Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5982

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
200.103.446-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

incasso advocatendeclaratie, bijzondere begrotingsprocedure artt. 32-40 Wtbz voor 'hoogtegeschillen', procesgang, combinatie met andere verweren, gedeeltelijke onbevoegdheid, terugverwijzing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.103.446/01

Rolnummer rechtbank : 1281867 \ CV EXPL 11-57200

arrest van 28 augustus 2012

inzake

[appellant]

wonende te Rotterdam,

kantoorhoudende te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. K.T.F. Chocolaad te ‘s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 1 maart 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 20 januari 2012. In de appeldagvaarding heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is arrest gevraagd. Omdat de gefourneerde stukken niet compleet waren, heeft de griffier de ontbrekende stukken telefonisch bij [appellant] opgevraagd, die deze bij brief van 23 juli 2012 heeft ingezonden. Het betreft de dagvaarding in eerste aanleg met producties en de conclusie van antwoord met producties.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de kantonrechter in het vonnis van 20 januari 2012 onder 2.1. tot en met 2.3. vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1. Twee advocaten die voorheen in dienst waren bij [appellant], mr. M.J.E.H. van Baarle en mr. J.C. Koster (hierna respectievelijk Van Baarle en Koster genoemd), hebben in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] voor haar werkzaamheden verricht in een echtscheidings- en boedelverdelingsprocedure. Op die overeenkomst van opdracht zijn de algemene voorwaarden van het kantoor van [appellant] van toepassing. [appellant] heeft geen aanvraag om een toevoeging bij de Raad voor Rechtsbijstand voor [geïntimeerde] ingediend.

2.2. Namens [appellant] hebben Van Baarle en Koster de volgende declaraties verstuurd aan [geïntimeerde]:

Factuurnummer Datum Bedrag

002008045 22-02-2008 € 2.969,24

002009287 18-09-2009 € 1.645,86

002010208 01-07-2010 € 3.396,10

002010347 25-10-2010 € 15.607,12

002011219 22-08-2011 € 1.436,93

002011236 15-09-2011 € 249,90

Totaal € 25.305,15

2.3. [geïntimeerde] heeft in totaal een bedrag van € 7.969,24 aan [appellant] betaald. [appellant] vordert in deze procedure de restant hoofdsom vermeerderd met incassokosten groot € 18.335,91, vermeerderd met rente over het restant declaratiebedrag van € 17.335,91 vanaf de datum van dagvaarding in eerste aanleg.

3. De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard om van de vordering van [appellant] kennis te nemen – kort gezegd – omdat het verweer van [geïntimeerde] geheel wordt opgevat als een betwisting van de hoogte van de declaraties, zodat volgens de kantonrechter de begrotingsprocedure uit de Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Wtbz) dient te worden gevolgd.

4. Daartegen heeft [appellant] twee grieven gericht die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Deze zijn gedeeltelijk gegrond. Daartoe wordt als volgt overwogen.

‘hoogte’-verweren en andere verweren m.b.t. de declaraties

5.1. Uitgangspunt is dat de artikelen 32-40 Wtbz alleen kunnen worden toegepast in geval van een geschil over de hoogte van het bedrag van een declaratie, maar niet in geschillen die niet de omvang van het gedeclareerde bedrag betreffen . De in de artikelen 32-40 Wtbz voorziene bijzondere rechtsgang voorziet er in dat de raad van toezicht – en eventueel de in artikel 35 lid 1 Wtbz bedoelde rechter – beoordeelt of de advocaat zijn declaratie overeenkomstig het voorschrift van artikel 30 Wtbz heeft berekend naar de mate van het belang en de moeilijkheid van de zaak, alsmede van de daaraan bestede tijd, waarbij ook de in artikel 35 lid 2 Wtbz genoemde factoren in de beoordeling worden betrokken. Deze procedure geldt niet, indien er andere gronden worden aangevoerd waarom de declaratie niet wordt betaald.

