Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5570

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
03-04-2013
Zaaknummer
200.109.270-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoefte, behoeftigheid, inkomensverlies en draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 19 december 2012

Zaaknummer : 200.109.270/01

Rekestnummer rechtbank : F1 RK 10-2745

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.C. Carli-Lodder te 's-Gravenhage,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.M. Smeets te Hellevoetsluis.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 2 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van 3 april 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 28 augustus 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De vrouw heeft op 8 oktober 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 5 november 2012 een brief van 1 november 2012 met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 30 oktober 2012 een brief van 29 oktober 2012 met bijlagen;

- op 2 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 5 november 2012 twee faxberichten van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 15 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 25 juli 2011.

Bij tussenbeschikking van 25 juli 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover thans van belang, ten laste van de man aan de vrouw een voorlopige uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.001,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve uitkering tot levensonderhoud van de vrouw is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met ingang van 3 april 2012 ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 1.776,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing om met ingang van 3 april 2012 ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toe te kennen van € 1.776,- per maand te vernietigen en, na de zaak in volle omvang te hebben bezien, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 3 april 2012 te bepalen op een bedrag groot € 7.500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een bijdrage te bepalen als het hof in redelijkheid meent te behoren.

3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit toelaat:

in principaal appel

de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen als ongegrond, dan wel niet bewezen, althans een zodanige beschikking te wijzen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

in incidenteel appel

de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing om met ingang van 3 april 2012 ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toe te kennen van € 1.776,- per maand te vernietigen en opnieuw beschikkende, de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man vast te stellen op een zodanig bedrag lager dan € 1.776,- bruto per maand als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, en wel met ingang van 3 april 2012, althans met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

in principaal en incidenteel appel

kosten rechtens.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel deze af te wijzen, althans een zodanige beschikking te wijzen als het hof in goede justitie meent te behoren.

Ingangsdatum

5. Nu daartegen in hoger beroep geen grief is gericht, gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de partneralimentatie, zijnde 3 april 2012.

Behoefte van de vrouw

6. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij een huwelijksgerelateerde behoefte heeft van € 5.744,- netto per maand. Volgens de vrouw dient onder andere rekening gehouden te worden met de maandelijkse lasten van een (toekomstige) hypothecaire geldlening voor haar woning, de kosten voor het openbaar vervoer, massagekosten, de gehele post “giften”in verband met reizen naar Japan, de volledige kosten van de tuinman, de hulp in de huishouding en de glazenwasser. Ook dient rekening te worden gehouden met de kosten van een pensioenverzekering, aldus de vrouw.

7. De man is van mening dat de behoefte van de vrouw niet op basis van de zogenaamde Hofnorm dient te worden vastgesteld, maar haar behoefte getoetst dient te worden aan de hand van een behoefteberekening en de daaraan ten grondslag liggende verificatoire bescheiden.

8. Het hof overweegt als volgt. Nu de man zich niet kan verenigen met het hanteren van de Hofnorm, geldt voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw als uitgangspunt dat rekening gehouden dient te worden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. Het hof gaat uit van het door de vrouw als productie 9 bij haar verweerschrift in incidenteel appel overgelegde behoefteoverzicht. In het hiernavolgende zal het hof de door de vrouw opgevoerde posten puntsgewijs bespreken, nu de man een aantal van deze posten betwist.

Huisvesting

9. Het hof acht de post huisvesting van € 620,- per maand niet bovenmatig ook al heeft de vrouw deze lasten op dit moment niet. De vrouw stelt zich terecht op het standpunt dat rekening dient te worden gehouden met deze post, omdat onzeker is of de voormalig echtelijke woning bij de verdeling aan haar wordt toegescheiden en of zij ter financiering van een eventuele overbedelingsschuld een hypothecaire geldlening nodig zal hebben.

Gebruikerslasten

10. Het hof acht de door de vrouw opgevoerde post gebruikerslasten van in totaal € 543,39 per maand, gebaseerd op de gebruikerslasten van de voormalig echtelijke woning, niet bovenmatig.

