Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0430

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
200.013.250
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Nakoming verdelingsafspraken. Overname schuld woning en (doen) ontslaan uit hoofdelijkheid. Gehoudenheid tot aflossing van een schuld in verband met tweede hypotheek. Redelijke termijn. Inboedelzaken. Waarde verzameling. Kosten verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.013.250/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 304087 / KG ZA 08-167

arrest van 18 december 2012

inzake

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. E.A. Vermeer-Wartna te ’s-Gravenhage,

tegen

de man,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.P.L.C. Dijkgraaf te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 21 augustus 2008 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 juli 2008 van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel recht.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het be¬stre¬den vonnis heeft ver¬meld.

Bij memorie van grieven heeft de vrouw drie grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden.

Bij akte van 8 december 2009 (op de akte is abusievelijk 8 december 2008 vermeld) heeft de vrouw haar eis gewijzigd.

Bij akte van 19 januari 2010 heeft de man gereageerd op de wijziging van eis.

Op 16 februari 2010 heeft de vrouw een antwoordakte tevens inhoudende akte overlegging producties genomen en daarbij twee producties in het geding gebracht.

Op 22 maart 2011 heeft de vrouw een akte houdende overlegging producties genomen en daarbij drie producties in het geding gebracht.

Op 19 april 2011 heeft de man bij antwoordakte één productie overgelegd.

Beide partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Feiten

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:

in conventie:

- de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van de helft van de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering behorende bij de tweede hypotheek;

- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- het meer of anders verzochte afgewezen;

in reconventie:

- de vorderingen afgewezen;

- bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beoordeling van het hoger beroep

De overgelegde procesdossiers

1. Het hof merkt allereerst het volgende op. Het hof is gebleken dat de door partijen overgelegde procesdossiers niet geheel overeenkomen. Mr. Vermeer-Wartna heeft in de begeleidende brief van 16 mei 2011 aangegeven dat zij ten aanzien van de stukken betreffende de zaak in eerste aanleg nooit heeft kunnen beschikken over een volledig dossier, aangezien zij de zaak op 14 september 2009 heeft overgenomen van mr. J. Groen, de eerdere advocaat van de vrouw.

2. Het hof zal op basis van beide procesdossiers arrest wijzen, nu het tot de verantwoordelijkheid van de opvolgend advocaat behoort ervoor zorg te dragen dat deze over alle relevante processtukken beschikt.

3. Voor de volledigheid geeft het hof hieronder weer in welk opzicht het procesdossier van de man en de vrouw van elkaar verschillen.

- het procesdossier van de vrouw bevat als extra:

- een niet ondertekende brief van de vrouw, gedateerd 9 maart 2008.

- het procesdossier van de man bevat als extra:

- bij de conclusie van antwoord in kort geding van de man de producties 1,2 en 3;

- een ondertekende brief van de vrouw, gedateerd 10 maart 2008;

- een brief van de zijde van de man, gedateerd 11 maart 2008, met producties;

- de pleitnotities van mr. M.W.R. Hoogstraten van 12 maart 2008;

- een brief van de zijde van de man, gedateerd 3 april 2008, met producties;

- een briefje van de griffier van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel, gedateerd 12 maart 2008 met de mededeling dat de zaak pro forma is aangehouden tot 5 april 2008;

- een ondertekende brief van de vrouw, gedateerd 15 mei 2008, met bijlagen;

- een brief van de zijde van de vrouw, gedateerd 19 juni 2008, met het verzoek het wijzen van vonnis vier weken aan te houden;

- een brief van de zijde van de vrouw, gedateerd 9 juli 2008, waarin wordt verzocht vonnis te wijzen;

- bij de akte houdende overlegging producties van de vrouw van 22 maart 2011: een uitdraai van een drietal pagina’s van internet.

Het geschil

4. In geschil is de nakoming door de man van hetgeen in het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 oktober 2007 ten aanzien van de verdeling van de gemeenschapsgoederen verworven dan wel ontstaan tijdens de samenlevingsrelatie van partijen is bepaald.

