Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ1869

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-02-2013
Zaaknummer
200.086.835-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht, strijd met indemniteitsbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.086.835/01

Zaaknummer rechtbank : 387366 / KG ZA 11-173

arrest van 18 december 2012

inzake

Aegon Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

hierna te noemen: Aegon,

advocaat: mr. E.C. Kleverlaan te 's-Gravenhage,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.T. van Dalen te Groningen.

Het geding

Bij exploot van 27 april 2011 is Aegon in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 5 april 2011.

Bij memorie van grieven heeft Aegon acht grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 20 november 2012 de zaak doen bepleiten, Aegon door mr. Kleverlaan en [geïntimeerde] door mr. Van Dalen. Aegon heeft pleitnotities in het geding gebracht. Partijen hebben het hof verzocht arrest te wijzen op de reeds ten behoeve van het pleidooi overgelegde stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

2. De door de rechtbank in rov. 2 van de bestreden uitspraak vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Grief 1 houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte bepaalde feiten niet heeft opgenomen. De grief faalt reeds omdat de feitenvaststelling in een vonnis niet noodzakelijkerwijs uitputtend hoeft te zijn en het de voorzieningenrechter vrij stond slechts die feiten vast te stellen die zij voor haar beslissing van belang achtte.

3. Het gaat in deze zaak - kort gezegd en voor zover hier van belang - om het volgende. [geïntimeerde] is op 15 oktober 2009 eigenaar geworden van een woonboerderij te [plaats]. Met betrekking tot dit object is op diezelfde dag tussen [geïntimeerde] en Aegon een opstalverzekering gesloten onder de naam "Woon- en VrijeTijdpakket". Op het polisblad staat vermeld dat is verzekerd een "woonhuis van steen en/of beton met harde dakbedekking en houten verdiepingsvloeren" voor een maximum verzekerd bedrag van € 400.000,-. In verband met een verbouwing van de woonboerderij heeft [geïntimeerde] een sloopvergunning bij de gemeente [...] aangevraagd, die op 26 november 2009 is verleend. In de aanvraag staat bij "dakbedekking": "keramische pannen / riet". Uit de tekeningen bij de aanvraag bouwvergunning 1e fase, die [geïntimeerde] in het najaar van 2009 heeft ingediend, welke bouwvergunning op 21 december 2009 is verleend, blijkt dat de kap van de deel met riet wordt bedekt. Op 25 december 2009 is een gedeelte van het dak van de schuur van de woonboerderij (de deel) onder sneeuwdruk ingestort (hierna: het schadevoorval). [geïntimeerde] heeft het schadevoorval aan Aegon gemeld. Aannemer […] heeft op verzoek van [geïntimeerde] bij offerte van 7 januari 2010, gericht aan [geïntimeerde], de schade aan de woonboerderij vastgesteld op € 120.178,10. Schade-expertisebureau Dekra Experts B.V. (hierna: Dekra) heeft in opdracht van Aegon bij expertiserapport van 1 februari 2010 de schade op basis van herbouwwaarde vastgesteld op € 88.667,- en de opruimkosten op

€ 9.520,-, derhalve in totaal € 98.187,-. Bij brief van 5 februari 2010 heeft Aegon aan [geïntimeerde] geschreven dat de schade aan de opstal is vastgesteld op € 88.667,- en de opruimingskosten op € 9.520,-, dat zij in eerste instantie 40% heeft betaald en na ontvangst van de herstelfacturen het overige zal uitkeren. [geïntimeerde] heeft nadien de deel van een rieten dakbedekking voorzien. Aegon heeft in totaal € 73.187,- uitgekeerd. Met een beroep op het indemniteitsbeginsel heeft Aegon na verzoeken tot uitkering van [geïntimeerde] per e-mails van 28 oktober en 25 november 2010, uit welke verzoeken met bijlagen blijkt dat de deel een rieten dak heeft, bij brief van 3 december 2010 geweigerd het restantbedrag van € 25.000,- uit te keren.

4. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat Aegon wordt veroordeeld tot betaling van het restantbedrag van € 25.000,- en € 1.500,- aan buitengerechtelijke kosten. Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Aegon de hoogte van de schade voor partijen bindend heeft bevestigd in haar brief van 5 februari 2010, daarop niet kan terugkomen en zich dus niet meer op het indemniteitsbeginsel kan beroepen, dat overigens niet geschonden is omdat [geïntimeerde] pas later heeft besloten een rieten dak te nemen.

5. De rechtbank heeft de vordering toegewezen en daarbij overwogen - kort gezegd - dat in het midden kan blijven of [geïntimeerde] opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt, nu Aegon niet kan terugkomen op de brief van 5 februari 2010.

6. Het hof zal eerst het meest verstrekkende verweer van Aegon behandelen, namelijk dat geen sprake is van spoedeisend belang. Volgens grief 8 heeft de rechtbank ten onrechte de vorderingen toegewezen, omdat [geïntimeerde] daarbij geen spoedeisend belang had.

7. Vooropgesteld wordt dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is. Voor zover de voorziening in eerste aanleg al is gegeven, moet worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, LJN: AE3437, NJ 2003, 343).

8. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat hij het bedrag van € 25.000,- nodig had om zijn verbouwing af te ronden en dat de verbouwing stagneerde, omdat Aegon weigerde het restant uit te keren. Aegon heeft dit betwist. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het bedrag van € 25.000,- nodig had om de verbouwing af te ronden. Gelet op de totale vastgestelde schade (inclusief opruimingskosten) van € 98.187,- betreft het een substantieel bedrag dat Aegon heeft geweigerd uit te keren. Dat [geïntimeerde] - zoals Aegon onbetwist heeft gesteld - de woonboerderij kon bewonen terwijl de verbouwing nog niet was afgerond, betekent niet dat hij geen spoedeisend belang had bij zijn vorderingen. Overigens heeft blijkens de memorie van antwoord onder 128 Aegon inmiddels het bedrag van € 25.000,- uitgekeerd en heeft [geïntimeerde] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat hij dit geld inderdaad heeft gebruikt om de verbouwing van de woonboerderij af te ronden.

