Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ3743

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
12-03-2013
Zaaknummer
200.112.530-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing na gezag. Contactherstel tussen moeder en minderjarige zal meer kans hebben na ontheffing. Perspectief minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer. : 200.112.530/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-1633

[verzoeker],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.R.D. Kommer te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader;

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 31 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 juli 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 18 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 25 september 2012 het hoger beroepschrift (nogmaals, deze keer) met bijlagen;

van de zijde van de raad:

- op 17 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage, het raadsrapport van 17 februari 2012.

De zaak is op 7 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en haar begeleider van Stichting Humanitas, de heer E. Neuteboom;

- mevrouw M. Koot namens de raad;

- de heer R. Grootes namens Jeugdzorg.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord.

Na de zitting is ter griffie op 7 november 2012 een fax ingekomen van de zijde van Jeugdzorg. Het hof zal daar geen acht op slaan daar het hof Jeugdzorg niet meer in de gelegenheid heeft gesteld om nog een stuk in te dienen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige). Jeugdzorg is benoemd tot voogdes over de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van het gezag van de moeder over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (zo begrijpt het hof), opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het inleidend verzoek van de raad af te wijzen en de moeder niet te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

3. De moeder voert daartoe het volgende aan. De moeder beaamt dat zij sinds de uithuisplaatsing van de minderjarige tijdelijk problemen heeft gehad ten gevolge van de uithuisplaatsing. De moeder miste de minderjarige heel erg en heeft er alles aan gedaan om een goede en veilige leefomgeving te creëren om een terugplaatsing van de minderjarige te bevorderen. De moeder heeft ook haar persoonlijke leven ingrijpend veranderd en stelt dat zij ten onrechte wordt afgeschilderd als een moeder die verslaafd zou zijn terwijl zij dit achter zich heeft gelaten. Juist doordat het goed ging met de moeder is de minderjarige bij haar teruggeplaatst. Tengevolge van een tijdelijke terugval is de minderjarige weer uit huis geplaatst. Juist in het belang van de minderjarige heeft de moeder zich op de achtergrond opgesteld. Zij heeft vrede met de plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin op maat en dat zij vanuit hier de weg naar volwassenheid zal ingaan. De moeder zal haar medewerking aan de geboden hulp verlenen. Zij ziet dan ook niet de meerwaarde van een verder strekkende maatregel ook omdat de minderjarige binnen afzienbare tijd achttien jaar wordt.

Volgens de moeder is het belang van de minderjarige niet voldoende meegewogen door de rechtbank. Verder stelt de moeder dat zij alles in het werk heeft gesteld om medewerking te verlenen aan de hulpverlening in het verplichte en het ambulante kader.

De moeder beaamt dat de minderjarige recht heeft op duidelijkheid omtrent het opvoedingsperspectief, wil een ongestoorde hechting in het pleeggezin plaatsvinden. De moeder heeft ter zitting bij het hof verklaard dat zij contact wil hebben met de minderjarige om zo een goede band met haar op te bouwen. Jeugdzorg houdt het contact tegen. Voor de moeder is van belang dat zij zicht heeft op wat er gebeurt met de minderjarige, dat zij (mede) kan bepalen wat er met haar gebeurt, en dat zij kan beslissen over belangrijke zaken zoals haar studie.

4. Jeugdzorg verweert zich en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van die beschikking, af te wijzen.

Jeugdzorg heeft ter zitting bij het hof in aanvulling op haar verweerschrift gesteld dat, naar mate de minderjarige meer rust krijgt, zij zich ook beter kan richten op haar toekomst. De moeder wil contact met de minderjarige maar dan alleen op haar voorwaarden. Er staat veel spanning op de relatie tussen de minderjarige en de moeder.

