Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0617

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
200.052.074
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen erfgenamen over de waardering van een woning welke in het kader van de verdeling aan een van hen is toegedeeld. Datum waardering. Waarde per peildatum. Waardering al dan niet in verhuurde staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.052.074/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 282771/07-1106

arrest van de familiekamer van 5 juni 2012

inzake

1. zoon 1,

wonende te [woonplaats],

2. dochter 1,

wonende te [woonplaats],

3. dochter 2,

wonende te [woonplaats]

appellanten,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de appellanten,

advocaat mr. A.J.G. Jukema te Bergschenhoek,

tegen

zoon 2,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procesadvocaat mr. E.J.P. Nolet te ‘s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 10 december 2009 zijn de appellanten in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 21 januari 2009 en het tussenvonnis van 7 oktober 2009 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de bestreden vonnissen) tussen de appellanten als eisers en de geïntimeerde als gedaagde gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de voormelde vonnissen heeft gemeld.

Bij memorie van grieven, waarbij een productie is gevoegd, hebben de appellanten drie grieven aangevoerd. Zij vorderen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het tussenvonnis op 21 januari 2009, alsmede het tussenvonnis van 7 oktober 2009 door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen, te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) en, opnieuw rechtdoende, al dan niet met aanvulling dan wel met verbetering van de gronden:

I. te bepalen dat de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] in de verdeling van de nalatenschap van de op [in] 1995 (het hof leest: 1985) overleden [vader van partijen] (hierna: de erflater) dient te worden betrokken tegen de vrije waarde in het economisch verkeer in onbewoonde staat per de datum van feitelijke verdeling:

II. de geïntimeerde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Bij memorie van antwoord heeft de geïntimeerde de grieven bestreden. De geïntimeerde concludeert dat het het hof behage te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden, de bestreden vonnissen, met veroordeling van de appellanten in de kosten van het hoger beroep.

Vervolgens hebben de appellanten arrest gevraagd en hun procesdossier aan het hof overgelegd. Het hof merkt op dat - in afwijking van de desbetreffende mededeling in zijn memorie van antwoord - de geïntimeerde zijn procesdossier niet heeft overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het vonnis van 7 oktober 2009 heeft de rechtbank voor zover hier van belang, alvorens verder te beslissen, partijen bevolen, deugdelijk vertegenwoordigd en vergezeld van hun raadslieden voor de rechter te verschijnen op een door deze in overleg met de raadslieden van partijen nader te bepalen datum en tijdstip teneinde (een) deskundige(n) te benoemen, de resterende geschilpunten te onderzoeken en om zo mogelijk een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven. Voorts is bepaald dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld en dat daartoe het eindvonnis niet behoeft te worden afgewacht.

2. Nu ter zake van voormeld vonnis sprake is van een zuiver tussenvonnis en de rechter daarin tussentijds hoger beroep heeft opengesteld, kunnen de appellanten in hun hoger beroep tegen dat vonnis worden ontvangen. Zij kunnen hierdoor tevens worden ontvangen in hun hoger beroep tegen het eerdere tussenvonnis van 21 januari 2009, ongeacht of de rechter ook in dat vonnis hoger beroep daartegen heeft opengesteld.

3. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 3.1 in het vonnis van 21 januari 2009 is niet opgekomen zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

4. Gelet op de grieven en de vordering van appellanten ligt aan het hof voor de in de verdeling te betrekken waarde van de sedert 1966 door de geïntimeerde bewoonde woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning), welke deel uitmaakt van de in 1985 opengevallen nalatenschap van de erflater, waarin partijen als erfgenamen gerechtigd zijn.

5. De appellanten stellen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de woning in de verdeling dient te worden betrokken tegen de waarde in bewoonde staat per de datum van overlijden van de erflater. Volgens de appellanten dient de woning op grond van vaste rechtspraak te worden gewaardeerd tegen de huidige vrije waarde in het economisch verkeer, nu de geïntimeerde tevens een van de erfgenamen is en hij de desbetreffende woning toegedeeld wenst te krijgen. De appellanten zijn van mening dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de geïntimeerde de woning in geval van toedeling aan hem vrij van huur en gebruiksrechten tegen de vrije waarde in het economisch verkeer aan een derde zou kunnen vervreemden.

