Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0448

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
BK-11/00413
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Bron van inkomen? Betaalde rente en kosten eigenwoningschuld. Verrekenbare verliezen. Persoonsgebonden aftrek. Wet dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0466
V-N Vandaag 2013/352
V-N 2013/15.23.17

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00413

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 18 december 2012

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 18 mei 2011, nr. AWB 10/8897 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft op 3 september 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.257 (aanslagnummer [xxxxxxxxxxxx]), alsmede de in deze aanslag besloten liggende beschikkingen verliesvaststelling en restant persoonsgebonden aftrek beide met een grondslag van nihil gegeven.

1.2. De Inspecteur heeft bij brief van 23 augustus 2010 meegedeeld dat het belastbare inkomen uit werk en woning tevens verzamelinkomen moet worden verminderd tot € 2.289.

Deze vermindering is bij ambtshalve genomen beschikking verleend.

1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 december 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar is eerst de Inspecteur verschenen. Nadat de Inspecteur de zaal had verlaten is belanghebbende verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. De Inspecteur heeft bij faxbericht van 17 december 2012 te kennen gegeven geen gebruik te maken van de mogelijkheid om te reageren op de reactie van belanghebbende die is opgenomen in het proces-verbaal.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.384 negatief. Daarbij heeft hij rekening gehouden met een bedrag van € 46.641 negatief als resultaat uit overige werkzaamheden en een bedrag van € 1.968 (€ 2.468 -/- drempel) aan studiekosten. Voorts is in de aangifte een restant persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren vermeld van € 392.720.

3.2. De Inspecteur is van de aangifte afgeweken en heeft daarbij de onderstaande aftrekposten niet geaccepteerd:

a. € 46.641 aan kosten terzake van het resultaat uit overige werkzaamheden;

b. € 1.968 aftrek studiekosten.

3.3. De Inspecteur heeft het door hem vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning van € 4.257 vóór de uitspraak op bezwaar ambtshalve verminderd tot op € 2.289. Daarbij heeft hij alsnog rekening gehouden met een aftrek aan studiekosten van € 1.968. Dat heeft niet geleid tot een lagere te betalen aanslag nu deze al nihil was.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of:

1. of belanghebbende recht heeft op aftrek van kosten en lasten in verband met inkomsten uit overige werkzaamheden, dan wel dat sprake is van een bron van inkomen;

2. of belanghebbende recht heeft op een (hogere) aftrek van betaalde rente en kosten eigen woningschuld;

3. of belanghebbende recht heeft op een aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld;

4. of belanghebbende recht heeft op een (hogere) aftrek ziektekosten en

5. of belanghebbende recht heeft op een restant persoonsgeboden aftrek of nog te verrekenen verliezen.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.2. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert - naar het Hof begrijpt  - tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van in ieder geval € 409.545 negatief en tot het vaststellen van een beschikking verrekenbaar verlies van minimaal € 409.545 en een beschikking restant persoonsgebonden aftrek.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep nog van belang – het volgende overwogen, waarbij voor “eiser” respectievelijk “verweerder” dient te worden gelezen belanghebbende onderscheidenlijk de Inspecteur:

“Bron van inkomen

5. Er is sprake van een bron van inkomen indien wordt deelgenomen aan het economische verkeer, daarmee het behalen van voordeel wordt beoogd en dat voordeel ook redelijkerwijs is te verwachten. Voor de beantwoording van de vraag of een voordeel redelijkerwijs is te verwachten, dient te worden onderzocht of van de desbetreffende activiteiten redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij blijvend verliesgevend zijn, dan wel de belastingplichtige (in de toekomst) positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren (vgl. Hoge Raad 1 februari 2002, nr. 36 238, LJN: AD8763, BNB 2002/128).

6. Nu eiser een negatief resultaat uit overige werkzaamheden claimt, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van een bron van inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser in 2006 en 2009 een zeer geringe omzet heeft behaald van respectievelijk € 1.500 (2006) en € 1.900 (2009) en dat hij in 2007 en 2008 in het geheel geen omzet heeft behaald. In 2007 en 2008 heeft eiser uitsluitend kosten gemaakt ten bedrage van € 24.909 en € 46.641; ook in 2006 en 2009 overtreffen de kosten ruimschoots de baten. De door eiser in de periode 2006 tot en met 2009 behaalde omzet valt dan ook volstrekt in het niet bij de door eiser in die jaren gemaakte kosten. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs kan verwachten met zijn advieswerkzaamheden per saldo positieve voordelen te behalen. Dus is van een bron van inkomen in het jaar 2008 geen sprake. De stelling van eiser dat hij in 2008 geen opdrachten heeft uitgevoerd, maar dat hij in verband met acquisitiewerkzaamheden in dat jaar veel kosten heeft gemaakt, doet aan voormeld oordeel niet af. De inschrijving in de Kamer van Koophandel maakt dit ook niet anders.

