Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY9798

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-11-2012
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
200.027.096
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2738, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:489
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen erfgenamen en partner van erflater. Wanneer is relatie tussen erfgenaam en partner beeindigd? In de gegeven omstandigheden geen sprake van het metterwoon verlaten van de woning door erflater. Vorderingen van de nalatenschap op de partner in het kader van gekochte en verkochte woningen. Lijfrente. Verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.027.096

Zaak- rolnummer Rechtbank : 223987 / HA ZA 04-2524

arrest van 27 november 2012.

inzake

Mr. D.L. JAQUET,

kantoor houdende te Woerden,

in zijn hoedanigheid van vereffenaar - hierna : de vereffenaar - van de nalatenschap van [erflater],

van wie de erfgenamen zijn:

kind 1,

wonende te A,

en

kind 2

wonende te B,

appellanten

advocaat: mr. M. de Boorder te `s-Gravenhage

tegen

de partner van erflater,

wonende te C,

in deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [....] als bewindvoerder

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.P. Heering te `s-Gravenhage.

1. Het geding

Bij exploot van 24 september 2009 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 4 juni 2008 en 22 oktober 2008 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Het hof verwijst naar zijn tussenarresten van 26 januari 2010 en van 30 augustus 2011.

Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis heeft de vereffenaar – die de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigd – 5 grieven geformuleerd. De vereffenaar en de erfgenamen worden hierna zowel afzonderlijk als tezamen aangeduid als appellanten.

Geïntimeerde heeft een akte houdende wijziging en vermeerdering eis genomen.

Bij arrest van dit hof van 30 augustus 2011 is de wijziging van eis toegestaan.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden.

De zaak is op 12 oktober 2012 bepleit, namens appellanten door mr. M. de Boorder en namens geïntimeerde door mr. M. Boender-Radder.

De partijen hebben hun procesdossiers aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Door appellanten is gevorderd: het den hove behage om de tussen partijen op 4 juni en 22 oktober 2008 onder zaak/rolnummer 223987 HA ZA 04-2524 in conventie en reconventie gewezen vonnissen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest dat uitvoerbaar bij voorraad is voor zover de wet dat toelaat:

A) te verklaren voor recht dat de nalatenschap van wijlen de heer [erflater], op [in] 2003 te Rotterdam overleden, als gevolg van de beneficiaire aanvaarding daarvan door zijn erfgenamen op 15 februari 2005, dient te worden afgewikkeld met inachtneming van boek 4, titel 6, afdeling 3 Burgerlijk Wetboek; met veroordeling van gedaagde om de boedel van de nalatenschap binnen 14 dagen na de betekening van het in deze zaak gewezen arrest te brengen in de staat van voor het vonnis van 22 oktober 2008 bij niet nakoming op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,- per dag met een maximum van € 500.000,-;

B) te verklaren voor recht dat tot de activa van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] behoort een vordering op geïntimeerde ten bedrage van € 83.307,67 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2003, tot de dag der algehele voldoening;

C) te verklaren voor recht dat tot de activa van voornoemde nalatenschap behoort een vordering op geïntimeerde gelijk aan € 197.500,- verminderd met de helft van de verkoopopbrengst van het appartement [adres] te Rotterdam en vermeerderd met de wettelijke rente, althans 6% per jaar, over € 197.500,- vanaf 5 april 2003 tot de dag van betaling;

D) te verklaren voor recht dat de relatie tussen [erflater] en [partner van erflater] op 8 september 2002 is geëindigd en/of hij de woning metterwoon heeft verlaten en om geïntimeerde te veroordelen om binnen 14 dagen na het in deze zaak aan te wijzen arrest alle geëxecuteerde lijfrente aan de boedel te betalen, subsidiair ten aanzien van de lijfrentes in geval uw hof mocht oordelen dat de relatie wel is blijven bestaan tot aan de dood van [erflater] en hij de woning metterwoon heeft verlaten deze te beperken tot de periode van het overlijden van [erflater] tot en met 2007, de einddatum van de bewoning van de woning door geïntimideerde [partner van erflater] en de erfenis af te wikkelen op basis van boek 4 art 202 juncto 223 BW;

E) geïntimeerde te veroordelen om op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, bij niet nakoming, dat zij daarmede in gebreke mocht blijven nadat 10 dagen na de betekening van het arrest zijn verstreken aan appellanten, althans aan appellant sub 2 in diens hoedanigheid van testamentair executeur, de persoonlijke eigendommen (sieraden, foto`s, vergulde borden en een bureau) alsmede de volledige administratie (waaronder bankafschriften) van wijlen de heer [erflater] af te geven;

F) geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Is de relatie beëindigd voor de dood van erflater?