De appellanten maken voorts bezwaar tegen de overweging van de rechtbank dat de woning dient te worden gewaardeerd per datum van overlijden van de erflater omdat de geïntimeerde voldoende heeft aangetoond dat hij sinds dat overlijden alle eigenaarslasten zou hebben voldaan, hetgeen de appellanten betwisten. Volgens de appellanten regardeert het voldoen van eigenaarslasten de peildatum voor de waardering van de woning niet. In dat geval zou enkel sprake zijn van een vordering wegens onverschuldigde betaling van de geïntimeerde op de erfgenamen, welke vordering reeds teniet is gegaan door verrekening met de huurschuld die de geïntimeerde aan de gezamenlijke erfgenamen heeft.

6. De geïntimeerde heeft de grieven gemotiveerd bestreden. Volgens de geïntimeerde is hij huurder van de woning op grond van een huurcontract voor onbepaalde tijd. Een eventuele koper van de woning zal op grond van artikel 7:226 lid 1 BW gebonden zijn aan die huurovereenkomst, zodat de woning in de verdeling moet worden betrokken voor de waarde in verhuurde/bewoonde staat. Ten aanzien van de peildatum voor de waardering van de woning voert de geïntimeerde aan dat de rechtbank in haar overweging naast het voldoen van eigenaarslasten door de geïntimeerde uitdrukkelijk andere zwaarwegende omstandigheden in haar oordeel heeft betrokken. Het gaat daarbij met name om de omstandigheid dat twee van de appellanten vlak voor het overlijden van de erflater ieder het eigendomsrecht van de erflater toebehorende woningen heeft verkregen, tegen een gunstige prijs. De rechter achtte het volgens de geïntimeerde redelijk dat ook de geïntimeerde de door hem bewoonde woning tegen gunstige voorwaarden in eigendom zou verkrijgen. De geïntimeerde stelt dat hij het - gelet op de terminale fase van de ziekte van de erflater - destijds onethisch vond om de woning tegen een gunstige prijs van de erflater te verkrijgen. Ten slotte stelt de geïntimeerde dat hij altijd alle met de woning verbonden lasten heeft betaald, waaronder met name de eigenaarslasten.

7. Aangezien de grieven zich hiertoe lenen, zal het hof deze hieronder gezamenlijk bespreken.

Tijdstip waardering

8. Het hof overweegt als volgt. Voor de waarde van tot een gemeenschap behorende goederen moet in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij door partijen anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Het hof acht in de onderhavige zaak termen aanwezig om van de hoofdregel af te wijken en overweegt daartoe het volgende.

9. Als in hoger beroep onweersproken, staat tussen partijen vast dat de geïntimeerde de woning sinds 1966 bewoonde en deze huurde van de erflater. Of de geïntimeerde de huur al dan niet regelmatig voldeed, doet aan het bestaan van de huurovereenkomst op zichzelf niet af. Tevens staat als onweersproken vast dat [zoon 1] de belendende woning aan de [adres] te [plaatsnaam] kort voor het overlijden van de erflater van hem heeft gekocht en dat voor de heffing van de overdrachtsbelasting de waarde van deze woning is bepaald op NGL 44.500,-. Daarnaast heeft [dochter 2] de destijds door haar bewoonde woning aan de [adres] kort voor het overlijden van de erflater van hem gekocht, volgens productie 4 in eerste aanleg (verslag van de bespreking van de geïntimeerde ten kantore van mr. R.P. Kroes, notaris) voor een bedrag van NLG 28.500,-. Geen der partijen betwist voorts in hoger beroep dat het in het kader van de verdeling van de nalatenschap van de erflater in de bedoeling lag de in die nalatenschap vallende, door de geïntimeerde bewoonde, woning aan hem toe te delen. Partijen konden het na het openvallen van de nalatenschap van de erflater echter om hen moverende redenen niet eens worden over de waardering van de woning, welke situatie - gelet op de onderhavige procedure - tot op heden voortduurt.