Betaalde rente en kosten eigenwoningschuld

7. De door eiser in de bezwaarfase opgevoerde aftrek van betaalde rente en kosten zien op bank- en rentekosten (€ 157,55), inrichtingskosten (€ 502,43), kosten tuin (€ 2.607,50). Nu uit niets blijkt dat eiser geen eigenwoningschuld heeft, heeft verweerder terecht een bedrag van € 3.267,48 niet in aftrek toegestaan. Over de aard van de geclaimde kosten is niets concreets gesteld, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat de kosten, zou er wel een eigenwoningschuld zijn, daarmee verband houden. Ook om deze reden kunnen de kosten niet als betaalde rente en kosten eigenwoningschuld worden aangemerkt.

Persoonsgebonden aftrek

8. De rechtbank stelt voorop dat verweerder alsnog ambtshalve vóór de uitspraak op bezwaar alsnog de door eiser voorgestane aftrek voor de studiekosten heeft verleend. Voorts komen de door eiser in het beroepschrift opgevoerde ziektekosten niet voor aftrek in aanmerking, nu die kosten betrekking hebben op het jaar 2007.

Verrekenbare verliezen of restant persoonsgebonden aftrek

9. Eiser heeft gesteld dat er in het onderhavige jaar verrekenbare verliezen zijn dan wel een restant persoonsgebonden aftrek is ten bedrage van € 392.720. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser aannemelijk maakt dat met zijn inkomen van het onderhavige jaar verliezen dan wel een restant persoonsgebonden aftrek uit andere jaren moet(en) worden verrekend. Eiser heeft, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat hij voor het onderhavige jaar recht heeft op verrekening aan verliezen dan wel een restant persoonsgebonden aftrek uit andere jaren.

Dwangsom

10. Eiser heeft voorts, naar de rechtbank begrijpt, nog verzocht om een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op een aanvraag. Nu eiser niet heeft aangegeven waarop de door hem gevraagde dwangsom betrekking heeft, komt het verzoek reeds hierom niet voor toewijzing in aanmerking.

11. Al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot vermindering van de aanslag.

Slotsom

12. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond. “

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift en hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep naar voren heeft gebracht geen nieuwe gronden aangedragen ter staving van zijn standpunt dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, noch dat de beschikkingen ten onrechte niet dan wel tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.

7.2 Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt dat oordeel en de gronden waarop deze berust tot de zijne. In aanvulling daarop heeft het Hof nog het volgende overwogen.

7.3. Aangezien de onderhavige aanslag tot een bedrag van nihil is vastgesteld dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard. Bij gegrondverklaring van het beroep respectievelijk hoger beroep leidt dat immers niet tot een lager bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting en/of premies volksverzekeringen.

7.4. De beschikkingen, waarvoor de rechtsmiddelen van bezwaar, beroep en hoger beroep door de wetgever zijn opengesteld, zijn evenmin tot een te laag bedrag vastgesteld. De rechtbank heeft in onderdeel 9 van haar uitspraak een juist oordeel gegeven. Ook uit dien hoofde is het hoger beroep ongegrond.

7.5. Belanghebbende heeft met nadruk gevraagd in de uitspraak in te gaan op zijn schrijven van 1 juli 2011, meer in het bijzonder punt 18. Hij is van mening dat hij recht heeft op een forse belastingteruggave die hij in ieder geval op minimaal€ 7.879,80 berekent. Het Hof heeft zich over deze brief gebogen en vindt, gelet op het vorenoverwogene, daarin geen grond om tot een zodanige teruggave te kunnen besluiten.

7.6. Het Hof ziet geen aanleiding om een vergoeding voor schade toe te kennen of de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen toe te passen. De wettelijke termijn voor het opleggen van een aanslag bedraagt drie jaar na het verstrijken van het belastingjaar (artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 4.13, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht). Daarbinnen heeft de Inspecteur de onderhavige aanslag opgelegd. De genoemde termijn van drie jaar wordt overigens verlengd in het geval uitstel voor het doen van aangifte is verleend voor de duur van het verleende uitstel. In het onderhavige geval is herhaalde malen uitstel verleend. Reden voor toepassing van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen is er niet.

7.7. Belanghebbende heeft voorts geklaagd over de lange termijn die de Inspecteur zichzelf gunt voor het beantwoorden van de vragen van belanghebbende dan wel nader te reageren op de door hem gegeven antwoorden. De wetgever heeft de Inspecteur slechts in een beperkt aantal gevallen een termijn van openbare orde gesteld aan de overschrijding waarvan gevolgen zijn verbonden. Van zo’n geval is in het onderhavige geval niet gebleken. Daarnaast is de Inspecteur in beginsel is gehouden binnen een redelijke termijn een reactie te geven op correspondentie van een belastingplichtige, zo daartoe in de brieven redelijkerwijs een aanknopingspunt kan worden gevonden. Indien de Inspecteur dat achterwege laat, leidt dat echter niet tot het verminderen van de in het geding zijnde aanslag.

7.8. Gelet op het vorenoverwogene moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, mr. P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y Postema. De beslissing is op 18 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.