Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ3737

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
12-03-2013
Zaaknummer
200.112.794-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing. Moeder is onmachtig. Omgang tussen de moeder en de minderjarige loopt niet goed. Hof stelt vraag bij beleidsvoornemen van Jeugdzorg om deze omgangsregeling in de toekomst te beperken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer. : 200.112.794/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-2384

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.J.W. de Water te Katwijk,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.M. Volwerk te Leiden,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg te Leiden,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als degenen wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, zijn aangemerkt:

[pleegouder 1] en [pleegouder 2],

wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 4 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 juni 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 8 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de moeder: op 29 oktober 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 7 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw M. Koot en mevrouw N. van den Bogaard namens de raad;

- mevrouw S. Mulder en mevrouw J. Wortelboer namens Jeugdzorg;

- de pleegouders.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige) en is Jeugdzorg tot voogdes benoemd over de minderjarige. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof haar ontvankelijk te verklaren in haar beroep en de bestreden beschikking te vernietigen, en (zo begrijpt het hof) het inleidende verzoek van de raad alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

3. De moeder stelt daartoe het volgende. De rechtbank schept geen realistisch beeld door te overwegen dat de moeder vanwege haar beperkte functioneren zelf zeer de behoefte heeft om verzorgd te worden. De moeder is wel degelijk in staat om zelfstandig te functioneren. De moeder betwist voorts dat zij de bezoekregeling met de minderjarige niet nakomt. Ook betwist zij dat zij de minderjarige heeft blootgesteld aan ernstige verwondingen. Zij heeft direct actie ondernomen en een arts geraadpleegd toen zij een blauw plekje bij de minderjarige constateerde. Verder stelt de moeder dat haar leefsituatie niet instabiel is. Zij heeft nimmer drugs gebruikt in aanwezigheid van de minderjarige, zij heeft haar relatie met de vader van de minderjarige verbroken en geen drugs meer gebruikt.

De moeder is van mening dat de rechtbank de beslissing had dienen aan te houden in afwachting van de afronding van de strafzaak die tegen haar loopt.

Ter zitting bij het hof heeft de moeder in aanvulling op haar beroepschrift gesteld dat zij thans bij haar ouders woont en bij haar vader werkt. In januari 2013 gaat zij zelfstandig wonen. De moeder heeft een nieuwe vriend. Zij is slechts een keer niet op de bezoekregeling verschenen omdat zij toen erg ziek was, zij had keelpijn en wilde de minderjarige niet aansteken. Ten aanzien van de verwondingen van de minderjarige betoogt de moeder dat de vader inmiddels heeft erkend dat hij de minderjarige in de box heeft gegooid. Er is nog veel onduidelijkheid omtrent de strafzaak zodat het volgens de moeder voorbarig is om haar nu te ontheffen van het gezag.

4. De raad bestrijdt het beroep en handhaaft zijn verzoek. De contactregeling tussen de moeder en de minderjarige loopt niet goed. De moeder heeft meerdere keren de afspraken afgezegd. De minderjarige kan in het pleeggezin blijven tot zijn achttiende verjaardag en is zich daar ook aan het hechten. Het zou niet goed zijn om de minderjarige nu weer te verplaatsen. De minderjarige heeft duidelijkheid nodig.

5. De vader verzet zich tegen de inhoud en strekking van het beroepschrift van de moeder. Hij kan zich verenigen met de bestreden beschikking en acht het zeker niet in het belang van de minderjarige dat de bestreden beschikking wordt vernietigd.

6. Jeugdzorg heeft ter zitting bij het hof naar voren gebracht dat het letsel van de minderjarige los staat van de verderstrekkende maatregel. Van belang is dat beide ouders niet in staat zijn gebleken om de minderjarige te beschermen tegen het oplopen van letsel. Tot nu toe is niet duidelijk wat er met de minderjarige is gebeurd. Er is nog geen sprake van een officiële bekentenis.

7. Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Krachtens artikel 1:268, eerste lid, BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging in artikel 1:254, eerste lid, BW af te wenden.

7. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt daarnaast als volgt. Uit het dossier en de informatie die Jeugdzorg tijdens de zitting in hoger beroep heeft gegeven is gebleken dat de maatregel van ontheffing is gebaseerd op de navolgende gronden:

• de ouders hebben niet weten te voorkomen dat de minderjarige ernstig letsel heeft opgelopen;

• nog altijd is onduidelijk hoe de minderjarige zijn verwondingen heeft opgelopen;

• de ouders hebben beiden inconsistente verklaringen rond de toedracht van het ontstaan van het letsel afgelegd;

• de moeder is niet eerlijk geweest over het gebruik van drugs;

• de bezoekregeling wordt door de moeder nog altijd niet goed nagekomen;

• de minderjarige heeft last van de onberekenbaarheid van de moeder.

Uit al deze feiten, die voor het hof voldoende zijn komen vast te staan en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat de moeder onmachtig is om de verzorging en opvoeding van de minderjarige binnen afzienbare tijd ter hand te nemen. Een ander belangrijk aspect hierbij is dat het hechtingsproces dat de minderjarige thans bij de pleegouders doorloopt, niet onderbroken mag worden.

8. Uit het voorgaande volgt dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om uitvoering te geven aan het ouderlijk gezag over de minderjarige en dat er gegronde vrees bestaat dat de maatregel van uithuisplaatsing door deze ongeschiktheid en onmacht van de moeder onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of de geestelijke belangen van de minderjarige af te wenden. Het belang van de minderjarige verzet zich daar niet tegen. Het hof is dan ook van oordeel, mede gelet op het feit dat de minderjarige ruim twee jaren uit huis is geplaatst en bij de pleegouders woont en hij daar (in elk geval) tot zijn achttiende jaar kan blijven wonen, dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige is voldaan.

9. Het hof voegt nog toe dat het hof van Jeugdzorg heeft vernomen dat Jeugdzorg de intentie heeft om, in geval de ontheffing wordt bekrachtigd, de frequentie van de bezoekregeling tussen de moeder en de minderjarige verder te verminderen. Het hof vraagt zich af of dat in het belang van de minderjarige is. Het hof gaat er van uit dat Jeugdzorg de vraag die het hof hierover ook ter zitting heeft gesteld nog uitdrukkelijk zal betrekken in haar overweging met betrekking tot haar voornemen om de bezoekregeling te verminderen.

Voorts gaat het hof er van uit dat Jeugdzorg, zoals Jeugdzorg ter zitting heeft verklaard, met de moeder in gesprek zal gaan om te waarborgen dat de bestaande bezoekregeling zal worden nagekomen door de moeder.

10. Het hof zal als volgt beslissen en zal de proceskosten tussen partijen compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

draagt de griffier op onverwijld mededeling te doen van deze beslissing aan de griffier van de rechtbank Den Haag;

compenseert de proceskosten van partijen in hoger beroep aldus dat ieder partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mink en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.