2. Appelanten stellen in grief 1 van hun memorie van grieven dat de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is dat de relatie tussen erflater en geïntimeerde niet vanaf september 2002 maar door het overlijden van erflater op [in] 2003 is beëindigd.

3. Door appellanten is onder meer het navolgende aangevoerd:

1. uit een aantal producties en verklaringen kan worden afgeleid dat de relatie tussen erflater en geïntimeerde was beëindigd in september 2002;

2. de advocaat van geïntimeerde heeft aangegeven dat geïntimeerde het aandeel van de woning van erflater in beginsel wenst te kopen en vraagt welke inboedelgoederen erflater uit de woning wenst te ontvangen, het duidelijk is dat geïntimeerde instemt met het einde van de relatie en het samenwonen en de gevolgen daarvan wenst af te wikkelen.

3. er wordt dus ruim 1,5 maand door beide partijen gesteld dat de affectieve relatie is beëindigd en dat er geen gemeenschappelijke huishouding meer is totdat de heer [A] voor zijn schoonmoeder een andere advocaat vindt en een totaal andere koers wordt ingeslagen;

4. erflater is op zichzelf gaan wonen met thuiszorg en teruggegaan naar dezelfde dagopvang waar hij eerder naar toeging;

5. erflater heeft de woning metterwoon verlaten en heeft geïntimeerde niets meer laten horen en kon zichzelf handhaven zonder psychogeriatrische verpleging;

6. de verzorging die hij kreeg was zeker niet groter dan de verzorging die hij kreeg aan de [adres] en dat is het idee waar partijen van uit zijn gegaan bij de bepaling van de inhoud van het begrip metterwoon verlaten;

7. op 5 november 2002 heeft erflater aan geïntimeerde doen mededelen dat was besloten tot vervreemding van zijn aandeel in de mede – eigendom van het appartement aan de [adres]. De plicht tot vervreemding is, ook nadat erflater op 8 november 2002 onder curatele is gesteld met benoeming van [...] tot curator, bij herhaling kenbaar gemaakt.

8. vanaf 5 december 2002 tot op de dag van vandaag is geïntimeerde in gebreke gebleven om mee te werken aan verkoop van het hele appartement – dat toen een waarde had van € 395.000.

4. Door geïntimeerde wordt in haar verweer op grief 1 onder meer het juridisch kader aangegeven tussen erflater en geïntimeerde. Door geïntimeerde wordt verwezen naar de kansovereenkomst tussen geïntimeerde en erflater die op 2 juli 2001 ten overstaan van een notaris is overeengekomen. In deze kansovereenkomst is gesteld:

1. Dat ondergetekenden met elkander samenleven en een gemeenschappelijk huishouden voeren;

2. Ingeval van (beëindiging van deze overeenkomst) door overlijden van een der partijen, verblijven alle goederen, welke partijen in onverdeelde mede-eigendom toebehoren, aan de andere partij, zonder dat deze deswege tot enige uitkering verplicht is;

3. De in deze overeenkomst gemaakte bedingen berusten mede op de voor elk der partijen aanwezige verplichting van moraal en fatsoen over en weer, om naar de mate van het mogelijke te zorgen voor het onderhoud van de langstlevende hunner, welke natuurlijke verbintenis bij deze wordt omgezet in een civiele verbintenis.

5. Voorts verwijst geïntimeerde naar een overeenkomst tussen haar en erflater welke op 5 april 2001 ten overstaan van een notaris tot stand is gekomen. In deze overeenkomst is bepaald:

1. Onder het begrip metterwoon verlaten wordt niet begrepen opname in een bejaarden - ,verzorgingshuis of verpleeginrichting dan wel een soortgelijke inrichting.

