Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0862

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2012
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
200.102.296-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BV0433, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad; vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.102.296/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 406961 / KG ZA 11-1324

Arrest d.d. 30 oktober 2012

inzake

[appellant]

wonende te Schaijk,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.J. van de Laar te Eindhoven

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. R.W. Veldhuis te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 24 januari 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 5 januari 2012 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel (hierna: de voorzieningenrechter), tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord (met productie) bestreden.

Ten slotte zijn de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Met inachtneming van grief 1 (waarop hieronder wordt teruggekomen), constateert het hof dat het in dit geding om het volgende gaat.

1.1. [appellant] is wegens medeplegen van poging tot doodslag bij arrest van 29 juni 2009 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Ook zijn aan [appellant] bij die uitspraak drie schadevergoedingsmaatregelen opgelegd van samen in totaal € 20.155,06, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 194 dagen vervangende hechtenis. [appellant] en twee mededaders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van dit schadebedrag.

1.2. De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB). Het CJIB heeft [appellant] bij brief van 24 augustus 2009 verzocht de schadevergoeding te voldoen.

1.2. Bij brief van 1 september 2009 heeft het CJIB, na een schriftelijk verzoek van [appellant] daartoe, ingestemd met een voorlopige betalingsregeling van € 18,- per maand gedurende zes maanden.

1.3. Het CJIB is bij brief van 5 januari 2010 akkoord gegaan met de door [appellant] verzochte nieuwe voorlopige betalingsregeling van € 50,- per maand voor de duur van zes maanden.

1.4. Bij brief van 28 juni 2010 heeft het CJIB op verzoek van [appellant] ingestemd met een nieuwe voorlopige betalingsregeling van € 75,- per maand, ook weer voor de duur van zes maanden. Deze betalingsregeling is op verzoek van [appellant] hierna nog een keer met zes maanden verlengd door het CJIB, en wel bij brief van 21 maart 2011. Het CJIB heeft [appellant] hierbij gewezen op het feit dat [appellant] er in de genoemde periode van zes periode alles aan moet doen om het aflossingsbedrag hoger te laten uitvallen of om, bijvoorbeeld door een lening, het bedrag in één keer af te lossen. Ook heeft het CJIB erop gewezen dat volgens het betalingsregelingenbeleid van het CJIB het schadebedrag in maximaal zesendertig maanden moet zijn afbetaald.

1.3. Bij brief van 26 augustus 2011 is namens [appellant] verzocht om de betalingsregeling van € 75,- per maand te verlengen, omdat de financiële situatie van [appellant] was verslechterd doordat zijn arbeidsovereenkomst niet was verlengd. Het CJIB heeft dit verzoek afgewezen bij brief van 8 september 2011, omdat het openstaande bedrag niet binnen zesendertig maanden zou zijn afbetaald.

1.4. In oktober 2011 en in december 2011 is [appellant] schriftelijk door het CJIB aangemaand tot betaling van het volledige openstaande bedrag (volgens het CJIB in december 2011 een bedrag van € 23.709,68 inclusief rente en verhogingen).

2. Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] gevorderd – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank de Staat verbiedt executiemaatregelen tegen hem te nemen ter zake van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, althans de Staat verbiedt om [appellant] in vervangende hechtenis te nemen, althans de Staat verbiedt om maandelijks meer dan € 75,- van [appellant] te vorderen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten van de Staat. Hiertegen richten zich de grieven.

4. Het hof stelt vast dat de burgerlijke rechter in deze zaak bevoegd is, nu [appellant] impliciet aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Voorts kan [appellant] in zijn vorderingen worden ontvangen, aangezien hij het doel van zijn vordering (verbod tenuitvoerlegging vervangende hechtenis althans verbod incasso van meer dan € 75,- per maand) met geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang kan bereiken.

5. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen staat bij de beoordeling van dit geschil voorop dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Het CJIB is door het openbaar ministerie belast met de executie van schadevergoedingsmaatregelen. Het CJIB heeft in deze een ruime beleidsvrijheid, zodat zijn beslissingen slechts marginaal getoetst kunnen worden. Daarbij is van belang dat, zoals eveneens terecht is overwogen in het bestreden vonnis, de wijze waarop het CJIB schadevergoedingsmaatregelen ten uitvoer legt, is neergelegd in de Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling (laatstelijk: Staatscourant 2010, 20473, rectificatie Staatscourant 2011, 20473 (hierna: de Aanwijzing)). De nu geldende Aanwijzing wijkt niet op relevante punten af van de Aanwijzing zoals deze gold ten tijde van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen aan [appellant]. Als uitgangspunt geldt dat – conform het bepaalde in artikel 561 lid 1 Sv – schadevergoedingsmaatregelen zo snel mogelijk dienen te worden geëxecuteerd, bij voorkeur door inning. Indien verhaal niet succesvol kan worden afgesloten, wordt een arrestatiebevel uitgevaardigd. In bijlage 3 bij de Aanwijzing is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregelingen treft, tenzij een verzoek om een betalingsregeling op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de oplegde schadevergoedingsmaatregel. De termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd bedraagt in beginsel twaalf maanden, doch deze termijn kan in bijzondere gevallen worden verlengd tot zesendertig maanden. In uitzonderingsgevallen, waarin sprake is van een schrijnende situatie, kan ook van de termijn van 36 maanden worden afgeweken. Nu gesteld noch gebleken is dat dit beleid als zodanig onrechtmatig is, moet onderzocht worden of het beleid ook op juiste wijze is toegepast.

6. Het hof zal eerst grief 3 behandelen, welke grief is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat in deze onvoldoende is gebleken van een schrijnende situatie als bedoeld in de Aanwijzing. Deze grief faalt. [appellant] heeft onder meer aangevoerd dat de Staat er niet beter van wordt als hij in vervangende hechtenis wordt genomen gelet op de hieraan verbonden kosten en dat ook de slachtoffers er niet bij zijn gebaat, aangezien hij gedurende die periode niets zal kunnen betalen. Dit betoog heeft niet het door [appellant] voorgestane gevolg, reeds niet omdat dit in de meeste zaken waarin een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd het geval zal zijn en dit op zichzelf de situatie van [appellant] dan ook niet schrijnend maakt. Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat hij wel wil betalen maar dat hij dit niet kan. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij door zijn detentie tijdelijk geen inkomsten uit arbeid kon genereren en dat hij zich daarna steeds heeft ingespannen om een baan met een zo hoog mogelijk inkomen te verwerven, maar dat dit door zijn veroordeling en de tegenzittende arbeidsmarkt erg moeilijk was. [appellant] ziet er echter aan voorbij dat volgens vaste rechtspraak betalingsonmacht niet in de weg staat aan het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel met vervangende hechtenis (HR 20 juni 2000 NJ 2000, 634, LJN: AA6246 en HR 22 december 2008 NJ 2009, 35, LJN: BF5053). Betalingsonmacht maakt de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis dan ook niet onrechtmatig. Ten slotte is ook het feit dat [appellant] vader is onvoldoende om te concluderen dat de situatie van [appellant] schrijnend genoemd moet worden.

7. Grieven 1 en 2 betogen dat de hoogte van de openstaande vordering niet duidelijk is omdat onbekend is hoeveel de hoofdelijk veroordeelde mededaders hebben betaald en dat de voorzieningenrechter dus ten onrechte heeft aangenomen dat een volledige afbetaling binnen 36 maanden onmogelijk was. Ook deze grieven falen. Bij memorie van antwoord heeft de Staat een overzicht van de betalingen van de mededaders van [appellant] in het geding gebracht, waaruit blijkt dat door hen op dat moment een bedrag van in totaal € 1.619,48 was betaald, zodat nog openstond een bedrag van € 22.757,21 inclusief rente en verhogingen. Het hof acht het niet nodig om [appellant] in de gelegenheid te stellen op dit stuk te reageren, aangezien het overzicht niet noodzakelijk is voor de beoordeling. Op basis van hetgeen tot en met de memorie van grieven door partijen over en weer is gesteld en aan stukken in het geding is gebracht, bestaat immers geen enkele aanleiding uit te gaan van dusdanig substantiële aflossingsbedragen van de mededaders, dat betaling door [appellant] van € 75,- per maand zou leiden tot een volledige afbetaling van het openstaande bedrag binnen 36 maanden. [appellant] – die in deze de stelplicht en bewijslast draagt – heeft dit ook niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt.

8. De conclusie luidt dat van onrechtmatig handelen van de Staat geen sprake is. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld. Op verzoek van de Staat zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met bepaling dat over die proceskostenvergoeding, bij gebreke van (tijdige) betaling, de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 666,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, H.J.H. van Meegen en E.M. Dousma-Valk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2012 in aanwezigheid van de griffier.