5. De vrouw vordert, blijkens de memorie van grieven en de akte houdende wijziging van eis, dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de man alsnog veroordeelt tot nakoming van het bepaalde in het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 oktober 2007 tussen de partijen gewezen op straffe van een dwangsom van € 250,- een gedeelte daarvan voor een hele dag te rekenen, voor iedere dag dat de man geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, meer in het bijzonder:

A) primair:

de schuld van thans circa € 61.000,- verband houdende met de tweede hypotheek, rustende op de woning aan de [adres] te ’s-Gravenhage over te nemen en de vrouw te (doen) ontslaan uit haar hoofdelijke verplichtingen ter zake;

subsidiair:

de schuld van € 98.000,- geheel af te lossen binnen zes maanden na de datum van de appeldagvaarding zodat de vrouw op die wijze kan worden ontslagen van haar hoofdelijke verplichtingen te dier zake, althans zolang het voorgaande niet is geëffectueerd de man te veroordelen om te blijven voldoen aan zijn verplichtingen op grond van de eerste en tweede hypotheek te weten van 19 april 2005 af € 601,50 (zijnde 50% van het verschil tussen de maandelijkse bedragen, die nu door de vrouw en de man worden betaald) te voldoen aan de vrouw;

B) de aan de man toebehorende niet gemeenschappelijke inboedelzaken waaronder een bierpullenverzameling inclusief de bijbehorende vitrinekasten door een professioneel verhuisbedrijf op kosten van de man te laten verwijderen uit voormelde woning, zonder daarbij gerechtigd te zijn zich persoonlijk of zijn familie of vrienden in de woning van de vrouw te begeven, binnen één week na het ten deze te wijzen arrest;

C) te bepalen dat de vrouw in het kader van een schadevergoeding van de man te vorderen en te ontvangen heeft de somma van € 2.402,90, nu de man ten onrechte het bedrag van

€ 4.247,83 heeft ontvangen, en de man conform het vonnis van 31 oktober 2007 een bedrag van € 1.844,93 toekomt;

kosten rechtens.

6. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof de vorderingen van de vrouw onder A en B af te wijzen. De vordering van de vrouw onder C kan volgens de man worden toegewezen in die zin dat de man dit bedrag mag verrekenen met de vordering tot vergoeding van de helft van de waarde van de inboedel op 1 mei 2004.

De tweede hypothecaire geldlening

7. In het vonnis van 31 oktober 2007 is de woning aan de [adres] te ’s-Gravenhage (gewaardeerd op € 202.500,-) en de schuld van € 226.890,11 in verband met de eerste hypothecaire geldlening rustend op die woning toegedeeld aan de vrouw. Aan de man is de schuld van € 98.000,- in verband met de tweede hypothecaire geldlening rustend op voormelde woning toegedeeld.

9. De vrouw is van mening dat de financiële draagkracht van de man zodanig groot is dat de man de het restant bedrag van de geldlening binnen een termijn van zes maanden kan aflossen.

10. De man heeft in punt zes van zijn memorie van antwoord gesteld dat hij slechts gehouden is met in achtneming van zijn financiële mogelijkheden deze schuld binnen een redelijke termijn af te lossen. De man is van mening dat hij binnen een alleszins redelijke termijn de lening aflost.

11. Het hof overweegt als volgt. Schulden kunnen niet aan een partij worden toegedeeld. Een schuld is geen goed. Voor schuldoverneming is de medewerking nodig van degene die de geldlening heeft verstrekt. Het hof begrijpt het vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 31 oktober 2007 aldus dat de man in de onderlinge verhouding van partijen gehouden is om de schuld van € 98.000,- te voldoen. De rechtsverhouding tussen deelgenoten in een onverdeelde gemeenschap wordt mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is mede afhankelijk van alle feiten van het betreffende geval. Gezien de omvang van het af te lossen bedrag acht het hof het redelijk en billijk dat de man binnen een redelijke termijn de betreffende schuld aflost. Op basis van de informatie die de man heeft verstrekt is het hof van oordeel dat de man binnen een redelijke termijn voldoet aan de betaling van de schuld van € 98.000,-. De grief treft derhalve geen doel. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeft het overige dat door de vrouw is gesteld met betrekking tot de schuld van € 98.000,- geen verdere bespreking meer.

De bierpullenverzameling en vitrinekasten

12. De tweede grief van de vrouw betreft de aan de man toebehorende niet gemeenschappelijke inboedelzaken waaronder een bierpullenverzameling inclusief de vitrinekasten. Deze grief beperkt zich, blijkens de toelichting op de grief en de reactie van de man, tot de bierpullenverzameling en de bijbehorende vitrinekasten. Het hof zal dan ook alleen over deze verzameling en vitrinekasten oordelen.