6. Op basis van hetgeen geïntimeerde met erflater is overeengekomen blijft de wederzijdse verzorging bestaan indien één van hen wordt opgenomen in een bejaardenhuis. De niet opgenomen partij mag dan de gezamenlijke woning blijven bewonen waarbij de kosten van de huishouding door partijen worden gedragen op vergelijkbare wijze zoals voorafgaand aan het vertrek van de vertrekkende partij.

7. Onder de opschortende voorwaarde van overlijden van de eerststervende van hen hebben wijlen [erflater] en geïntimeerde bij de meervermelde overeenkomst van 5 april 2001 bovendien een recht van gebruik en van bewoning gevestigd ten behoeve van de langstlevende van hen, zodat de erfgenamen van de overleden partij niet het woonrecht van de langstlevende kunnen aantasten.

8. Door geïntimeerde wordt uitdrukkelijk betwist dat de affectieve relatie tussen haar en de erflater was beëindigd alsmede dat zij de wens had tot verkoop van de gezamenlijke woning.

9. Door geïntimeerde is bovendien gesteld:

• dat zij dertig jaar lief en leed met erflater heeft gedeeld;

• dat de toestand van erflater in zijn laatste levensjaren verslechterde, hetgeen tot uitdrukking kwam doordat hij medio 2002 in verwarde toestand op straat werd aangetroffen, liften ontregelde, op andermans deuren bonkte, angstig was en `s nachts zeer onrustig was en dan ging dwalen.

• dat het voor geïntimeerde te zwaar was om erflater dag en nacht te begeleiden;

• dat het er op lijkt dat de kinderen van erflater, om hun moverende redenen, een poging hebben gedaan de affectieve relatie tussen erflater en geïntimeerde te torpederen;

• dat erflater vanaf 8 september 2002 niet meer in staat was om zijn eigen belangen te behartigen dan wel zijn wil zelf te bepalen;

• dat in 1999 bij erflater de ziekte van Alzheimer is gediagnosticeerd. Erflater is hiervoor in behandeling gegaan bij dr. T.J.M. Cammen in het Erasmus Medisch Centrum;

• dat appellante sub 2 op 28 augustus 2002 een verzoek heeft ingediend tot onder curatele stelling van erflater. De rechtbank Rotterdam heeft op 8 november 2002 de curatele uitgesproken;

• dat dr Smit op 27 augustus 2002 heeft geschreven: ” Desalniettemin is de situatie de laatste weken sterk verminderd. Het RIAGG heeft inmiddels de zorg overgenomen en patiënt staat voor zover mij bekend op de wachtlijst voor opname in de psychogeriatrie’.

9.Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat erflater en geïntimeerde gedurende een periode van 30 jaar een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en dat zij hun rechten en verplichtingen met betrekking tot de vermogensrechtelijke gevolgen van de samenleving in een aantal overeenkomsten hebben geregeld. Het hof acht bewezen dat erflater vanaf 1999 onder behandeling was vanwege de ziekte Alzhiemer. Het hof acht gezien de feiten en omstandigheden zoals gesteld door geïntimeerde bewezen dat erflaters medische situatie zorgelijk was. Dat de toestand van erflater zorglijk was wordt mede bevestigd door het feit dat appellant sub 2 een verzoek tot ondercuratelestelling heeft ingediend op 28 augustus 2002 hetgeen tot een ondercuratelestelling heeft geleid per 8 november 2002. Voorts volgt uit de verklaring van Dr Smit op 27 augustus 2002 dat de situatie met betrekking tot erflater sterk is verminderd.

Naar het oordeel van het hof kan het vertrek van erflater uit de gemeenschappelijke woning onder de hiervoor omschreven omstandigheden niet worden aangemerkt als het metterwoon verlaten van de gemeenschappelijke woning als bedoeld in voormelde (aanvullende) overeenkomst. Naar het oordeel van het hof is erflater tot vertrek uit de gemeenschappelijke woning gedwongen vanwege zijn medische situatie en kan als oorzaak van dit vertrek niet worden aangemerkt het beëindigen van de affectieve relatie na 30 jaar. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de affectieve relatie tussen erflater en geïntimeerde is geëindigd door zijn dood. Geïntimeerde is derhalve jegens appellanten gerechtigd om nakoming te vorderen met betrekking tot de rechten en plichten voorvloeiende uit de overeenkomsten met betrekking tot samenleving. Grief 1 treft derhalve geen doel.