Jeugdzorg maakt zich zorgen over dingen die in het leven van de moeder gebeuren. Verder is de moeder volgens Jeugdzorg niet in staat om de minderjarige die regels en begrenzing te geven die zij nodig heeft. De minderjarige heeft iemand nodig die haar bijstaat, de moeder zal dat moeten accepteren. De moeder onttrekt zich aan het zicht van Jeugdzorg waardoor contact met haar zeer moeilijk wordt.

In het verleden is er contact geweest tussen de vader en de minderjarige. De relatie tussen hen ligt ingewikkeld. De vader heeft een traditionele Hindoestaanse manier van opvoeden en dat botst met de opvoeding die de minderjarige nu krijgt. Het contact tussen de minderjarige en de vader is inmiddels verbroken.

5. De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het verzoek tot ontheffing wordt gehandhaafd, mede gezien de stukken die door Jeugdzorg zijn overgelegd. Gebleken is dat het contact tussen Jeugdzorg en de moeder niet goed verloopt. Daarnaast is er duidelijkheid nodig over de toekomst voor de minderjarige. De raad acht de ontheffing in het belang van de minderjarige.

6. Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Krachtens artikel 1:268, eerste lid, BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging in artikel 1:254, eerste lid, BW af te wenden.

7. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt daarnaast dat uit het dossier en de informatie die Jeugdzorg tijdens de zitting in hoger beroep heeft gegeven is gebleken dat de moeder, mede gelet op haar eigen problematiek, de minderjarige niet kan bieden wat zij nodig heeft. Voor het hof staat vast dat de moeder onmachtig is. Het hof constateert dat de moeder – doordat zij bij voortduring niet beschikbaar is of kan zijn voor de minderjarige – onvoldoende in staat is invulling te geven aan enige vorm van opvoeding van de minderjarige. Daarnaast ziet zij onvoldoende in hoe haar eigen handelen van invloed is op een evenwichtige groei van de minderjarige. De opstelling van de moeder leidde in het verleden bij de minderjarige telkens weer tot opstandig en grensoverschrijdend gedrag en concentratieverlies. Uit de antwoorden van de moeder ter zitting bij het hof blijkt dat de moeder de minderjarige niet met rust laat, althans niet kan laten. De moeder stelt dat zij zich terugtrekt, terwijl zij juist contact zoekt met de minderjarige buiten de hulpverlening om. Vanuit haar behoefte aan contact met de minderjarige wil zij invloed uitoefenen op de opvoeding van de minderjarige en op haar toekomstplannen, bijvoorbeeld ten aanzien van haar studie. Het hof acht het niet in het belang van de minderjarige om een zo mogelijk goed contactherstel tussen de moeder en de minderjarige te laten lopen via de invloed van gedragingen en beslissingen van de moeder als gezagsdrager. Juist bij een voortzetting van de situatie dat gezag bij de moeder berust zou er een belasting bijven bestaan rond contactherstel. Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat zij, zonder dat zij afhankelijk is van de moeder, haar toekomst, onder begeleiding van haar huidige voogd, invulling kan geven. De verhouding met de moeder, zonder gezag, zal de toekomstplannen van de minderjarige veel minder kunnen verstoren.

Aan een terugplaatsing bij de moeder wordt niet meer gewerkt en de onzekerheid over het opvoedingsperspectief blijft toch in een zekere mate voortduren zolang de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voortduren. Gelet op het feit dat de minderjarige vanaf 8 juli 2003 tot 1 juli 2006 en vanaf 14 april 2008 tot heden uit huis is geplaatst, dat zij zich inmiddels goed ontwikkelt en hecht in het ‘Gezin op Maat’ waar zij sinds januari 2010 woont en dat zij zich daar gelukkiger, sterker en stabieler voelt, acht het hof het in het belang van de minderjarige dat haar verblijf daar bevestigd wordt middels de maatregel van de ontheffing van het gezag.

8. Het hof is dan ook van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige is voldaan.

9. Dit leidt tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

draagt de griffier van het hof op van deze beslissing onverwijld mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Amsterdam.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Leuven en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.