Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ2601

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
04-03-2013
Zaaknummer
200.105.641-01 en 200.105.643-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Geen partneralimentatie; behoefte niet onderbouwd. Verdeling gemeenschap en pensioenrechtenverevening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 26 september 2012

Zaaknummer : 200.105.641/01 & 200.105.643/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8304

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. Orhan te ’s-Gravenhage,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.C.V.J. van Leur te Delft.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 23 april 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 januari 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De man heeft op 12 juli 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 23 mei 2012 een brief van 22 mei 2012 met bijlage.

De zaak is op 22 augustus 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- mr. M.M. Dezfouli, optredend namens de advocaat van de vrouw;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De vrouw is niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand huurder zal zijn van de woonruimte aan [adres] (verder: de echtelijke woning). De proceskosten zijn aldus gecompenseerd dat iedere partijen de eigen kosten draagt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de echtscheiding, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie) en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap,

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en:

primair

het verzoek van de man om de echtscheiding uit te spreken alsnog af te wijzen;

subsidiair

- te bepalen dat de man een in goede justitie te bepalen bedrag aan alimentatie dient te betalen aan de vrouw;

- partijen te gelasten binnen één maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking over te gaan tot scheiding en deling van hun huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris en onzijdige personen volgens de wet.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Verzoek om aanhouding

4. Ter zitting heeft mr. Dezfouli verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling wegens ziekte van de advocaat van de vrouw.

5. Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep richt zich, onder meer, tegen de uitgesproken echtscheiding. Nu de man zich tegen dit verzoek heeft verzet en de man belang heeft bij spoedige behandeling van de uitgesproken echtscheiding - gelet op zijn leeftijd (79) en zijn wens om op korte termijn in het huwelijk te treden met zijn huidige partner - heeft het hof dit verzoek van de vrouw afgewezen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat mr. Dezfouli ter zitting aanwezig is geweest om de belangen van de vrouw op behoorlijke wijze te behartigen.

Ontvankelijkheid

6. In het meest verstrekkende verweer betoogt de man dat het hoger beroep tegen de echtscheiding niet-ontvankelijk is wegens misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek. Daartoe voert de man het volgende aan. De vrouw is al jaren bekend met het voornemen van de man om in het huwelijk te treden met zijn partner. Partijen wonen sinds 2008 niet meer in één huis. Bij de procedure in eerste aanleg is er bewust aan de zijde van de vrouw ervoor gekozen om geen advocaat in te schakelen en geen verweer te voeren. Het hoger beroep wordt enkel gebruikt om de man te schaden en is alleszins onredelijk. Het ontbreekt het appelschrift aan grieven.

7. Het hof stelt voorop dat bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure terughoudendheid past, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. In de door de man aangevoerde omstandigheden ziet het hof geen reden om misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure door de vrouw aan te nemen.

Duurzame ontwrichting

8. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het huwelijk van partijen niet duurzaam is ontwricht omdat de man haar nog regelmatig bezoekt en er nog overleg tussen hen beiden plaatsvindt. De vrouw is vanwege haar medische beperkingen niet in staat geweest om de gevolgen van de echtscheiding te overzien.

9. De man heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken.

10. Het hof overweegt als volgt. De man volhardt in zijn wens tot echtscheiding. Hij heeft onweersproken gesteld dat al jaren sprake is van een “verstandshuwelijk” en dat hij al jarenlang een relatie heeft met zijn huidige partner, met wie hij samenwoont. Het is zijn wens om op korte termijn met hem in het huwelijk te treden. Nu de man persisteert bij zijn stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, en de vrouw dit niet voldoende heeft betwist, is het hof van oordeel dat de duurzame ontwrichting vaststaat. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre bekrachtigen.

Partneralimentatie

11. De vrouw verzoekt een nader alimentatiebedrag te bepalen aangezien zij behoeftig is. Zij leeft van een AOW-uitkering op het bestaansminimum.

12. De man heeft zich daartegen verweerd. Hij ontkent dat de vrouw behoefte heeft aan partneralimentatie en voert tevens aan dat hij onvoldoende draagkrachtruimte heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

13. Het hof overweegt als volgt. Het had op de weg van de vrouw gelegen haar behoefte nader te specificeren en met verificatoire bescheiden te onderbouwen. Immers de behoefte aan partneralimentatie dient in redelijkheid te worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden, waarbij zoveel mogelijk rekening dient te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud. Nu de vrouw haar behoefte op geen enkele wijze heeft onderbouwd, kan het hof haar behoefte niet vaststellen, hetgeen ertoe leidt dat alleen al om die reden de partneralimentatie niet kan worden bepaald. Het hof zal derhalve het verzoek van de vrouw afwijzen.

Boedelscheiding en pensioenrechten

14. De vrouw verzoekt tot scheiding en deling over te gaan met benoeming van een notaris en onzijdige personen. Voorts verzoekt zij om opgave van de opgebouwde pensioenrechten.

15. De man heeft de verzoeken van de vrouw gemotiveerd bestreden. Hij heeft betoogd dat de huwelijksgemeenschap van partijen slechts een inboedel bevatte die in 2008, toen de vrouw verhuisde naar het verzorgingstehuis, is verdeeld.

16. Gelet op het verweer van de man, ziet het hof geen aanleiding om over te gaan tot scheiding en deling met benoeming van een notaris. Het hof zal dit verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. Voorts wijst het hof het verzoek tot opgave van de opgebouwde pensioenrechten als zijnde niet, althans onvoldoende, gemotiveerd onderbouwd af.

17. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, van Nievelt en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2012.