5.2. In deze zaak is niet alleen sprake van een verweer van [geïntimeerde] dat op de hoogte van de declaratie in de hiervoor bedoelde enge zin ziet, omdat zij ook aanvoert dat [appellant] is tekortgeschoten in zijn zorgplicht van een goed opdrachtnemer met betrekking tot de mogelijkheden van [geïntimeerde] om – eventueel later in de loop van de gevoerde procedures – in aanmerking te komen voor (al dan niet voorwaardelijke) gefinancierde rechtshulp. [appellant] bestrijdt dat. Volgens hem is deze kwestie besproken, maar kwam [geïntimeerde] daarvoor niet in aanmerking. Bovendien beroept [appellant] zich op een betalingsregeling, te weten dat de (volledige) declaraties zouden worden betaald na effectuering van de boedelscheiding.

geen beroep op artikelen 32-40 Wtbz / artikelen 32-40 Wtbz niet van toepassing

5.3. [appellant] voert primair aan dat [geïntimeerde] geen beroep heeft gedaan op de artikelen 32-40 Wtbz, althans dat de kantonrechter dat ten onrechte in haar stellingen heeft gelezen. Voor zover [appellant] aldus beoogt te stellen dat het de kantonrechter niet vrijstond zich onbevoegd te verklaren, verwerpt het hof die stelling. Waar de artikelen 32-40 Wtbz een bijzondere rechtsgang aanwijzen voor het daar bedoelde geschil, dient de geädieerde gewone rechter, indien deze tot de conclusie komt dat het om een dergelijk geschil gaat, zich ambtshalve onbevoegd te verklaren.

5.4. De grieven slagen voor zover daarin wordt betoogd dat de regeling van de artikelen 32-40 Wtbz niet van toepassing is op een geschil over de vraag of gefinancierde rechtshulp had moeten worden aangevraagd en zou zijn verkregen. Weliswaar is het antwoord op deze vraag van invloed op de hoogte van de te sturen declaratie (die bij een positief antwoord beperkt zal zijn tot de eigen bijdrage), maar het betreft geen vraag over de hoogte van de declaratie in de in 5.1 bedoelde zin.

hoogte declaraties bestreden

5.5. [appellant] voert verder aan dat [geïntimeerde] de hoogte van de declaraties niet heeft bestreden, maar dat betoog wordt gepasseerd. Bij antwoord in eerste aanleg heeft zij immers gesteld:

“Het gaat er niet om, dat ik weiger te betalen; het gaat er om, dat het bedrag volgens mij onjuist is.

(…)”

Bij dupliek in eerste aanleg voegt zij daar aan toe:

“(…)

Mijn weigering tot nu toe is eigenlijk, omdat de gemelde bedragen niet juist of niet verifieerbaar zijn. (…)”

De vraag of [geïntimeerde] in eerste aanleg kenbaar bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de declaraties is daarbij in die zin in hoger beroep achterhaald, dat zij dat onder 18 van de memorie van antwoord in appel in ieder geval uitdrukkelijk doet. Ook bij het hangende een procedure alsnog betwisten van de hoogte van een advocatendeclaratie moet (voor dat deel; zie hierna in 5.8) de bijzondere begrotingsprocedure worden gevolgd uit de Wtbz.

beroep op onbevoegdheid niet in strijd met redelijkheid en billijkheid

5.6. [appellant] betoogt in de toelichting op zijn grieven dat het beroep op onbevoegdheid van de burgerlijke rechter op grond van artikelen 32-40 Wtbz in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid. Daartoe voert hij aan dat tijdens de behandeling van de zaken voor [geïntimeerde] regelmatig declaraties zijn gestuurd, waartegen niet is geprotesteerd of waarbij geen voorbehoud is gemaakt door [geïntimeerde], hetgeen zij overigens uitdrukkelijk betwist. Toen zij na een negatief appeladvies van Koster kantoor [appellant] wilde verlaten, heeft zij desverzocht het omvangrijke dossier meegekregen van [appellant], zonder dat daarvan kopie is achtergehouden – naar zeggen van [appellant] was daartoe vanwege het ontbreken van protest of voorbehoud ter zake zijn declaraties ook geen reden. Volgens [appellant] heeft hij (kopie van) het dossier opgevraagd bij de opvolgende advocaat van [geïntimeerde] na het vonnis in eerste aanleg, naar het hof begrijpt teneinde de declaraties ter begroting voor te kunnen leggen aan de Raad van Toezicht, die daartoe het integrale dossier nodig heeft. Dat heeft de opvolgende advocaat van [geïntimeerde] naar zeggen van [appellant] geweigerd, hetgeen volgens [appellant] voor risico van [geïntimeerde] komt en dit alles maakt een beroep op onbevoegdheid van de burgerlijke rechter in deze incassozaak in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus nog steeds [appellant].

