van verzoekster tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van wijlen de heer [naam] (hierna: de man) over haar aangehouden in afwachting van resultaten van het DNA-onderzoek.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van verzoekster afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van verzoekster.

2. Verzoekster verzoekt het hof de beschikking van 9 augustus 2010 van de rechtbank

’s-Gravenhage en de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen. Indien het hof daartoe aanleiding ziet verzoekt verzoekster het Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna: UMCU) ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te bevelen het DNA-materiaal van de man voor onderzoek vrij te geven en vervolgens een deskundigenonderzoek te laten verrichten waarin de vraag wordt beantwoord of het DNA-materiaal van de man uitwijst dat hij de vader van verzoekster is.

3. Volgens verzoekster heeft de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man, afgewezen. Voor zover het vaderschap niet blijkt uit het vonnis van 6 maart 1967 van de rechtbank ’s-Gravenhage kan het blijken uit DNA-matiaal dat bewaard zou kunnen zijn gebleven in het UMCU.

4. Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:207, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat het kind om vaststelling van het vaderschap van een man kan verzoeken op de grond dat deze man de verwekker is van het kind.

5. Bij eindvonnis van 6 maart 1967 van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft de rechtbank na gehouden getuigenverhoren op grond van de inhoud van de afgelegde verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, welke verklaringen niet worden ontzenuwd door de verklaringen van de ten verzoeke van de man gehoorde getuigen, bewezen geacht dat de moeder van verzoekster tussen de 301ste en 179ste dag voor de geboorte van verzoekster vleselijke gemeenschap heeft gehad met de man. Daarbij is, kort samengevat, overwogen dat de man geen bewijs heeft geleverd van de stellingen waarmee hij de vorderingen van de moeder van verzoekster heeft betwist, waaronder de door hem opgeworpen zogeheten exceptio plurium concubentium. Op voornoemde gronden heeft de rechtbank de man veroordeeld tot het betalen van een uitkering ten behoeve van de verzorging en opvoeding van verzoekster, ingaande op de dag van de geboorte van verzoekster ([geboortedatum] 1964) en voortdurend tot het bereiken van haar meerderjarigheid. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het gezag van gewijsde heeft gekregen.

6. Gelet op de inhoud van de getuigenverklaringen weergegeven in voornoemd vonnis van 6 maart 1967 en het door de rechtbank in dat vonnis daaraan verbonden oordeel staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat de man de verwekker is van verzoekster. De in artikel 1:207, tweede lid, BW genoemde beletselen doen zich niet voor. Het hof zal dan ook overgaan tot de vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van verzoekster.

7. Het hof zal mitsdien de bestreden beschikking vernietigen.

8. Gelet op het vorenstaande behoeft het verzoek van verzoekster ex artikel 843a Rv geen bespreking meer.

9. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 augustus 2010 en de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

stelt vast dat de heer [naam], geboren op [geboortedatum] 1920 en overleden op [overlijdensdatum] 2002 te [plaats], de vader is van [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats];

draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking - en voor zover daartegen geen cassatie is ingesteld - een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s Gravenhage;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, De Haan-Boerdijk en Van Wijk, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2012.