Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ2625

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
04-03-2013
Zaaknummer
200.106.989-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag. Nader onderzoek wordt door het hof niet gelast, gelet op de houding van en omstandigheden rond de moeder in het verleden. Verzoek van de vader hem tot voogd te benoemen, vindt plaats voor het eerst in hoger beroep. Hoewel hij eigenlijk niet-ontvankelijk is, beoordeelt het hof het verzoek ook inhoudelijk en wijst het af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 18 juli 2012

Zaaknummer. : 200.106.989/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-100

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. G.A.S. Maduro te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de vader van de oudste minderjarige],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader van [de oudste minderjarige],

advocaat mr. drs. M.J.G. Schroeder te Voorburg,

2.de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Diemen,

hierna te noemen: de WSS,

optredend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

3. de pleegouders van de minderjarigen,

wonende op een bij de WSS bekend adres.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 16 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 maart 2012 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 7 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum zonder bijlagen, op 12 juni 2012 ingekomen als brief van 4 juni 2012 met bijlagen;

van de raad:

- op 14 juni 2012 een brief van 13 juni 2012 met bijlage.

De zaak is op 21 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de heer [A] (tolk Papiaments);

- de heer [B] namens de raad;

- de vader van [de oudste minderjarige], bijgestaan door zijn advocaat.

- mevrouw [C] namens de WSS;

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De pleegouders zijn niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder van het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarigen ontheven en is Jeugdzorg benoemd tot voogdes over de minderjarigen. Voorts is bepaald dat de maatregel zal worden uitgevoerd door de WSS.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat uit de moeder zijn geboren:

- [in 2003] te [geboorteplaats]: [de oudste minderjarige] (verder: [de oudste minderjarige]), en

- [in 2008] te [geboorteplaats]: [de jongste minderjarige] (verder: [de jongste minderjarige])

(hierna gezamenlijk ook: de minderjarigen).

In hoger beroep is onweersproken gesteld dat de vader van [de oudste minderjarige] de biologische vader van [de oudste minderjarige] is.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de raad strekkende tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag, af te wijzen. Kosten rechtens.

3. Ter onderbouwing van het hoger beroep stelt de moeder dat in het geheel geen sprake is van een zorgelijke opvoedingssituatie, maar dat de minderjarigen bij haar liefdevol zijn opgevoed en dat zij in dat kader niets te kort kwamen. Jeugdzorg schetst ten onrechte een eenzijdig negatief beeld van de situatie. Het is niet de moeder die ervoor heeft gezorgd dat het onderzoek bij het Ambulatorium is gestagneerd. De moeder voelt zich niet neutraal behandeld door (overheids-) instanties. Door de WSS is nimmer gewerkt aan herstel van de verzorgings- en opvoedingssituatie. Na de uithuisplaatsing vertonen de minderjarigen apart gedrag. De moeder acht zichzelf in staat zelfstandig voor de minderjarigen te zorgen. Nader onderzoek hiernaar is nodig, eveneens naar het antwoord op de vraag waarom zij zich zo negatief opstelt ten opzichte van bepaalde instanties, aldus de moeder.

4. De raad heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verweer gevoerd, stellende dat de rechtbank terecht de moeder heeft ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

5. De WSS heeft eveneens bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verweer gevoerd. De WSS heeft naar voren gebracht dat zij de afgelopen anderhalf jaar vergeefs hebben getracht in overleg te treden met de moeder. Tijdens de begeleide contacten met de minderjarigen verscheen de moeder eveneens vaak niet. Dit zorgde voor teleurstelling bij de minderjarigen. Er heeft recent een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van de advocaat van de moeder en na de zomervakantie zal getracht worden het contact tussen de moeder en de minderjarigen te hervatten.

6. De vader van [de oudste minderjarige] heeft ter zitting gesteld dat de moeder in staat is de verzorging van de minderjarigen op zich te nemen en dat hij, tezamen met de moeder, het gezag over de minderjarigen kan uitoefenen. Hij meent ten onrechte niet in het onderzoek van de raad te zijn betrokken. Voor zover de moeder toch zou worden ontheven van het ouderlijk gezag, dan verzoekt de vader van [de oudste minderjarige] benoemd te worden tot voogd. In september 2012 zal waarschijnlijk het contact tussen de vader van [de oudste minderjarige] en [de oudste minderjarige] hersteld worden, zodat de vader verzoekt om aanhouding tot september 2012.

