Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ1094

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
200.016.388
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening tussen echtgenoten ter zake meerinkomsten vrouw in kader alimenatie. Uitleg convenant. Haviltex. Niet-wijzigingsbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.016.388

Rolnummer Rechtbank : 58772 / HA ZA 07-341

arrest van 18 december 2012

inzake

de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat : mr. R.A.A. Maat, kantoorhoudende te Middelburg,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.C. Blom, kantoorhoudende te Nieuwerkerk a/d IJsssel.

1. Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn arrest van 23 augustus 2011 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. In dit tussenarrest is de man toegelaten om te bewijzen dat het schilderij aan de onderneming van de man is geschonken.

Bij brief van 21 september 2011 heeft de advocaat van de man aan het hof medegedeeld dat de man van zijn vordering met betrekking tot het schilderij wenst af te zien.

De advocaat heeft op 25 januari 2012 conform het H12 formulier stukken ingezonden t.b.v. een geplande zitting. De stukken betreffen:

• overzicht gemaakte kosten;

• berekening;

• uittreksel kadaster;

• uittreksel kadaster;

• brief Rabobank d.d. 2 maart 2011;

• handelsregisterhistorie [naam].

Uit het roljournaal volgt dat er op 18 april 2012 een enquête heeft plaatsgevonden. In beide procesdossiers heeft het hof geen proces-verbaal van de zitting aangetroffen.

Beide partijen hebben op 15 mei 2012 hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

Schilderij

1.De man heeft zijn vordering met betrekking tot het schilderij voorstellende een Zeeuws landschap ingetrokken. De eerste grief behoeft derhalve geen verdere bespreking.

Vordering vaststelling wijze en mate van verrekening

2. In grief 3 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet zijn vordering heeft toegewezen met betrekking tot verrekening van de meerinkomsten van de vrouw. De man is het voorts niet eens met het oordeel van de rechtbank dat slechts een percentage van 25% van de meerinkomsten moet worden verrekend. De man is het niet eens het feit dat de rechtbank zich heeft gebaseerd op het oordeel van dit hof zoals beslist in de beschikking van 8 november 2008.

3. In zijn toelichting op deze grief heeft de man onder meer naar voren gebracht:

• de man is van mening dat die inkomensgegevens rechtvaardigen dat in elk geval over de jaren vanaf 2004 alle meerinkomsten dienen te worden verrekend;

• de rechtbank had meer rekening dienen te houden met de belangen van de man;

• daarbij had gepast een afweging op basis van een draagkrachtvergelijking;

• in elk geval is de aard en wijze waarop de vrouw meent dat slechts 25% van haar netto inkomen boven € 10.000,- in mindering zou behoeven te strekken op de bruto door de man te betalen alimentatie ook niet de regeling die het convenant propageert;

• de man heeft nog aanzienlijke schuldenproblemen, mede als gevolg van het faillissement die hij de komende jaren het hoofd zal bieden;

• het vasthouden aan het convenant dat uitging van perspectief voor de man zou pas getuigen van het niet in acht nemen van de eisen van redelijkheid en billijkheid;

• daarenboven moet het verrekenbeding in het convenant nu juist zo worden uitgelegd dat in tijden waarin het voor de man slecht gaat ook aanspraak zou moeten geven op een substantiële verrekening;

• de beschikking van dit hof van 8 november 2006 is een evidente misslag.

4. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Door de vrouw is onder meer aangevoerd:

• de vrouw heeft de man aangeboden 25% van haar meer verdiensten boven de €10.000,- te betalen. Zij acht dit een redelijk voorstel. De man heeft aanvankelijk niet op het voorstel gereageerd;

• de man heeft nooit enig serieus tegenvoorstel gedaan of zelfs maar aangegeven waarom hij het niet eens was met het voorstel van de vrouw;

• los daarvan zijn partijen een niet-wijzigingsbeding overeengekomen en de strekking van dat beding verhoudt zich niet met de vergaande interpretatie van de man van artikel 2 van het convenant;

• de man verzuimt toe te lichten welke schulden er zijn die hij moet aflossen;

• de man heeft onwaarheid gesproken bij de mondelinge behandeling bij het hof van juli 2009;

• de man is in oktober 2009 akkoord gegaan met het voorstel van de vrouw op basis van 25%. Op basis daarvan is de achterstand berekend en ook betaald door de man.

