Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5420

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
25-03-2013
Zaaknummer
BK-11/00734
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OZB. Art 7:15 Awb. Proceskostenvergoeding bezwaarfase door onrechtmatigheid inspecteur bij aanslagoplegging. Het risico van onjuistheden in de administratie van gebruikers van niet-woningen bij het opleggen van aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen dient voor rekening te komen van de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0896
V-N Vandaag 2013/780
V-N 2013/18.23.5
Belastingblad 2013/216

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00734

Uitspraak van de meervoudige belastingkamer d.d. 5 december 2012

in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X], gevestigd te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Katwijk, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 augustus 2011, nummer AWB 11/1265, betreffende na te vermelden aanslagen.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2010 wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z], aanslagen opgelegd in de onroerendezaakbelastingen en de rioolrechten van de gemeente Katwijk tot een totaalbedrag van € 229,56

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen tijdig een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur en daarbij verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

1.3. Bij in een geschrift,gedagtekend 9 juli 2010, vervatte uitspraken is de Inspecteur tegemoetgekomen aan belanghebbendes bezwaren en heeft hij de aanslagen verminderd omdat belanghebbende op 1 januari 2010 niet de gebruiker was van de onroerende zaak. Het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding heeft hij afgewezen.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 298 is geheven. Het beroep is uitsluitend gericht tegen de weigering van de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

1.6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 454 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 oktober 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1 tot en met 3 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“1.  Eiseres was tot 30 juni 2009 eigenaar en gebruiker van het pand gelegen aan [a-straat 1] te [Z] (hierna: het object). Met ingang van 1 juli 2009 verhuurt zij het object aan een andere BV die vanaf die datum de gebruiker is.

 

2.  Aan eiseres zijn met dagtekening 28 februari 2010 aanslagen voor het jaar 2010 opgelegd in de onroerendezaakbelastingen en de rioolrechten ter zake van het gebruik van het object (hierna: de aanslagen). Het totaalbedrag van de aanslagen bedraagt € 229,56. Eiseres heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. In haar bezwaarschrift heeft eiseres verzocht om vergoeding van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt.

 

3.  Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de aanslagen gegrond verklaard en de aanslagen verminderd omdat eiseres niet op 1 januari 2010 de gebruiker was van het object. Verweerder heeft eiseres geen kostenvergoeding toegekend omdat het feit dat de aanslag ten onrechte is opgelegd niet het gevolg is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Eiseres stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid omdat verweerder niet heeft gezorgd dat zijn administratie op orde is.”

 

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of aan belanghebbende terecht aanspraak maakt op vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

 

4.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

 

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en tot veroordeling van Inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt, één en ander op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

 

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“4.  Niet in geschil is dat noch eiseres noch de gebruiker van het object, verweerder op de hoogte heeft gesteld van het feit dat eiseres per 1 juli 2009 niet langer de gebruiker was. Verweerder heeft voorts onweersproken gesteld dat hij eerst via de aanvulling op het bezwaarschrift hiervan op de hoogte is gekomen en dat ook bij de regelmatig door verweerder uitgevoerde “zichtcontroles” niet is gebleken dat zich op het desbetreffende adres een ander bedrijf had gevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van zijn gegevens en mocht hij er van uitgaan dat eiseres op 1 januari 2010 nog steeds de gebruiker was van het object. Het is daarom niet aan de onrechtmatigheid van verweerder te wijten dat hij in eerste instantie de aanslagen heeft opgelegd aan eiseres. Er is dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb die noopt tot een vergoeding van de kosten van bezwaar.

 

5.  Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

 

6.  De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

 

Beoordeling van het hoger beroep

 

7.1. Anders dan de rechtbank is het Hof – mede gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken – van oordeel dat het risico van onjuistheden in de administratie van gebruikers van niet-woningen bij het opleggen van aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor rekening dient te komen van de gemeente.

7.2. Nu het bezwaar uitsluitend met betrekking tot de onderhavige aanslag gegrond is verklaard en de gegrondverklaring enkel zijn oorzaak kent in de onjuiste tenaamstelling van de aanslag, stelt het Hof met in achtneming van het bepaalde in artikel 7:15 van de Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken met de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag vast op € 54,50 (€ 218 x 1 x 0,25 (gewicht van de zaak)).

 

 

Proceskosten en griffierecht

 

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 437 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep: 4 punten à € 437 x 0,25 (gewicht van de zaak). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

 

8.2. Voorts dient de Inspecteur het voor de behandeling in beroep en in hoger beroep gestorte griffierecht van € 752 aan belanghebbende te vergoeden.

 

 

Beslissing

Het Gerechtshof:

-  vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kosten van bezwaar,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar waarbij de vergoeding wordt vastgesteld op € 54,50,

-  veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 437;

-  gelast de gemeente Katwijk het voor deze zaak in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 752 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.J.J. Engel, mr. B. van Walderveen en mr.drs.

T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 5 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.