Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ2597

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
04-03-2013
Zaaknummer
200.104.970-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nodeloos hoger beroep. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 september 2012

Zaaknummer : 200.104.970/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8877/ FA RK 11-8878

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. G.A.H. Wiekamp te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.H.J.A. Wesselink te Gorinchem.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 6 april 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 januari 2012 van de rechtbank Dordrecht.

De moeder heeft op 21 mei 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de moeder op 18 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen ingekomen.

De advocaat van de vader heeft het hof bij faxbericht van 27 juni 2012 meegedeeld dat hij geen contact meer met de vader kan verkrijgen. Voorts heeft de advocaat bericht dat hij niet ter zitting zal verschijnen.

De zaak is op 29 juni 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 1 augustus 2011 ten behoeve van de na te noemen minderjarige een alimentatie dient te betalen van € 535,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- de vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad;

- tijdens die relatie is [in 2008] te [geboorteplaats] uit de vrouw geboren: [de minderjarige] (hierna: de minderjarige).

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: de kinderalimentatie).

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, de moeder alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dit af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie meent te behoren, met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie wordt geacht.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn beroep ongegrond te verklaren, althans de vordering van de vader integraal af te wijzen met veroordeling van de vader in de proceskosten.

Ingangsdatum

4. Het hof ziet aanleiding eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie te behandelen. De vader verzet zich tegen een ingangsdatum met terugwerkende kracht. Hij is van mening dat - voor zover hij kinderalimentatie is verschuldigd - deze niet met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld, maar pas met ingang van de datum waarop hij heeft kennis kunnen nemen van het inleidend verzoek (22 november 2008).

5. De moeder heeft dit standpunt bestreden. Zij meent dat de vader zich op het moment dat de minderjarige geboren werd, heeft kunnen realiseren dat hij voor zijn kind zorg moet dragen en hiervoor een geldelijke bijdrage aan de moeder zou moeten betalen. De vader is meermalen aangeschreven en op de hoogte gesteld van zijn plicht om voor zijn kind te zorgen.

6. Het hof stelt voorop dat een rechter die het bedrag tot uitkering tot levensonderhoud vaststelt op grond van artikel 1:402, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, tevens de dag vaststelt vanaf welke dit bedrag verschuldigd is. Deze bepaling laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum en het staat de rechter dan ook, anders dan de man stelt, vrij om die te bepalen op een dag voor de uitspraak. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht de ingangsdatum heeft bepaald op 1 augustus 2011. Vaststaat dat de vader een wettelijke onderhoudsverplichting heeft jegens zijn zoon. De moeder heeft - onweersproken - gesteld dat er meermalen brieven naar de vader zijn verzonden met betrekking tot zijn onderhoudsverplichting, zodat het hof er van uitgaat dat hij in ieder geval met ingang van 1 augustus 2011 rekening heeft kunnen houden met de omstandigheid dat hij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zou moeten voldoen.

Behoefte minderjarige

7. De behoefte van de minderjarige houdt partijen verdeeld. De vader stelt zich op het standpunt dat de behoefte van de minderjarige € 280,- per maand bedraagt, gelet op de omstandigheid dat hij geen werk had tijdens het uiteengaan van partijen en het netto gezinsinkomen op dat moment € 2.000,- per maand bedroeg. De moeder bestrijdt de stelling van de vader dat hij geen inkomen had en verwijst daartoe naar rekeningafschriften waaruit blijkt dat de vader wel werk had. De moeder stelt - kort samengevat - dat de behoefte van de minderjarige wel degelijk € 535,- per maand bedraagt.

8. Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken voldoende is vast komen te staan dat de vader destijds gemiddeld (afgerond) € 2.500,- per maand bij zijn werkgever [naam werkgever] verdiende. Voorts is niet bestreden dat de moeder een inkomen van € 500,- netto per maand verdiende en dat de vader, naast zijn inkomen bij [naam werkgever], netto een bedrag van € 500,- vanwege werkzaamheden ontving “buiten de boeken om”, zodat het hof het netto gezinsinkomen vaststelt op € 3.500,- per maand. De daaruit voortvloeiende behoefte van de minderjarige bedraagt - zo heeft de moeder onweersproken gesteld - € 535,- per maand.

Draagkracht moeder

9. Het hof is van oordeel dat van de moeder niet gevergd kan worden dat zij een bijdrage levert in de kosten van de minderjarige, nu zij - zo blijkt uit de door haar overgelegde en niet bestreden draagkrachtberekening - daartoe onvoldoende draagkracht heeft. Nu zij reeds achtendertig uur per week werkzaam is en zij de zorg draagt voor de minderjarige, is het hof van oordeel dat - anders dan de vader stelt - van de moeder niet gevergd kan worden dat zij haar werkzaamheden nog verder uitbreidt.

Draagkracht vader

10. Het hof dient te bezien of de vader, zoals hij stelt, geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

11. Naar het oordeel van het hof heeft de vader zijn draagkracht, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Inkomen

12. Het inkomen van de vader ten tijde van het uiteengaan van partijen bedroeg € 3.000,- netto per maand. In zijn in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening gaat de vader uit van een bruto jaarinkomen van € 23.579,- gebaseerd op het door de belastingdienst blijkens de beschikking Zorgtoeslag geschatte inkomen over 2011. Naar het oordeel van het hof heeft de vader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit daadwerkelijk zijn huidige inkomen is. Weliswaar heeft de vader een brief van 5 september 2011 van het UWV overgelegd waaruit blijkt dat hij met ingang van 16 augustus 2011aanspraak maakt op een uitkering uit hoofde van de Werkloosheidswet (verder: WW-uitkering), maar op basis van de overige door de vader overgelegde stukken is niet vast te stellen wat de hoogte van zijn inkomen is. Van de vader had verwacht mogen worden dat hij een jaaropgave 2011, recente (uitkerings)specificaties alsmede de aangifte Inkomstenbelasting 2011 in het geding had gebracht. Ook van zijn actuele inkomenspositie ontbreken stukken.

Lasten

13. Voorts heeft de vader de door hem in zijn draagkrachtberekening opgevoerde en door de moeder bestreden lasten niet nader onderbouwd. Gelet op het verweer van de moeder had de vader het bestaan van de woonlasten, de kosten omgangsregeling alsmede de schulden nader moeten onderbouwen.

Proceskosten

14. Het hof ziet, gelet op de proceshouding van de vader, aanleiding om hem in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. De vader is in eerste aanleg niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. Hij is nadien in hoger beroep gekomen maar heeft zijn standpunten onvoldoende met verificatoire bescheiden onderbouwd, heeft nagelaten –zonder enig bericht - ter zitting te verschijnen en heeft het contact met zijn raadsman verbroken. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de vader nodeloos het hoger beroep heeft ingesteld.

15. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt de vader in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de moeder tot op heden begroot op € 291,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stollenwerck en Burgerhart, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2012.