Verzekeringen en onderhoud woning

11. Het hof zal rekening houden met de kosten voor de opstal- en inboedelverzekering van in totaal € 62,31 per maand.

12. Verder houdt het hof rekening met een bedrag van € 180,- per maand aan kosten ten behoeve van de huishoudelijke hulp, een bedrag van € 115,- voor het onderhoud van de tuin en een bedrag van € 35,- per maand ten behoeve van de glazenwasser, nu de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten ook ten tijde van het huwelijk gemaakt werden. Daarnaast acht het hof een bedrag van € 300,- per maand ten behoeve van het algemene onderhoud van de woning redelijk.

13. Het hof houdt geen rekening met de posten “andere lasten 1”, nu niet gebleken is dat deze post structurele, maandelijkse lasten betreffen.

Dagelijks levensonderhoud

14. Het hof houdt – gelet op de welstand ten tijde van het huwelijk – rekening met een bedrag van € 568,67 per maand aan boodschappen (inclusief lunch & take away).

15. Verder acht het hof het redelijk om met de helft van de post kleding rekening te houden, zijnde € 487,- per maand.

16. Het hof acht het eveneens redelijk om met de helft van kostenpost “andere lasten 2” (reparatie schoenen, haar- en gezichtsproducten) rekening te houden, zijnde € 186,- per maand.

Vervoer

17. Het hof zal rekening houden met de vervoerskosten (brandstof, parkeerkosten, onderhoud auto, kosten openbaar vervoer en andere kosten) van in totaal € 357,30 per maand, nu deze kostenpost niet bovenmatig is.

Vaste uitgaven

18. Het hof zal rekening houden met een premie ziektekostenverzekering van € 140,52 per maand en een eigen risico van € 17,- per maand.

19. Voorts zal het hof rekening houden met de abonnementskosten van € 20,66 per maand, de kosten ten behoeve van de kabeltelevisie van € 7,- per maand en andere vaste uitgaven van

€ 3,35 per maand.

Ontspanning

20. Verder zal het hof rekening houden met de helft van de door de vrouw opgevoerde post “Ontspanning”, zijnde € 726,27 per maand, nu deze uitgaven er tijdens het huwelijk waren en een onderdeel vormen van de op de mate van welstand gebaseerde behoefte.

Overige uitgaven

21. Het hof houdt geen rekening met de post overige uitgaven, nu de vrouw niet heeft aangetoond dat zij deze kosten ook daadwerkelijk maakt.

22. Gelet op het voorgaande stelt het hof de behoefte van de vrouw dan ook vast op € 4.369,47 netto per maand.

Behoeftigheid van de vrouw

23. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 1.915,- netto per maand als fictief arbeidsinkomen in mindering heeft gebracht op haar behoefte. Volgens de vrouw heeft zij tijdens het huwelijk wel gewerkt, maar niet aaneensluitend, niet voltijds en uitsluitend voor Japanse bedrijven. Zij betwist dat de beëindiging van haar laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij [laatste werkgever vrouw] haar aan te rekenen valt, nu het binnen de Japanse cultuur als werknemer onbehoorlijk is om zich ziek te melden en dit directe gevolgen heeft voor het vinden van een nieuwe baan. Een werknemer kan daarom beter de eer aan zichzelf houden en het dienstverband beëindigen. Verder wijst de vrouw erop dat bij de bepaling van haar behoefte rekening gehouden is met eigen inkomsten van € 2.560,- per maand, terwijl zij in de jaren daarvoor minder verdiende. Dit inkomen acht zij gezien haar arbeidsverleden dan ook niet representatief. Ondanks dat zij zich na het beëindigen van haar dienstverband bij [laatste werkgever vrouw] enorm heeft ingespannen een nieuwe baan te vinden, is dat tot op heden niet gelukt, aldus de vrouw.

24. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw redelijkerwijs in staat is voldoende inkomsten te verwerven om in haar levensonderhoud te voorzien. Volgens de man is de vrouw gezond, zijn er geen minderjarige kinderen die verzorging en opvoeding nodig hebben en beschikt de vrouw over een bovengemiddelde opleiding. Verder heeft de vrouw tijdens het huwelijk van partijen het nodige aan werkervaring opgedaan bij diverse goed bekend staande internationale bedrijven. De man acht de vrouw – gelet op haar arbeidsverleden – in staat een inkomen van € 33.000,- per jaar te kunnen verwerven, temeer omdat zij dit salaris bij een parttime dienstverband ontving. Voorts is de man van mening dat de vrouw willens en wetens een situatie van werkloosheid over zichzelf heeft afgeroepen door het initiatief te nemen om de arbeidsovereenkomst bij [laatste werkgever vrouw] tussentijds op te zeggen. Volgens de man heeft zij daarna nagenoeg geen initiatieven ontplooid om aan het werk te geraken.

25. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat nu de vrouw zelf ontslag bij [laatste werkgever vrouw] heeft genomen er sprake is van een verwijtbaar inkomensverlies. Dat haar werkgever haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou verlengen, is door de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt. Evenmin is gebleken dat de vrouw niet in staat is om te werken. De verklaring van psychotherapeut [naam psychotherapeut] van 20 september 2012 en het roljournaal van huisarts [naam huisarts] zijn daartoe onvoldoende. Het hof zal met dit inkomensverlies derhalve geen rekening houden en het inkomen dat zij verdiende bij [laatste werkgevervrouw],zijnde € 1.915,- netto op haar behoefte in mindering brengen.

26. Op grond van het vorenstaande moet het ervoor worden gehouden dat de vrouw niet in staat is volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien en een aanvullende behoefte aan partneralimentatie heeft van € 2.454,47 netto per maand.

Draagkracht man

inkomen

27. Het hof gaat uit van een bruto jaarinkomen van € 175.821,- als vermeld in de draagkrachtberekening van de man (productie 22). Het hof houdt geen rekening met een bonusuitkering, nu aannemelijk is dat de man deze niet (meer) ontvangt. Voorts houdt het hof rekening met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage zorgverzekering van

€ 2.591,- per jaar en een levensloopbijdrage van € 152,- per maand, alsmede met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting.

lasten

28. Het hof houdt voorts rekening met de nominale premie zorgverzekering van € 107,80 per maand, de premie aanvullende zorgverzekering van € 60,30 per maand, een eigen risico van € 17,- per maand, en verder met de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter van partijen van € 888,- per maand.

29. Voorts houdt het hof rekening met de door de man opgevoerde woonlasten van € 2.000,- per maand, nu dit bedrag in verhouding tot zijn besteedbaar inkomen per maand en gelet op de welstand van partijen ten tijde van hun huwelijk, niet onredelijk is.

30. Het hof houdt geen rekening met een last van netto € 500,- in verband met de fiscale bijtelling voor een leaseauto van zijn werkgever. Het bruto jaarinkomen is berekend op basis van het maandsalaris zonder fiscale bijtelling wegens de auto.

31. Het hof houdt voorts in redelijkheid gedurende één jaar rekening met de opgevoerde advocaatkosten ten bedrage van € 100,- per maand, omdat de man, die niet in aanmerking komt voor gefinancierde bijstand, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij advocaatkosten heeft gemaakt waarvoor hij geen liquide middelen voorhanden heeft.

32. Met de door de man opgevoerde accountantskosten zal het hof geen rekening houden, nu de man deze last – mede gelet op zijn verklaring ter zitting dat deze kosten zowel ten behoeve van zijn B.V. als in privé zijn gemaakt – onvoldoende heeft onderbouwd.

33. Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde doorlopende uitgaven, kosten herinrichting en andere kleinere kostenposten, nu hij deze niet voldoende heeft onderbouwd.

34. Voor het overige houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

35. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man – rekening houdende met het fiscaal voordeel – slechts een alimentatie voor de vrouw toelaat van € 4.268,- per maand, welke alimentatie in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het hof zal de bestreden uitspraak derhalve in zoverre vernietigen.

36. Met de vaststelling van de partneralimentatie op een bedrag van € 4.268,- per maand ontstaat niet de situatie waarin de vrouw meer vrij besteedbaar inkomen overhoudt dan de man.

Proceskosten

37. Het hof ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten in beide instanties compenseren. Het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten zal het hof dan ook afwijzen.

38. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 3 april 2012 op € 4.268,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Van Dijk en Ydema, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2012.