Vordering op geïntimeerde

10. In grief 2 en 3 stellen appellanten dat moet worden vastgesteld of en zo ja tot welk bedrag geïntimeerde een schuldverplichting heeft aan de nalatenschap van erflater.

11. In grief 2 en 3 worden de vorderingen als volgt nader omschreven:

A) Een vordering uit hoofde van de financiering van de door erflater en geïntimeerde in de loop der jaren aan- en verkochte woningen, vermeerderd met rente vanaf 4 april 2003;

B) Een vordering uit hoofde van schadevergoeding wegens het ten onrechte niet mee werken aan de verkoop van het appartement [adres] te Rotterdam, subsidiair uit hoofde van een vanaf [in] 2003 verschuldigde gebruiksvergoeding met rente vanaf 4 april 2003.

12. De onder A vermelde vordering hebben appellanten onderbouwd op de bladzijden 1118 tot en met 1120. Zij berekenen de vordering op een bedrag van € 83.307,67.

13. Door geïntimeerde wordt op bladzijde 9 van haar memorie van antwoord gesteld dat appellanten hun vermeende vordering niet hebben onderbouwd.

14. Het hof overweegt als volgt. Gezien het feit dat geïntimeerde gemotiveerd betwist dat zij een bedrag van € 83.307, 67 aan erflater verschuldigd was, rust op appellanten de bewijslast aan te tonen dat geïntimeerde daadwerkelijk dit bedrag aan erflater verschuldigd was.

15. Vaststaat dat erflater en geïntimeerde een dertigjarige relatie met elkaar hebben gehad en dat er door hen drie woningen zijn bewoond. Met betrekking tot de eerste woning heeft geïntimeerde de helft van de woning aan erflater verkocht. De twee opvolgende woningen zijn door partijen in mede-eigendom verworven. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat erflater en geïntimeerde in hun onderlinge verhouding iets hebben vastgelegd ter zake van wederzijdse verplichtingen uit hoofde van de financiering van de woningen of dat geïntimeerde met betrekking tot de woningen nog enig bedrag aan erflater verschuldigd was. Op basis van de door appellanten in het geding gebrachte stukken kan het hof niet vaststellen of geïntimeerde enig bedrag aan erflater nog verschuldigd is. Op grond van een aantal overgelegde losse bankafschriften kan het hof niet vaststellen of er rechtens relevante vermogensmutaties hebben plaatsgevonden tussen erflater en geïntimeerde waaraan erflater enig gevolg had willen verbinden. Indien erflater enig bedrag van geïntimeerde had te vorderen met betrekking tot de financiering van de woningen had het mede op zijn weg gelegen om het een en ander (goed) vast te leggen. Nu hij dit niet heeft gedaan komt dit voor rekening en risico van de erfgenamen als opvolgers onder algemene titel.

15. De vordering onder B heeft betrekking op de stelling van appellanten dat geïntimeerde haar medewerking had moeten verlenen aan de verkoop van de woning aan de [adres] te Rotterdam. Uit de stellingen van geïntimeerde volgt dat er geen verplichting voor haar is om mee te werken aan de verkoop van de woning.

16. Het hof overweegt als volgt. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is de relatie tussen erflater en geïntimeerde beëindigd door zijn overlijden. Op basis van hetgeen geïntimeerde met erflater was overeengekomen in het kader van hun samenleving was zij, ook nadat erflater de woning had verlaten, gerechtigd tot bewoning van het appartement. Met betrekking tot het overlijden zijn erflater en geïntimeerde met elkaar overeengekomen een recht van gebruik met betrekking tot het appartement. Het hof is van oordeel dat geïntimeerde gerechtigd is tot het gebruik van het appartement te Rotterdam aan de [adres].

