Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0856

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
200.109.671-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Kosten kinderopvang meenemen? In hoger beroep voert de man voor het eerst aan dat zijn draagkracht over twee kinderen verdeeld moet worden. Het hof accepteert, hoger beroep dient ook om verzuimen in eerste aanleg te herstellen.

Verweerder heeft te laat het griffierecht betaald, daarom wordt het ingediende verweerschrift buiten beschouwing gelaten. Wel mondelinge voordracht van het verweerschrift op de zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 december 2012

Zaaknummer : 200.109.671/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 10-1878

[appellant]

wonende te [woonplaats], gemeente [plaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.A. Ellenbroek te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 11 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2012, welke verbeterd is bij beschikking van 31 mei 2012.

De moeder heeft op 30 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 22 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

van de zijde van de moeder:

- op 16 oktober 2012 een brief van 15 oktober 2012 met bijlagen.

De zaak is op 26 oktober 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 19 juli 2010 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren een bedrag van € 233,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Tussen partijen staat het volgende vast:

Uit de moeder is geboren de minderjarige [kind X], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige. Van de vader is bij de beschikking van 12 april 2012 van de rechtbank Rotterdam het vaderschap gerechtelijk vastgesteld. De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige. De minderjarige woont bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) voor de minderjarige.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de behoefte van de minderjarige te bepalen op € 156,50 en de verdeling van de behoefte van de minderjarige opnieuw vast te stellen.

3. De moeder bestrijdt het beroep van de vader en verzoekt het hof het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voorts verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg als ook in de kosten van het hoger beroep.

Het door de moeder ingediende verweerschrift en voldoening van het deswege door haar verschuldigde griffierecht

4. Het hof stelt vast dat de moeder het door haar verschuldigde griffierecht in strijd met het bepaalde in artikel 3, vierde lid, Wet griffierechten burgerlijke zaken niet binnen vier weken na indiening van het verweerschrift heeft betaald. Op 12 juli 2012 heeft het hof (de advocaat van) de moeder een brief gestuurd met de mededeling dat het verschuldigde griffierecht naar aanleiding van het ingediende verweerschrift uiterlijk op 27 september 2012 op de bankrekening van het gerecht bijgeschreven moet zijn. Vast staat dat het griffierecht op 19 oktober 2012, derhalve drie weken te laat, door de moeder is betaald. Indien de verweerder (in casu de moeder) het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft voldaan, heeft dat tot gevolg dat de rechter het ingediende verweerschrift niet bij zijn beslissing op het verzoek kan betrekken. Gesteld noch gebleken zijn omstandigheden als bedoeld in artikel 282a, vierde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), die zouden moeten leiden tot de conclusie dat in het onderhavige geval voormeld rechtsgevolg achterwege moet worden gelaten, omdat dat zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het hof zal derhalve het door de moeder ingediende verweerschrift buiten beschouwing laten.

5. De advocaat van de moeder heeft ter zitting het verweerschrift vervolgens mondeling voorgedragen met inachtneming van het procesreglement ter zake.

Behoefte van de minderjarige

6. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de minderjarige ten onrechte de kosten van de kinderopvang heeft meeberekend. De vader voert daartoe onder meer aan dat de noodzaak aan de zijde van de moeder om gebruik te maken van de kinderopvang ontbreekt, nu de moeder nog steeds een bijstandsuitkering ontvangt en derhalve voltijds beschikbaar is voor de zorg over de minderjarige.

7. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kosten van kinderopvang wel meeberekend moeten worden. Zij voert daartoe aan primair, dat partijen ter zitting akkoord waren gegaan met de berekening van de rechtbank en, subsidiair, dat zij in de jaren 2010 en 2011 wel degelijk gebruik heeft moeten maken van kinderopvang en dat zij ook thans nog via de gemeente deelneemt aan trajecten om begeleid te worden naar werk. Op dit moment zijn de kosten kinderopvang echter een stuk lager, te weten € 11,50 netto per maand.