Ontheffing moeder

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de moeder zich in de onderhavige zaak verzet, ligt ter toetsing aan het hof voor de vraag of na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, dan wel na een uithuisplaatsing van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid van het kind af te wenden.

8. Uit het beroepschrift noch ter terechtzitting in hoger beroep zijn feiten en/of omstandigheden gebleken op grond waarvan het hof tot een ander oordeel komt dan de rechtbank inzake de ontheffing van het gezag van de moeder over de minderjarigen. Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in de bestreden beschikking gebezigde gronden en neemt deze over. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.

De minderjarigen staan sinds 14 mei 2009 onder toezicht van de WSS en zijn met ingang van die datum tevens uithuisgeplaatst. In de thuissituatie was op dat moment sprake van een zorgelijke situatie, zo ging [de oudste minderjarige], onder meer, niet naar school. De moeder stelt zich afwerend en wantrouwend op tegenover de hulpverlenende instanties. Het onderzoek van het Ambulatorium naar de pedagogische vaardigheden van de moeder is niet van de grond gekomen doordat de moeder (na een eenmalig contact en ondanks vergeefse inspanningen van de onderzoekster) alle contacten heeft afgehouden. Een nader onderzoek acht het hof niet noodzakelijk, nu het hof, gelet op het ter zitting verhandelde, verwacht dat de moeder ook thans haar medewerking niet zal verlenen. Sinds maart 2011 heeft de moeder de minderjarigen niet meer gezien aangezien zij niet meer is verschenen bij de begeleide contacten. In het verleden heeft dit geleid tot teleurstellingen bij de minderjarigen. Het hof is van oordeel dat de moeder daarmee niet op een verantwoorde wijze invulling heeft gegeven aan haar rol als gezagdragende ouder. Zij is onmachtig en ongeschikt om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Het hof verwacht niet dat daar in de toekomst - eventueel mede met behulp van de vader van [de oudste minderjarige] - verandering in zal optreden, gelet op de duur van de periode waarin deze problemen zich steeds hebben voorgedaan. Het ligt naar het oordeel van het hof niet op de weg van de raad en/of de WSS te onderzoeken waarom de moeder zich zo negatief opstelt ten opzichte van bepaalde instanties.

Met de minderjarigen gaat het thans beter bij de pleegouders. [de oudste minderjarige] heeft een posttraumatische stresstoornis, problemen binnen zijn primaire steungroep, een hechtingsstoornis en een sociaal-emotionele achterstand. Sinds december 2011 gaat hij naar speltherapie. Bij [de jongste minderjarige] is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, fijnemotorische problemen en een taalspraakachterstand. Hij is onder behandeling bij een logopedist. Het hof is van oordeel dat het belang van een voortgezette hechting van de minderjarigen in het pleeggezin zwaarder is komen te wegen dan het belang van de moeder bij hereniging en daarmee bij voortduring van het ouderlijk gezag. Het is voor de minderjarigen van belang dat er rust, stabiliteit en duidelijkheid komt omtrent hun situatie. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen de ontheffing.

Benoeming vader van [de oudste minderjarige] tot voogd en aanhouding

9. De vader van [de oudste minderjarige] heeft, eerst ter zitting, verzocht te worden benoemd tot voogd alsmede aanhouding tot september 2012. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Noch daargelaten dat een dergelijk zelfstandig verzoek, gelet op het bepaalde in artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan en dat dit verzoek tot benoeming tot voogd op grond van artikel 1:275, tweede lid, BW, bovendien schriftelijk dient te worden ingediend, is het hof van oordeel dat het belang van de minderjarigen - mede gelet op hun problematiek - zich ertegen verzet dat de vader van [de oudste minderjarige] wordt belast met de voogdij. Immers, hij is sinds 2009 niet meer betrokken in de opvoeding van [de oudste minderjarige]. Onbekend is of hij ooit betrokken is geweest bij de opvoeding van [de jongste minderjarige]. De minderjarigen zijn gebaat bij duidelijkheid omtrent hun situatie. Een eventuele aanhouding zal belastend voor de minderjarigen kunnen zijn. De ter zitting gedane verzoeken van de vader van [de oudste minderjarige] zal het hof dan ook afwijzen.

Proceskosten

10. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

11. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Zander en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2012.