9. De kern van deze zaak betreft de in grief 7 uitgewerkte stelling van Aegon dat het indemniteitsbeginsel zich verzet tegen uitkering van het bedrag van € 25.000,-. Nu [geïntimeerde] reeds vóór het schadevoorval had besloten het pannendak te vervangen door een rieten dak, vertegenwoordigde het pannendak voor hem geen waarde op het moment van het schadevoorval, zodat hij door uitkering van € 25.000,- in een duidelijk voordeliger positie zou komen te verkeren. Het indemniteitsbeginsel ziet niet alleen op het verzekerd voorwerp, maar tevens op de afzonderlijke onderdelen daarvan, zoals in casu het dak, aldus nog steeds Aegon.

10. Het hof verwerpt dit standpunt op grond van het volgende. Bij een schadeverzekering op basis van herbouwwaarde als de onderhavige is verzekerd het belang van de verzekerde om de zaak te kunnen blijven gebruiken. Het indemniteitsbeginsel, zoals neergelegd in art. 7:960 BW, houdt in dat een verzekerde krachtens de verzekering geen vergoeding zal ontvangen, waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou raken. In dit verband geldt het volgende.

11. Niet in geschil is dat volgens het polisblad het verzekerd voorwerp het "woonhuis van steen en/of beton met harde dakbedekking en houten verdiepingsvloeren" betreft. De woonboerderij heeft voor [geïntimeerde] de functie van woning.

12. Volgens art. 6.2 ("Omvang van de schade") onder b van de polisvoorwaarden behorend bij het Aegon Woon- en VrijeTijdpakket vindt bij herstel met dezelfde bestemming schadevergoeding plaats naar herbouwwaarde. Gesteld noch gebleken is dat de bestemming is gewijzigd. Vaststaat dan ook dat sprake is van herstel met dezelfde bestemming; de woonboerderij was zowel vóór als na het schadevoorval bestemd voor bewoning. Om de woonboerderij te kunnen blijven gebruiken dient deze voorzien te zijn van een dak. Om de functie van de woonboerderij te herstellen dient [geïntimeerde] dan ook een schadevergoeding te krijgen waarmee hij het voor het schadevoorval bestaande pannendak kan herstellen. De schade aan het dak moet dus naar herbouwwaarde worden vastgesteld. Niet in geschil is dat dit in casu ook is gebeurd: de door Dekra getaxeerde schade is immers gebaseerd op de herbouw van een pannendak.

13. Dat [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen een rieten dak in plaats van een pannendak aan te laten brengen, heeft niet tot gevolg dat hij in een duidelijk voordeliger positie is komen te verkeren. De schadevaststelling is immers gebaseerd op herstel van het pannendak; de keuze voor een rieten dak heeft niet geleid tot een hogere uitkering. In het midden kan blijven of [geïntimeerde] - zoals Aegon stelt - al vóór het schadevoorval van plan was om het pannendak te slopen en te vervangen door een rieten dak, nu dit niet tot een ander oordeel leidt. Immers, het gaat bij de vraag of [geïntimeerde] in een duidelijk voordeliger positie is komen te verkeren erom of na het schadevoorval de functie van woning wordt hersteld, dat wil zeggen of het gebruik van de woonboerderij als woonboerderij wordt gecontinueerd, hetgeen het geval is, en niet of het gebruik van het pannendak als zodanig wordt gecontinueerd.

14. Overigens kan in de polisvoorwaarden geen steun worden gevonden voor het standpunt van Aegon. Daarvoor kan evenmin steun worden gevonden in de jurisprudentie; de door Aegon aangehaalde uitspraken betreffen alle gevallen waarin het gehele verzekerde object teniet was gegaan of gesloopt zou worden en niet, zoals in dit geval, een onderdeel daarvan dat nodig is om het verzekerde object te kunnen blijven gebruiken.

15. Grief 7 faalt dus.

16. In de grieven 2 tot en met 6 voert Aegon verschillende argumenten aan die volgens haar leiden tot de conclusie dat zij niet tot uitkering verplicht is, kort gezegd omdat [geïntimeerde] heeft getracht een te hoge uitkering te krijgen door niet te vermelden dat hij reeds vóór het schadevoorval van plan was om het pannendak te vervangen door een rieten dak. Deze grieven berusten alle op de stelling dat de schadevergoeding zoals vastgesteld door Dekra hoger is dan de schadevergoeding waar [geïntimeerde] ingevolge de verzekeringsovereenkomst recht op heeft. Zoals uit het voorgaande volgt, is deze stelling onjuist: [geïntimeerde] heeft recht op schadevergoeding naar herbouwwaarde, uitgaande van een woonboerderij met pannendak. Deze grieven falen dus reeds daarom en behoeven dan ook geen afzonderlijke behandeling.

17. Het hof passeert het bewijsaanbod van Aegon. Nog daargelaten dat daarvoor in kort geding doorgaans geen plaats is, is geen gespecificeerd bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een andere beslissing.

18. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden uitspraak wordt bekrachtigd met wijziging en aanvulling van gronden. Aegon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 april 2011;

- veroordeelt Aegon in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 649,- aan verschotten en € 3.474,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, A.M. Voorwinden en J.M. Willink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2012 in aanwezigheid van de griffier.