Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ2610

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
04-03-2013
Zaaknummer
200.104.319-01 en 200.104.320-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil inzake partneralimentatie. Brutering van de afspraak ter zitting in eerste aanleg, die blijkt uit het pv, inhoudende dat de man netto € 750,- per maand zal betalen. Verzoek tot verlaging nadien wordt afgewezen. Geschil over auto: natuurlijke verbintenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 september 2012

Zaaknummer : 200.104.319/01 en 200.104.320/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8123 en FA RK 11-8496

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.E. Koopmans te Oud-Beijerland.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 20 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2011 van de rechtbank Dordrecht, verbeterd bij beschikking van 4 april 2012.

De man heeft op 7 mei 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de vrouw op 27 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage ingekomen.

De zaak is op 29 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank voorts, onder meer en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man met ingang van de dag, waarop deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, ten behoeve van de vrouw een uitkering tot levensonderhoud zal betalen ter hoogte van het bruto equivalent van € 750,- netto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij partijen in onderling overleg het bruto bedrag zullen vaststellen. Voorts is bepaald dat de man een bedrag van € 25.000,- aan de vrouw dient te betalen, binnen veertien dagen nadat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de eerste dag dat de betalingstermijn is verstreken tot aan de voldoening, op welk bedrag de reeds door de man betaalde bedragen in mindering strekken. De vrouw dient aan de man een bedrag van € 2.750,- te betalen. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Bij beschikking van 4 april 2012 heeft de rechtbank voormelde beschikking verbeterd in dier voege dat:

- de derde en vierde zin van rechtsoverweging 2.4.11 als volgt moeten worden gelezen:

“Aangezien de vrouw niet uitdrukkelijk de door de man gestelde helft van de waarde van de auto van € 4.500,- heeft betwist, zal van deze waarde worden uitgegaan. Dit betekent dat de vrouw aan de man een bedrag van € 4.500,- ter zake de auto dient te betalen”;

- de derde zin van het dictum moet als volgt worden gelezen:

“bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw aan de man een bedrag van € 4.500,- dient te betalen.”

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Ter zitting in hoger beroep hebben partijen verklaard dat de echtscheidingsbeschikking op 10 april 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) ten behoeve van de vrouw en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie en de wijze van verdeling van de personenauto, te vernietigen en voor zover mogelijk, opnieuw beschikkende, te bepalen dat:

- de man partneralimentatie aan de vrouw zal betalen van € 1.175,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en

- de personenauto met kenteken [kenteken] eigendom van de vrouw is zonder dat zij voor deze auto een bedrag aan de man dient te betalen.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de verdeling van de personenauto en de waarde daarvan betreft en het verzoek van de vrouw ter zake de vaststelling van een bruto partneralimentatie ter grootte van € 1.160,- bruto per maand af te wijzen en te bepalen dat de brutering van het in de beschikking van de rechtbank Dordrecht bepaalde nettobedrag van € 750,- een equivalent betreft van € 1.062,- bruto.

Indiening van nadere stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling

4. De door de vrouw op 27 juni 2012 overgelegde stukken zijn buiten de termijn van tien kalenderdagen als bedoeld in artikel 1.4.3 van het geldende procesreglement overgelegd. Het hof zal – voor zover van belang – deze stukken echter in aanmerking nemen.

Partneralimentatie

5. In haar eerste grief stelt de vrouw de door partijen in eerste aanleg overeengekomen partneralimentatie aan de orde. Zij voert - kort samengevat - aan te vrezen dat er in de toekomst problemen zullen ontstaan over de partneralimentatie. Naar de mening van de vrouw is het bedrag van € 750,- netto een bruto equivalent van € 1.160,-.

6. De man heeft de eerste grief van de vrouw bestreden. Hij kan zich niet verenigen met de wijze waarop de vrouw tot brutering van de partneralimentatie komt. Bij brutering dient te worden uitgegaan van de alimentatieplichtige, aldus de man. Hij is bereid een bedrag van € 1.062,- bruto per maand te voldoen.

7. Het hof overweegt als volgt. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank is het volgende weergegeven:

“Na de schorsing van de mondelinge behandeling zijn partijen het volgende ten aanzien van de partneralimentatie overeengekomen:

- de man zal aan de vrouw een alimentatie betalen van het bruto equivalent van € 750,- netto, partijen zullen in onderling overleg het bruto bedrag vaststellen.”