8. Vooreerst stelt het hof vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de basisbehoefte van de minderjarige met ingang van 19 juli 2010 € 156,50 per maand bedraagt. In hoger beroep is niet bestreden dat de ingangsdatum voor de kinderalimentatie 19 juli 2010 is. Evenmin is in hoger beroep bestreden dat voor het bepalen van de behoefte van een minderjarige die nimmer met de ouders in gezinsverband heeft geleefd het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. Partijen twisten over de vraag in welke mate voormeld behoeftebedrag met de kosten van kinderopvang, voorheen € 95,- per maand en thans € 10,50 per maand, verhoogd dient te worden. Nu de moeder een alleenstaande (ouder) is en de kosten voor kinderopvang feitelijk zijn gemaakt, zoals uit de overgelegde stukken blijkt in ieder geval tot en met augustus 2011, acht het hof het redelijk met deze kosten rekening te houden. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat het de moeder niet vrij stond en staat om geen pogingen te doen om aan het arbeidsproces te gaan deelnemen, aangezien zij een bijstandsuitkering ontvangt. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat de behoefte van de minderjarige van € 156,50 per maand voor de periode 19 juli 2010 tot september 2011 (periode I) dient te worden verhoogd met € 95,- per maand. Vanaf 1 september 2011 (periode II) zal het hof een kinderalimentatie vaststellen van € 168,- per maand, te weten de behoefte van de minderjarige van € 156,50 vermeerderd met de huidige kosten kinderopvang van € 11,50 per maand. De grief van de man slaagt gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt in zoverre vernietigen.

Draagkracht van de vader

9. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij het bepalen van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij ook nog onderhoudsplichtig is voor een andere minderjarige, te weten een zoon uit zijn huwelijk met mevrouw V., zodat zijn draagkracht over twee kinderen dient te worden verdeeld.

10. De moeder meent dat de vader deze stelling zelf niet eerder duidelijk naar voren heeft gebracht.

11. Het hof overweegt als volgt. Hoger beroep kan mede dienen tot herstel van verzuimen in eerste aanleg. Naar aanleiding van de overgelegde stukken in hoger beroep acht het hof voldoende aangetoond dat de vader tevens onderhoudsplichtig is voor een andere minderjarige ([kind Y], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats]). Dit brengt mee dat de draagkracht van de vader over twee kinderen dient te worden verdeeld. Nu de door de rechtbank vastgestelde draagkracht in hoger beroep verder niet wordt bestreden, stelt het hof vast dat, rekening houdend met twee kinderen, de draagkracht van de man € 219,- (€ 437,- : 2) per maand bedraagt. De grief van de man slaagt.

12. Wat betreft de verdeling van de behoefte van de minderjarige tussen beide ouders overweegt het hof als volgt. Het bedrag van € 251,- (periode I) en € 168,- (periode II) dient vervolgens naar rato van hun beider draagkracht te worden verdeeld. De draagkracht van de moeder is niet gewijzigd en wordt in hoger beroep ook niet bestreden. De draagkracht van de moeder bedraagt, zoals door de rechtbank vastgesteld, € 26,- per maand. De draagkracht van de vader bedraagt, zoals hierboven vastgesteld, € 219,- per maand. De verhouding van de financiële draagkracht van partijen leidt ertoe dat de behoefte van de minderjarige van € 251,- dan wel € 168,- per maand verdeeld moet worden als volgt: € 27,- per maand voor rekening van de moeder en € 224,- per maand voor rekening van de vader gedurende periode I en € 18,- per maand voor rekening van de moeder en € 150,- per maand voor rekening van de vader gedurende periode II.

Proceskostenveroordeling

13. De moeder verzoekt het hof de vader in de proceskosten te veroordelen, omdat zij meent dat de vader hoger beroep had kunnen voorkomen indien hij in persoon bij de rechtbank ter zitting was verschenen en waardoor volgens haar naar alle waarschijnlijkheid geen hoger beroep nodig was geweest. De vader voert verweer. Het hof is van oordeel dat de door de moeder aangevoerde omstandigheden onvoldoende grond zijn om af te wijken van het uitgangspunt bij familiezaken om de proceskosten te compenseren.

14. Uit het bovenstaande volgt dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:

- met ingang van 19 juli 2010 tot en met 31 augustus 2011 op € 224,- per maand, en

- met ingang van 1 september 2011 op € 150,- per maand, wat betreft de na heden te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de proceskosten;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2012.