10. Uit het voorgaande volgt dat de twee voornoemde appellanten kort voor het overlijden van de erflater ieder een aan de erflater toebehorende woning in eigendom hebben verkregen. Het hof leidt uit de stukken af dat zij hiervoor destijds ieder een min of meer marktconforme prijs hebben betaald. Nu het tijdstip van verkrijging van voormelde woningen met inachtneming van de toen geldende waarde - en daarmee koopprijs - door voornoemde appellanten gelegen is nabij de sterfdatum van de erflater, het daarnaast kennelijk van meet af aan de bedoeling is geweest dat de geïntimeerde de door hem gehuurde woning na het overlijden van de erflater toegedeeld zou krijgen, en de huurovereenkomst ook na het overlijden van erflater heeft voortgeduurd en daarmee de verplichting tot het betalen van de huurtermijnen, acht het hof het redelijk en billijk dat deze woning wordt gewaardeerd per de sterfdatum van de erflater, zijnde [in] 1985.

11. Het hof is voorts met de appellanten van oordeel dat het al dan niet door de geïntimeerde voldoen van de eigenaarslasten van de woning de peildatum voor de waardering van die woning niet regardeert. In geval van betaling van deze lasten heeft de geïntimeerde slechts een vordering ter zake op de gezamenlijke erfgenamen. Gelet hierop hebben de appellanten in het kader van het onderhavige hoger beroep geen belang meer bij hun derde grief waarin zij klagen dat de geïntimeerde niet heeft aangetoond dat hij sinds het overlijden van de erflater de eigenaarslasten van de woning heeft betaald. Deze grief behoeft derhalve geen nadere bespreking.

Waarde woning per peildatum

12. De kwestie die thans nog aan het hof voorligt, is of de woning op de peildatum [in] 1985 tegen de waarde in verhuurde staat of tegen de vrije waarde in het economisch verkeer moet worden gewaardeerd. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het feit dat de woning ten tijde van het overlijden van de erflater was verhuurd, vormt een waardedrukkende factor. Dit heeft naar het oordeel van het hof eveneens te gelden indien - zoals in casu - sprake is van een erfgenaam die niet enkel als deelgenoot maar ook uit hoofde van zijn huurrecht de woning gebruikt. De bevoegdheid van de geïntimeerde tot gebruik van de woning is daardoor immers niet (enkel) gebaseerd op zijn rechtspositie als deelgenoot. Dat heeft betekenis voor de waardering en het hof is daardoor van oordeel dat de woning per peildatum dient te worden gewaardeerd naar de waarde in verhuurde staat. In het kader van de tussen deelgenoten in acht te nemen beginselen van redelijkheid en billijkheid neemt het hof daarbij tevens in aanmerking de omstandigheid dat [dochters 1] kort voor het overlijden van de erflater de door haar bewoonde woning kennelijk eveneens tegen de waarde in bewoonde staat in eigendom heeft verkregen.

13. Dit alles leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis in zoverre - zij het deels op andere gronden - moet worden bekrachtigd.

14. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

15. Gelet op de hierna te geven beslissing in hoger beroep, behoeft het bewijsaanbod van de geïntimeerde eveneens geen nadere bespreking.

16. Het hof zal de proceskosten tussen partijen in hoger beroep compenseren daar partijen in een familierechtelijke relatie tot elkaar staan. Omstandigheden op grond waarvan van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, zijn gesteld noch gebleken. De vorderingen van partijen om elkaar te veroordelen in de kosten van het hoger beroep zullen derhalve worden afgewezen.

17. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst de vordering van de appellanten af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Van Dijk en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2012 in aanwezigheid van de griffier.