Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5997

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
200.049.888/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag. Omgang en informatie. Hof wijkt af van advies deskundigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 19 december 2012

Zaaknummer : 200.049.888/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 09-4093

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: voorheen mr. A.H. van Haga te ’s-Gravenhage die zich bij brief van 1 november 2012

heeft onttrokken, thans mr. J.B. Boone te Wijk bij Duurstede.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 26 januari 2011 en het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting op 28 februari 2012, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij de tussenbeschikking van 26 januari 2011 heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast met het doel enerzijds het ouderschap na scheiding zodanig vorm te doen geven dat de kinderen - gegeven de omstandigheden - zo goed als mogelijk zullen kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. Tot deskundigen zijn benoemd de heer R. Melcherts en mevrouw mr. C.E. Willemsen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij brief van 15 november 2011 hebben de deskundigen het hof bericht dat zij het in het belang van het onderzoek achten dat zij met de minderjarigen afzonderlijk een gesprek kunnen voeren. De vader heeft hiertegen bezwaren geuit. Ook de minderjarige [minderjarige 1] heeft per brief haar bezwaren geuit tegen een gesprek met de deskundigen. De deskundigen hebben het hof om een nadere instructie gevraagd.

Ter terechtzitting op 28 februari 2012 is het deskundigenonderzoek besproken en heeft het hof de deskundigen de opdracht gegeven het onderzoek af te ronden op de manier die zij geraden achten.

Op 24 juli 2012 is bij het hof het deskundigenbericht van 20 juli 2012 ingekomen.

Bij brief van 13 augustus 2012 heeft het hof een afschrift van het deskundigenbericht aan partijen gezonden.

Nadien zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 31 oktober 2012 een brief van 30 oktober 2012 met bijlagen;

- op 23 oktober 2012 een brief van 22 oktober 2012 met bijlagen;

van de zijde van de vader:

- op 18 september 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 2 november 2012 een brief van 1 november 2012 met bijlagen.

De mondelinge behandeling is op 14 november 2012 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- namens de raad: mevrouw M. Versteeg en mevrouw M. Jalving.

De beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (verder: [minderjarige 1]),

- [minderjarige 2], eveneens geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (verder: [minderjarige 2]), en

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (verder: [minderjarige 3]);

hierna gezamenlijk verder: de kinderen. Daarnaast zijn in geschil: de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 3] en de contact- en informatieregeling ten behoeve van de moeder.

2. De moeder verzoekt in haar appelschrift de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover daarin is bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan de vader toekomt en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader om alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen te worden belast, af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure.

3. De vader verzoekt in zijn verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de moeder in appel verzochte af te wijzen met veroordeling van de moeder in de kosten van de onderhavige procedure. In incidenteel appel verzoekt de vader de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft het afwijzen van de door hem verzochte wijziging van de contactregeling en, in zoverre opnieuw beschikkende, met wijziging van de beschikking van het hof van 5 september 2007 en indien nodig de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juni 2006, te bepalen dat er een contactregeling zal zijn tussen de kinderen en de moeder van maximaal een weekend in de drie weken, waarbij de sportverplichtingen van de kinderen worden gerespecteerd, met veroordeling van de moeder in de kosten van de onderhavige procedure.

4. De moeder verzoekt in haar verweerschrift op het incidenteel appel het verzoek van de vader in incidenteel appel af te wijzen. Aanvullend verzoekt zij de vader te veroordelen haar informatie over de sportactiviteiten uiterlijk één maand tevoren te verschaffen en voorts informatie over de schoolprestaties en de schoolzaken van de kinderen en de medische situatie en activiteiten van de kinderen tweewekelijks, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de vader daarmee in gebreke blijft.

5. Bij brief van 22 oktober 2012 verzoekt de moeder de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 3] bij haar te bepalen en voorts een contactregeling tussen haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vast te stellen op de wijze als door haar in productie 1 bij die brief is weergegeven. Daarnaast verzoekt zij een nadere regeling met betrekking tot de informatievoorziening te bepalen.