In de bestreden beschikking is bepaald dat de man met ingang van de dag, waarop deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, ten behoeve van de vrouw een alimentatie zal betalen van het bruto equivalent van € 750,- netto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij partijen in onderling overleg het bruto bedrag zullen vaststellen.

Naar het oordeel van het hof volgt zowel uit de bestreden beschikking als het proces-verbaal genoegzaam dat het de bedoeling van partijen is dat de vrouw een netto bedrag zal ontvangen van € 750,- per maand. Nu de vrouw over de partneralimentatie inkomstenbelasting verschuldigd is, dient voor de brutering van het bedrag van € 750,- per maand te worden berekend hoeveel deze verschuldigde belasting zal zijn. Onweersproken is door de vrouw aangevoerd dat, als zij een partneralimentatie van € 1.160,- per maand bruto van de man ontvangt, dit haar een netto een bedrag van € 750,- per maand oplevert, zodat het hof de partneralimentatie op voormeld bedrag zal vaststellen.

8. Eerst ter zitting heeft de man aangevoerd dat zijn draagkracht onvoldoende is om een bijdrage van € 1.160,- per maand te voldoen. Naar het oordeel van het hof heeft de man deze stelling - gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw - niet, althans onvoldoende met verificatoire bescheiden onderbouwd. Weliswaar heeft de man in eerste aanleg een draagkrachtberekening en enkele financiële stukken overgelegd, maar gesteld noch gebleken is dat die processtukken in hoger beroep dienen ter onderbouwing van de draagkracht van de man. Daar komt bij dat die stukken geen onderdeel van het debat tussen partijen zijn geweest, gelet op de door partijen bereikte overeenstemming met betrekking tot de partneralimentatie.

9. Het hof ziet, anders dan de vrouw betoogt, geen aanleiding om voormeld bedrag reeds nu te verhogen met de wettelijke indexering. Immers de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum - te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (10 april 2012) - staat tussen partijen niet ter discussie. Op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek zal dit bedrag met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege worden gewijzigd met een door de minister van Justitie vast te stellen percentage.

10. Gelet op het vorenstaande stelt het hof de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 10 april 2012 vast op € 1.160,- per maand en dit leidt in zoverre tot een vernietiging van de bestreden beschikking.

Personenauto

11. De vrouw betoogt in de tweede grief dat de personenauto Peugeot 107 met kenteken [kenteken] (verder: de Peugeot) haar eigendom is en dat zij de man geen bedrag daarvoor verschuldigd is. Zij voert daartoe - kort samengevat - het volgende aan. De vrouw heeft, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk bezwaar tegen het standpunt van de man inzake de Peugeot. Hij heeft een zelfstandig verzoek bij de rechtbank in zijn verweer “verstopt” en de rechtbank heeft dit niet opgemerkt, zodat de vrouw formeel geen termijn heeft gekregen om te reageren op dit verzoek van de man. De man was redelijk welgesteld en de vrouw niet. Zij hadden een klassiek rollenpatroon. De auto is door de vrouw gekocht en aan haar geleverd. Dit blijkt uit het kentekenbewijs, aldus de vrouw. De vrouw heeft, nadat haar oude, door haar destijds aangekochte, auto total loss werd gereden, een nieuwe auto gekocht en mede gefinancierd met een bedrag van circa € 1.000,- dat zij had ontvangen van haar schadeverzekering. Het resterende bedrag kreeg de vrouw van de man. Van meet af aan is het, zo stelt de vrouw, de bedoeling geweest dat de auto van de vrouw was en dat deze aan haar cadeau werd gedaan. Anders had de vrouw niet een auto in die prijsklasse gekocht. Voorts voert de vrouw aan dat de man het resterende bedrag aan haar heeft geschonken om haar in staat te stellen een auto aan te schaffen. De door de man gestelde waarde van € 9.000,- wordt door de vrouw betwist. De werkelijke waarde zal zonodig door taxatie vastgesteld moeten worden. De redelijkheid en billijkheid beheersen de relatie tussen partijen. Het strookt niet met de bedoeling van partijen dat de vrouw ter gelegenheid van de echtscheiding een geldbedrag aan de man moet terugbetalen. De vrouw doet er in dit verband een beroep op dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis op grond waarvan de man geen vorderingsrecht jegens de vrouw kan doen gelden. Voorts is het niet de bedoeling van partijen geweest het bedrag van € 25.000,- - dat de vrouw bij de echtscheiding zal ontvangen teneinde eigen woonruimte te kunnen financieren - te gebruiken om te verrekenen.