5.7. Dat beroep wordt verworpen. Nu het geschil deels de hoogte van de declaraties betreft, dient daarvoor de begrotingsprocedure uit de Wtbz gevolgd te worden. Indien van Schaik daartoe medewerking behoeft van een opvolgende advocaat die deze medewerking niet verschaft, dient [appellant] daartoe geëigende (rechts)middelen in te zetten die hem daarvoor ten dienste staan (allereerst door bemiddeling van de Deken te verzoeken). Bovendien had [appellant] de mogelijkheid gehad het dossier niet af te geven, zolang zijn declaraties niet waren voldaan, althans had hij zelf kopieën kunnen achterhouden hangende de uitstaande declaraties. Het gaat bij die stand van zaken te ver het beroep van [geïntimeerde] op onbevoegdheid wegens toepasselijkheid van de begrotingsprocedure uit de Wtbz naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.

bevoegdheidsverdeling

5.8. Over de vraag hoe moet worden omgegaan met de bevoegdheidsverdeling in een geval als dit, waarbij sprake is van een ‘hoogtegeschil’ (bevoegd is uitsluitend de raad van toezicht en eventueel de in de artikelen 32-40 Wtbz bedoelde rechter) in combinatie met andere verweren met betrekking tot de declaraties (bevoegd is de ‘gewone’ burgerlijke rechter) wordt verschillend gedacht. Het hof is van oordeel dat, hoe onpraktisch misschien ook, de consequentie van het wettelijke systeem geen andere kan zijn dan dat de gewone rechter bevoegd is te oordelen over bedoelde andere verweren en dat het ‘hoogteverweer’ in de bijzondere procedure van de artikelen 32-40 Wtbz dient te worden beoordeeld. Het hof zal de beslissing waarvan beroep derhalve vernietigen voor zover de onbevoegdverklaring mede ziet op het verweer dat gefinancierde rechtshulp had moeten worden aangevraagd en over de vraag of een betalingsregeling is getroffen.

voor het overige: terugverwijzing

5.9. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat in geval van vernietiging wegens ongegrond bevonden onbevoegdverklaring zou moeten worden terugverwezen naar de kantonrechter. Dat is juist. De onderhavige (gedeeltelijk) ongegrond bevonden onbevoegdheidsverklaring wegens absolute onbevoegdheid is op een lijn te stellen met de in artikel 76 Rv bedoelde onbevoegdverklaring wegens het ontbreken van internationale rechtsmacht of in verband met een overeenkomst van arbitrage. Artikel 76 Rv zag immers oorspronkelijk op alle onbevoegdverklaringen (evenals artikel 358 Rv-oud) en de toevoeging ‘wegens ontbreken van rechtsmacht of in verband met een overeenkomst van arbitrage’ in het huidige artikel 76 Rv is blijkens de memorie van toelichting (TK 28 863, nr. 3, p. 6) opgenomen ‘louter ter verduidelijking’ om de relatie van artikel 75 lid 2 Rv op te helderen (vgl. ook HR 7 mei 1993, NJ 1993, 655). De kwestie van de gestelde tekortkoming in de zorgplicht door [appellant] ten aanzien van de vraag of gefinancierde rechtshulp had moeten worden aangevraagd en de vraag of partijen ter zake van de (integrale) declaraties een betalingsregeling zijn overeengekomen, dienen zodoende door de rechter naar wie wordt terugverwezen te worden behandeld.

5.10. Het hof acht het redelijk dat de proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd, waarbij partijen elk hun eigen kosten dienen te dragen. Over de proceskosten in eerste aanleg dient na terugverwijzing nader te worden beslist.

Beslissing

Het hof:

6.1. vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de onbevoegdverklaring ziet op het geschil over de vraag of [appellant] gefinancierde rechtshulp van [geïntimeerde] had moeten aanvragen en voor de vraag of partijen een betalingsregeling hebben getroffen, alsmede de proceskostenveroordeling;

6.2. verwijst de zaak in zoverre terug naar de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam;

6.3. bekrachtigt het vonnis voor het overige;

6.4. compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat elke partij haar eigen kosten dient te dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.H. Tanja-van den Broek, S.J. Schaafsma en

G.R.B. van Peursem en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2012 in aanwezigheid van de griffier.