6. De vader heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 14 november 2012 gereageerd op de verzoeken van de moeder en primair verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, met afwijzing van de vorderingen van de moeder. Subsidiair heeft hij verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en te bepalen dat partijen opnieuw tot mediation dienen over te gaan. Het hof begrijpt dat de vader zijn verzoek in incidenteel appel met betrekking tot de contactregeling, handhaaft.

7. Het hof overweegt als volgt. De deskundigen hebben op grond van de door het hof in de tussenbeschikking van 26 januari 2011 geformuleerde vragen hun onderzoek verricht. Zij hebben onder meer, kort samengevat, geconcludeerd dat de relatie tussen de ouders onderling buitengewoon slecht is en dat er sprake is van dwang- en terugtrekgedrag. Het is de ouders volgens de deskundigen niet gelukt hierin enige verbetering te laten optreden. Het lukt de ouders niet in gezamenlijkheid ouders te zijn.

8. Het advies van de deskundigen met betrekking tot het ouderlijk gezag luidt als volgt: “het gezag kan volgens de deskundigen het beste bij de ouders samen blijven. In het geval vader alleen belast wordt met het ouderlijk gezag bestaat de kans dat moeder door de houding van vader geen enkele rol meer zal spelen in het leven van de kinderen.”

9. De moeder onderschrijft het advies van de deskundigen.

10. De vader kan zich niet met het advies van de deskundigen verenigen.

11. Voorafgaand aan de bestreden beschikking waren de moeder en de vader van rechtswege belast met het gezamenlijk gezag over de kinderen. Aan het hof ligt thans de vraag voor of de rechtbank op goede gronden heeft beslist om aan die situatie een einde te maken door de vader met het eenhoofdig gezag te belasten.

12. Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.

13. Het criterium om het gezamenlijk gezag te beëindigen is, ingevolge artikel 1:253n, tweede lid, BW, gelijk aan de criteria, opgenomen in artikel 1:251a, eerste lid onder a. en b. BW. De rechter kan op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

14. Blijkens artikel 1:253n BW zal allereerst beoordeeld moeten worden of voldaan is aan de voorwaarde dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor een gezagswijziging. De verzoekende ouder zal de wijziging van omstandigheden moeten aanvoeren. Vervolgens dient de beoordeling plaats te vinden aan de hand van de hiervoor onder 13 vermelde criteria.

15. Anders dan de moeder betoogt, is het hof van oordeel dat de rechtbank de vader terecht heeft ontvangen in zijn verzoek om te bepalen dat hij voortaan alleen belast zal zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen, nu hij een wijziging van omstandigheden heeft gesteld, die erop neerkomt dat de ondersteuning door Bureau Jeugdzorg thans is beëindigd en niet heeft geleid tot een verbetering in de communicatie tussen partijen.

16. Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. Naar het oordeel van het hof zijn in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking.

17. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 26 januari 2011 een ouderschapsonderzoek bevolen in een laatste poging partijen na een jarenlange strijd bij elkaar te brengen. Partijen zijn er echter niet in geslaagd om, in het belang van de kinderen, te komen tot afspraken over de invulling van het ouderschap. Het hof is gebleken dat de strijd tussen partijen nog steeds onverminderd voortduurt, terwijl er al geruime tijd is verstreken sinds de bestreden beschikking. Verschillende pogingen om de communicatie tussen partijen te verbeteren, zijn door de immense strijd van de ouders mislukt. Het baart het hof zorgen dat de ouders er maar niet in slagen om, in het belang van de kinderen, hun onderlinge verstandhouding te normaliseren. Het hof betrekt daarbij het standpunt van de raad, die ter zitting heeft verklaard de langdurige strijd van de ouders zorgelijk voor de kinderen te vinden. Gelet op de hevige strijd die partijen nog steeds voeren en hun onderlinge wantrouwen jegens elkaar, acht het hof het onwaarschijnlijk dat zij thans in staat zullen zijn invulling te geven aan hun gezamenlijk ouderlijke verantwoordelijkheid, op een wijze die niet belastend is voor de kinderen. Op korte termijn zal naar verwachting in deze situatie geen verandering komen. Om die reden schuift het hof het deskundigenrapport terzijde en volgt het hof de adviezen van de deskundigen, wat daar verder ook van zij, niet op. De beslissing van de rechtbank om de vader alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen te belasten dient dan ook te worden bekrachtigd. Hetgeen de moeder hieromtrent overigens nog heeft aangevoerd kan hier verder buiten bespreking blijven nu dat niet tot een andere beslissing zal leiden.