12. De man heeft de grief van de vrouw gemotiveerd bestreden, onder meer stellende dat de auto niet aan de vrouw is geschonken. De man betwist dat sprake is van een lening. Hij meent dat de auto zijn eigendom is. De waarde van de auto bedraagt € 9.000,- en aan de man komt een bedrag van € 4.500,- toe.

Het hof overweegt als volgt.

13. Nu de vrouw in hoger beroep ten volle in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt met betrekking tot de Peugeot nader toe te lichten kan de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg in het midden blijven en gaat het hof aan de bezwaren van de vrouw daaromtrent voorbij.

14. Door de vrouw is gesteld dat zij eind 2009 de Peugeot heeft gekocht en dat deze aan haar is geleverd. De man heeft dit ter zitting erkend. Het hof stelt derhalve - anders dan de rechtbank - vast dat de vrouw eigenaar van de auto is. Daarbij is in aanmerking genomen dat de auto op naam van de vrouw is gesteld.

15. Onbestreden heeft de vrouw aangevoerd dat het aankoopbedrag van de auto deels is voldaan met een bedrag van € 1.000,- uit de schadeverzekering van de eerdere auto - een Mazda - en dat de man de rest van de koopsom heeft betaald. Voorts staat vast dat partijen buiten elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

16. Nu de man gedeeltelijk het geldbedrag heeft voldaan van de auto, heeft hij in beginsel jegens de vrouw een recht op vergoeding van het nominale bedrag. Dit is slechts anders indien partijen zulks zijn overeengekomen of wanneer een en ander geschiedt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot ter verzorging van de andere. Het hof verstaat het standpunt van de vrouw aldus dat zij zich op dit laatste beroept.

17. De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis dient te worden beoordeeld naar de objectieve maatstaf omtrent de maatschappelijke opvattingen. Aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Niet van belang is voorts hoe partijen er vele jaren later financieel blijken voor te staan en evenmin of het huwelijk van partijen door echtscheiding werd beëindigd. Bepalend is de situatie op het moment van de prestatie.

18. Gebleken is dat de man onverplicht een belangrijk deel van de koopsom heeft betaald voor de aan de vrouw geleverde Peugeot, terwijl zij zelf niet over voldoende middelen beschikte om de Peugeot te verkrijgen en zelfs - zo heeft zij onweersproken verklaard - niet de wens had om juist deze auto aan te schaffen.

Daarnaast is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat de man het geldbedrag als een cadeau aan de vrouw beschouwde. Als onbetwist is het hof van het navolgende uitgegaan. Gedurende het huwelijk stonden de auto’s die tijdens het huwelijk zijn aangeschaft en waar de vrouw gebruik van maakte op naam van de man. De Peugeot is de eerste auto die op naam van de vrouw is gesteld en bij de verjaardag van de vrouw in februari 2010 is opgemerkt dat zij geen cadeautje hoefde/kreeg omdat ze al een auto had gekregen.

Tevens neemt het hof in aanmerking dat de vrouw haar arbeidskracht, zo heeft zij onweersproken gesteld, heeft ingezet voor het huishouden en dat zij heeft meegeholpen aan het onderhoud van de woning van de man.

19. Op grond van voormelde omstandigheden is naar het oordeel van het hof sprake van een objectieve aanwijzing dat de man het geldbedrag dat hij ter zake de aankoop van de Peugeot heeft voldaan, heeft betaald uit hoofde van een dringende morele verplichting die als een natuurlijke verbintenis moet worden aangemerkt. De man heeft geen dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel nopen of die voormelde objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis zouden kunnen doorbreken. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de man, inhoudende dat de vrouw een geldbedrag ter zake de auto aan de man dient te voldoen, afwijzen. De overige stellingen van partijen met betrekking tot de Peugeot behoeven derhalve geen bespreking, nu deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

20. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 10 april 2012 op € 1.160,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst af het inleidend verzoek van de man, inhoudende dat de vrouw een geldbedrag ter zake de auto aan de man dient te voldoen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Mink en Burgerhart, bijgestaan door

mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2012.