Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0853

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
200.110.489-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vernietiging beslissing eenhoofdig gezag bij vader. Onderzoek ter zitting naar de kern van de problematiek levert op dat de moeder vooral weer contact, omgang en informatie wil. Eerst dat aanpakken. Nu geen aanleiding om gezamenlijk gezag te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 19 december 2012

Zaaknummer : 200.110.489/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-9247

[appellant],

thans verblijvende op een geheim adres – woonplaats kiezende te Dordrecht,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E. Hartog te Dordrecht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H.E. Visscher te Dordrecht.

Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland,

locatie Dordrecht,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Middelburg,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 25 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 april 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht.

De vader heeft op 5 september 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 27 november 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De raad heeft het hof bij brief van 2 augustus 2012 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Jeugdzorg heeft een schriftelijke reactie ingediend, gedateerd 28 augustus 2012 en bij het hof binnengekomen op 29 augustus 2012.

De zaak is op 28 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door mevrouw mr. S. Zwiers, zijn advocaat

- mevrouw C.A. Vlietstra (gezinsvoogd) en de heer W.E.D. van der Linden namens Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank – voor zover van belang in hoger beroep – uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag van de ouders over de hierna te noemen minderjarige beëindigd en bepaald dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan de vader toekomt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Onder meer staat het volgende vast:

De minderjarige [kind X], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige, is geboren uit de moeder. De vader heeft de minderjarige erkend op 22 maart 2004. Vervolgens zijn partijen gehuwd geweest, als gevolg waarvan zij beiden het ouderlijk gezag over de minderjarige kregen. Op 2 december 2009 is het huwelijk van partijen ontbonden. De minderjarige verblijft thans bij de vader.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag ten aanzien van de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende alsnog het verzoek van de vader om wijziging van het gezag af te wijzen.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de grieven van de moeder af te wijzen en het hoger beroep ongegrond te verklaren.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het in het belang is van de minderjarige dat de vader alleen met het gezag over hem wordt belast. De moeder voert daartoe onder meer aan dat zij geen verweer kon voeren in eerste instantie en met betrekking tot andere procedures, omdat zij niet ingeschreven stond bij de GBA (gemeentelijke basisadministratie). De moeder heeft haar leven thans beter op orde en wenst weer betrokken te worden bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij wenst de band met de minderjarige te herstellen. Voorts maakt de moeder zich zorgen over de thuissituatie van de vader en over de negatieve houding van de vader ten opzichte van haar. Daarnaast stelt de moeder zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij feitelijk geen invulling geeft aan het ouderlijk gezag en dat er op korte termijn geen verbetering valt te verwachten in de communicatie tussen de ouders. De moeder voert daartoe aan dat zij ongewild een tijdje geen invulling heeft kunnen geven aan het gezag, maar dat zij daartoe thans weer in staat is. Zij heeft de vader nooit belemmerd in de uitoefening van zijn gezag, zodat er geen sprake is van een situatie waarbij de minderjarige klem of verloren raakt. Voorts is de moeder bereid om, onder begeleiding van Jeugdzorg, de communicatie met de vader te herstellen, zodat er wel uitzicht op verbetering is.

5. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft beslist dat hij voortaan alleen met het gezag over de minderjarige moet worden belast. De vader voert daartoe onder meer aan dat de moeder weliswaar stelt dat zij haar leven weer op orde heeft, maar dat zij dat niet aangetoond heeft en dat hij vreest dat deze opleving van korte duur zal zijn. Nu het eindelijk beter gaat met de minderjarige is het van belang dat hij rust krijgt en dat de stabiele situatie niet verstoord wordt. De vader staat open voor contactherstel tussen de minderjarige en de moeder, mits het voor langere tijd goed gaat met de moeder. De vader stelt dat de moeder in het verleden wel degelijk handelingen heeft verricht die de uitoefening van het gezag voor hem bemoeilijkten. Verder betwist de vader dat de moeder niet op de hoogte was van de verschillende procedures.

6. Jeugdzorg heeft gesteld dat de minderjarige rust en stabiliteit nodig heeft. In augustus 2012 is hij begonnen met speltherapie. Jeugdzorg meent dat de moeder tot op heden weinig heeft gedaan met haar wens om het contact tussen haar en de minderjarige te herstellen. De moeder is onvoldoende bereikbaar voor Jeugdzorg.

7. Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is naar voren gekomen dat het de moeder op dit moment vooral dwars zit dat zij niet wordt geïnformeerd over de minderjarige. Nadat deze kwestie met beiden partijen is besproken, zijn partijen in onderling overleg een informatieregeling overeengekomen inhoudende dat de vader eenmaal per maand de moeder schriftelijk zal informeren omtrent de minderjarige waarna de moeder schriftelijk daarop zal reageren en dat deze reactie via Jeugdzorg aan de vader zal worden gezonden. Daarbij heeft Jeugdzorg ter zitting aangegeven dat zij, hoewel zij van plan was de ondertoezichtstelling te laten eindigen per februari 2013, toch een verlenging zal gaan aanvragen met als doel de ouders bij voormelde informatieregeling te kunnen begeleiden. Het voor de minderjarige achterliggende belang bij voortzetting van de ondertoezichtstelling is dat met de ter zitting gemaakte afspraken, waarbij de rol van Jeugdzorg vitaal is, in de toekomst mogelijk beide ouders weer een rol in het leven van de minderjarige kunnen spelen. Het hof acht het voorstaande in het belang van een goede ontwikkeling van de minderjarige.

Het hof overweegt verder als volgt. Op grond van artikel 1:253 n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1:251 a BW kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de rechtbank op dat moment en onder de toen aanwezige omstandigheden op goede gronden heeft beslist om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Het hof ziet geen reden om van de beslissing van de rechtbank en de daarvoor gehanteerde gronden af te wijken en neemt deze gronden hierbij over. De moeder heeft voorts in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangedragen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Weliswaar heeft de moeder in de afgelopen tijd een positieve ontwikkeling doorgemaakt, maar deze ontwikkeling is te pril om daaraan de conclusie te verbinden, dat er thans geen onaanvaardbaar risico meer zou bestaan bij (voortzetting van) gezamenlijk gezag. Gelet daarbij op de stabiliteit die de minderjarige op dit moment ervaart, is het hof van oordeel dat het risico op destabilisatie dient te worden voorkomen. Beide partijen hebben een andere visie over hetgeen in het verleden heeft gespeeld, maar niet in geschil is dat partijen en de minderjarige een belast verleden hebben. In dit stadium is de eerste stap om ook de moeder weer een rol als ouder te doen vervullen, contactherstel tussen de ouders en het in gang zetten van een goede informatievoorziening. Van daaruit kunnen in de toekomst vervolgstappen volgen, zo als die betreffende omgang tussen de moeder en de minderjarige.

8. Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van den Wildenberg en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2012.