13. In het vonnis van 31 oktober 2007 is bepaald dat de bierpullenverzameling, inclusief de bijbehorende vitrinekasten, wordt toegedeeld aan de man. De rechtbank heeft deze verzameling, inclusief de vitrinekasten, gewaardeerd op € 5.000,-. Dit bedrag is door partijen niet bestreden.

14. Tussen partijen is niet in geschil dat de bierpullenverzameling en de bijbehorende vitrinekasten moeten worden toegedeeld aan de man. De vrouw is echter van mening dat deze verzameling en de vitrinekasten door een professioneel bedrijf moeten worden verwijderd uit de woning van de vrouw en dat de man de kosten hiervan voor zijn rekening moet nemen. Volgens de man is dit niet nodig.

15. Het hof oordeelt als volgt. De man heeft gesteld dat de vitrinekasten destijds, zoals de vrouw stelt, weliswaar door een professioneel verhuizer met een kraan naar binnen zijn gehesen, maar dat de vitrines uit elkaar gehaald en vervolgens via de trap en de galerij afgevoerd kunnen worden. Nu de vrouw dit niet heeft weersproken en gelet op de niet bestreden waarde van de bierpullenverzameling inclusief de vitrinekasten van € 5.000,- is het hof van oordeel dat inschakeling van een professioneel verhuisbedrijf niet vereist is, laat staan dat de kosten hiervan voor rekening van de man dienen te komen. De vrouw heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Dat de vrouw de man en zijn familie en vrienden niet in haar huis wil hebben uit vrees voor agressief gedrag, is hiertoe onvoldoende. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat partijen in maart 2009 een afspraak hadden gemaakt dat een verhuisploeg de bierpullen en vitrines zou verhuizen en dat de man geen deel uit zou maken van deze verhuisploeg. De vrouw heeft de verhuizing echter op het allerlaatste moment afgezegd. Bij voornoemde afspraak in maart 2009 heeft, zo blijkt uit de stukken, de advocaat van de man ook aan de advocaat van de vrouw laten weten dat de verhuisploeg de volledige verantwoordelijkheid neemt voor het afvoeren van de vitrines en bierpullen. Nu er naar het oordeel van het hof geen feiten en omstandigheden door de vrouw zijn gesteld die rechtvaardigen dat er voor de verhuizing een professioneel bedrijf moet worden ingeschakeld treft de tweede grief geen doel.

De schadevergoeding

16. Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat op grond van het vonnis van 31 oktober 2007 van het bedrag aan schadevergoeding van in totaal € 6.092,76 een bedrag van

€ 4.247,83 aan de vrouw toekomt en een bedrag van € 1.844,93 aan de man.

17. De man heeft in zijn akte van 19 januari 2010 erkend dat hij een bedrag van € 4.247,83 heeft ontvangen, terwijl hij slechts gerechtigd was tot een bedrag van € 1.844,93.

18. Gelet op het vorenstaande dient de man een bedrag van € 2.402,90 aan de vrouw te voldoen. De man wenst dit bedrag te verrekenen met de vordering tot vergoeding van de helft van de waarde van de inboedel op 1 mei 2004. De vrouw stelt dat van enige overbedeling helemaal geen sprake is, nu dit niet aan de orde is.

19. In het vonnis van 31 oktober 2007 is bepaald dat de gemeenschappelijke inboedelzaken bij helfte dienen te worden verdeeld tegen vergoeding van de overwaarde indien één van partijen daarbij zou worden overbedeeld. Het hof is niet gebleken van enige verdeling van de gemeenschappelijke inboedelzaken laat staan van enige overbedeling. De man heeft derhalve geen overbedelingsvordering op de vrouw, compensatie van de vorderingen is niet mogelijk nu er niet sprake is van twee opeisbare en voor verrekening vatbare vorderingen.

20. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van de vrouw onder C dient te worden toegewezen en de vordering van de man moet worden afgewezen. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis vernietigen voor zover daarbij de vorderingen van partijen betreffende deze schadevergoeding zijn afgewezen en bepalen dat de man een bedrag van € 2.402,90 aan de vrouw dient te voldoen.

21. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het Hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij de vorderingen van partijen met betrekking tot de schadevergoeding van in totaal € 6.092,76 zijn afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man wegens door hem zonder recht of titel teveel ontvangen bedrag aan schadevergoeding aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 2.402,90;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. Lückers, Labohm en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2012 in aanwezigheid van de griffier.