5. Het hof overweegt als volgt. Artikel 2 van het echtscheidingsconvenant luidt als volgt: “

1. Tussen partijen staat vast dat de vrouw in dit stadium onvoldoende eigen inkomsten heeft en om die reden een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud behoeft; de man zal de vrouw maandelijks € 2.500,- bruto betalen met dien verstande dat door de vrouw te verwerven eigen inkomsten voor de man geen omstandigheid zal zijn om op basis van een mindere behoefte wijziging van de bijdrage in levensonderhoud te vorderen; bovendien bedingt de vrouw uitdrukkelijk hetgeen door de man wordt geaccepteerd dat de onderhavige regeling niet bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd;

2. Partijen komen daarnaast overeen dat ingeval de vrouw eigen inkomsten uit arbeid verwerft die over een periode van tenminste 12 maanden een gemiddeld bedrag van € 1.000,- netto per maand te boven gaan partijen onderling overleg zullen plegen in welke omvang het bedrag dat het gemiddelde van € 10.000,- netto te boven gaat in mindering dient te strekken op de door de man te betalen alimentatie. Alle op enig moment relevante feiten en omstandigheden dienen daarbij te worden betrokken.”

6. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat beide partijen aan voormelde bepaling in het echtscheidingsconvenant een verschillende uitleg geven. Voor de uitleg van een bepaling in een echtscheidingsconvenant is van belang het Haviltex-criterium.

7. Bij de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, dient niet alleen te worden gelet op de zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract, maar komt het ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

8. Uit het echtscheidingsconvenant volgt dat partijen in beginsel met elkaar zijn overeengekomen dat door de vrouw te verwerven eigen inkomsten voor de man geen omstandigheid zal zijn om op basis van een mindere behoefte wijziging van de bijdrage in levensonderhoud te vorderen. Voorts zijn partijen met elkaar een niet-wijzigingsbeding overeengekomen. Een niet-wijzigingsbeding kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden opengebroken. Naar het oordeel van het hof volgt uit het convenant dat eigen inkomsten van de vrouw in beginsel geen grond zijn voor wijziging van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw.

9. In het convenant is slechts de bepaling opgenomen dat partijen met elkaar gaan overleggen en in dat kader alle op dat moment relevante feiten en omstandigheden dienen te worden betrokken.

10. Mede bezien het niet-wijzigingsbeding brengt een redelijke uitleg van het convenant met zich mede dat de man feiten en omstandigheden stelt en onderbouwt op grond waarvan het redelijk en billijk is dat de verdiencapaciteit van de vrouw in mindering moet worden gebracht op de overeengekomen partneralimentatie.

11. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet voldaan aan zijn stelplicht waaraan in het onderhavige geval – mede bezien het niet-wijzigingsbeding – zware eisen mogen worden gesteld. De man had naar het oordeel van het hof concreet dienen aan te geven wat zijn inkomsten en lasten waren in de betreffende periodes. De draagkracht van de man had dan vergeleken kunnen worden met de draagkracht van de vrouw. Op basis van draagkrachtvergelijking kan dan worden vastgesteld of er een financiële wanverhouding tussen partijen ontstaat indien de vrouw de man gebonden acht aan de te betalen onderhoudsbijdrage van € 2.500,- per maand. In zijn toelichting op de grief geeft de man slechts in algemene bewoordingen aan dat zijn inkomen lager is dan dat van de vrouw. De man geeft in zijn processtukken niet op een inzichtelijke wijze aan wat de hoogte is van zijn schuldenlast en wat de concrete financiële gevolgen daarvan voor hem zijn. Het enkele feit dat dit hof bij beschikking van 26 augustus 2009 de alimentatie voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 november 2007 op nihil heeft gesteld geeft geen inzicht in de financiële positie van de man in die periode en ook niet in de financiële situatie van de man in de periode vanaf 2004 tot 1 januari 2009. Niet bestreden is door de man dat partijen in oktober 2009 met elkaar financieel hebben afgewikkeld met betrekking tot de achterstand in de alimentatiebetalingen. Het hof is van oordeel – mede bezien de inhoud van het convenant- dat de man op deze financiële afwikkeling niet kan terug komen.

12. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is het hof met de rechtbank van oordeel dat het door de vrouw gedane voorstel ter vermindering van de partner alimentatie redelijk en billijk is. De grief van de man treft geen doel.

Proceskosten

13. Gezien het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn acht het hof het hof het redelijk en billijk om de proceskosten te compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen proceskosten draagt.

Bekrachtiging

14. Het bovenstaande brengt met zich mee dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 23 april 2008 van de rechtbank Middelburg tussen de partijen gewezen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, van Dijk en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2012 in aanwezigheid van de griffier.