Lijfrente

17. In grief 4 b stellen appellanten dat de door geïntimeerde gevorderde en toegewezen lijfrente moet worden afgewezen.

18. Geïntimeerde gaat op bladzijden 39 tot en met 40 in op de problematiek van de lijfrente. Uit het betoog van geïntimeerde volgt dat zij van mening is dat zij recht heeft op de lijfrente van € 15.000,- per jaar en dat er geen gronden zijn om die te beperken.

19. Het hof overweegt als volgt. Uit het testament van erflater van 22 april 2002 volgt dat geïntimeerde – die het betreffende legaat niet heeft verworpen - recht heeft op een lijfrente van € 15.000,- per jaar. Naar het oordeel van het hof hadden erflater en geïntimeerde tot het moment van overlijden van erflater met elkaar een relatie. In dat perspectief bezien voldoet het legaat van € 15.000,- aan de wens van erflater om geïntimeerde goed verzorgd achter te laten na zijn overlijden. Er zijn naar het oordeel van het hof geen rechtens relevante gronden aangevoerd door appellanten op grond waarvan dient te worden geoordeeld dat geïntimeerde haar vorderingsrecht uit hoofde van het legaat lijfrente niet kan effectueren.

Persoonlijke eigendommen

20. In grief 5 stellen appellanten dat geïntimeerde aan hen dient af te geven:

1. de lijfsieraden van erflater;

2. diens zakelijke en privé administratie;

3. foto`s;

4. privé zaken van erflater.

21. In de toelichting verwijzen appellanten naar al het voorgaande in de memorie van grieven.

22. Door geïntimeerde wordt betwist dat zij de door appellanten gevorderde zaken bezit.

23. Het hof overweegt als volgt. Gezien de gemotiveerde ontkenning van geïntimeerde dat zij in het bezit is van de door appellanten gevorderde zaken rust op appellanten de bewijslast dat geïntimeerde in het bezit is van de zaken zoals hiervoor vermeld. Op basis van de gewisselde stukken kan het hof niet vaststellen dat geïntimeerde in het bezit is van persoonlijke zaken van erflater die zij op grond van het testament van erflater aan appellanten dient af te geven.

Verklaring voor recht

24. Onder a van het petitum vorderen appellanten een verklaring voor recht met veroordeling van gedaagde om de boedel van de nalatenschap binnen 14 dagen na de betekening te brengen in de staat van voor het vonnis van 22 oktober 2008.

25. Geïntimeerde heeft op bladzijde 42 van haar memorie van grieven gesteld dat het onder a gevorderde een vermeerdering van eis is. Door geïntimeerde wordt betwist dat door appellanten de nalatenschap beneficiaire is aanvaard.

26. Het hof overweegt als volgt. In de memorie van grieven geven appellanten geen nadere onderbouwing voor hun vermeerdering van eis. Voor een beneficiaire aanvaarding is noodzakelijk dat de erfgenaam een daartoe strekkende verklaring aflegt ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis van erflater. In de memorie van grieven heeft het hof niet gelezen dat een dergelijke verklaring door appellanten is afgelegd. Gezien de omvang van het procesdossier van ruim 3070 pagina`s brengt een goede procesorde met zich mede dat appellanten in ieder geval aan het hof hadden dienen aan te geven waar het hof de bescheiden had kunnen aantreffen waaruit die gestelde beneficiaire aanvaarding blijkt. Het feit dat appellanten zich in eerste aanleg al in de procedure hebben gesteld geeft eerder een indicatie dat appellanten de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.

Proceskosten

27. Gezien het feit dat appellanten in het ongelijk worden gesteld dienen zij in de proceskosten te worden veroordeeld. Gezien de omvang van de procedure acht het hof het redelijk en billijk om bij de proceskosten uit te gaan van het hoogste tarief.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 4 juni 2008 en 20 oktober 2008 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen;

veroordeelt appellanten in de kosten van deze procedure, aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 18.633,-, gespecificeerd als volgt:

• € 313,-,

• € 18.320,-;

verklaart dit arrest met betrekking tot de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Stollenwerck en Ydema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2012 in aanwezigheid van de griffier.