Hoofdverblijfplaats [minderjarige 3]

18. Nu de moeder niet (langer) is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3], kan zij niet worden ontvangen in haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 3] bij haar te bepalen.

Contactregeling

19. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om de contactregeling tussen de moeder en de kinderen te wijzigen, heeft afgewezen. Hij voert daartoe, kort gezegd, aan dat de houding van de moeder ten aanzien van de sportactiviteiten van de kinderen, zorgt voor spanningen bij de kinderen. De vader verzoekt in incidenteel appel dan ook de frequentie van de huidige contactregeling tussen de moeder en de kinderen te beperken.

20. Ook de moeder verzoekt de contactregeling met de kinderen te wijzigen, op de wijze zoals door haar is weergegeven in productie 1, bij haar brief van 22 oktober 2012.

21. Het hof overweegt als volgt. De verzoeken van partijen dienen ten gevolge van de gezagswijziging thans te worden opgevat als een verzoek tot omgang in de zin van artikel 1:377 BW.

22. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hebben een kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

23. Het hof acht de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de omgangsregeling terecht en op goede gronden genomen, neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof voegt daar nog aan toe dat het partijen vrij staat om in onderling overleg de omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te wijzigen, nu zij het erover eens zijn dat de omgang op woensdag geen doorgang meer kan hebben, gelet op de omstandigheid dat zij inmiddels naar de middelbare school gaan.

24. Het hof ziet evenmin aanleiding de omgangsregeling met betrekking tot [minderjarige 3] uit te breiden, zoals de moeder verzoekt. Daartoe overweegt het hof dat de moeder de aan haar verzoek ten grondslag liggende wijziging van omstandigheden naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft onderbouwd.

25. Het vorenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking ook wat betreft de omgangsregeling dient te worden bekrachtigd.

Informatieregeling

26. Hoewel in hoger beroep voor het eerst wordt verzocht om een informatieregeling, wordt de moeder ontvankelijk geacht in haar verzoek, gezien de connexiteit met het verzoek tot omgang.

27. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat de ouder die met het gezag belast is op grond van artikel 1:377b lid 1 BW gehouden is de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. De rechter kan op verzoek van een ouder ter zake een regeling vaststellen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel kan de rechter, indien het belang van het kind zulks vereist, bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

28. Het hof overweegt als volgt. De moeder verzoekt een gespecificeerde informatieregeling vast te leggen en daar een dwangsom aan te verbinden. Volgens moeder komt vader de informatieverplichting niet naar behoren na. Nu niet gebleken is dat een informatieregeling niet in het belang van de kinderen is zal het hof een regeling vaststellen zoals door de vrouw verzocht en door de man niet of onvoldoende weersproken met dien verstande dat de man de vrouw maandelijks dient te informeren over de sportactiviteiten van de kinderen en over hun schoolsituatie en medische situatie. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder is verzocht, een dwangsom op te leggen.

Kosten deskundigenonderzoek

29. Gelet op de door de deskundigen overlegde rekeningen, stelt het hof hierbij de vergoeding van de deskundigen vast op totaal € 4.500,00 (inclusief BTW) zoals door hen is verzocht. Het hof heeft voornoemd bedrag inmiddels aan de deskundigen voldaan.

Proceskosten

30. Het hof ziet geen aanleiding om de vader of de moeder, zoals zij ieder voor zich met betrekking tot de andere partij in hoger beroep hebben verzocht, te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep en zal deze verzoeken dan ook afwijzen.

31. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 3] bij haar zal zijn;

bekrachtigt de bestreden beschikking;

bepaalt dat de man de vrouw maandelijks dient te informeren over de sportactiviteiten van de kinderen en over hun schoolsituatie en medische situatie;

stelt de kosten van het deskundigenbericht vast op € 4.500,00 (inclusief BTW);

bepaalt dat voormelde kosten ten laste van ’s Rijks kas komen en verstaat dat de griffier van dit hof dit bedrag reeds aan de deskundige heeft voldaan;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Stollenwerck en Burgerhart, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2012.