Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY9741

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-07-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
22-000351-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8590, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag (in vereniging) op [benadeelde partij]. Voorts heeft de verdachte zich gedurende een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne en het in dat verband deelnemen aan een criminele organisatie.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000351-11

Parketnummer: 09-758811-09

Datum uitspraak: 2 juli 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 december 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1986,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, De Schie, te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 9 januari 2012, 16 januari 2012, 4 juni 2012 en 18 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (medeplegen moord) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen doodslag), 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 18 juli 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, op die [benadeelde partij] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [benadeelde partij] is overleden;

2:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 augustus 2009 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 augustus 2009 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, te weten cocaine;

4:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 18 juli 2009 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver en/of bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde

Het hof is - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen door de raadsman van de verdachte is betoogd - van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 impliciet primair (medeplegen moord) ten laste gelegde, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 18 juli 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [benadeelde partij] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet op die [benadeelde partij] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [benadeelde partij] is overleden;

2:

hij in de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 juli 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3:

hij in de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 juli 2009 te 's-Gravenhage, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, te weten cocaïne;

4:

hij op 18 juli 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een revolver en bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde

Het hof is van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn broer [medeverdachte].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de door de getuige [getuige] afgelegde verklaringen volgt dat niet de verdachte in het bezit was van een vuurwapen, maar dat [medeverdachte], de broer van de verdachte, in het bezit was van een vuurwapen.1 [getuige] heeft verklaard over een eerder incident tussen [medeverdachte] en een afnemer van drugs (Janus) waarbij [medeverdachte] een vuurwapen had gebruikt.2 [medeverdachte] heeft eveneens verklaard dat hij wel eens een vuurwapen heeft laten zien aan iemand die probeerde al zijn spullen af te nemen.3

[getuige] heeft voorts verklaard dat de verdachte tijdens een dienst - het rijden voor [getuige] om drugs te verkopen - met [medeverdachte] mee reed voor de veiligheid van [medeverdachte].4

[medeverdachte] heeft aanvankelijk verklaard dat het wapen dat de verdachte de bewuste nacht van 18 juli 2009 bij zich had van hem, [medeverdachte], was.5 Als [medeverdachte] voor [getuige] reed, had hij meestal een wapen bij zich. Het wisselde wie het wapen ten tijde van een autorit bij zich droeg.6 [medeverdachte] heeft verklaard dat als hij in de auto reed, degene met wie hij reed het wapen bij zich had. Dit omdat het ongemakkelijk zat als hij als bestuurder moest rijden met een wapen in zijn broeksband.7

Voorts heeft [medeverdachte] tijdens het verhoor d.d. 25 januari 2010 verklaard:

Op de vraag van één van de verbalisanten: "Wat is er die dag dan anders gegaan? ...... of is het gewoon hetzelfde gegaan, zoals altijd eigenlijk?" antwoordde [medeverdachte]: "Ja, dan zal dat inderdaad." Op de vraag van de verbalisant: "Jullie zijn samen op pad gegaan en hebben hem meegenomen" antwoordde [medeverdachte] "Ja". En op de stelling van de verbalisant "Je hebt hem niet van te voren ergens meegenomen en je bent hem ook niet verloren!" antwoordde [medeverdachte]: "Nee, was dat maar zo."8

Er is geen aanwijzing in het dossier dan wel anderszins voorhanden dat de verdachte zelf de beschikking had over een vuurwapen. Uit de eensluidende verklaringen van [verdachte] en de verdachte volgt dat het de verdachte is geweest die het wapen die bewuste nacht heeft gebruikt.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte en [medeverdachte] die avond een van [medeverdachte] afkomstig vuurwapen bij zich hadden en dat de verdachte dat vuurwapen ten tijde van de autorit bij zich droeg, nu [medeverdachte] de auto bestuurde. Voorts volgt uit het voorgaande dat de verdachte met [medeverdachte] meeging voor de veiligheid van [medeverdachte] in het geval er iets zou gebeuren, bijvoorbeeld een ripdeal. De verdachte bevond zich die bewuste nacht op de achterbank van de auto en was niet of nauwelijks zichtbaar voor potentiële klanten.

De verdachte en [medeverdachte] handelden in drugs. Beide verdachten waren zich er van bewust dat deze handel risico's met zich meebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij zelf meermalen is geript.9 Ook [medeverdachte] heeft verklaard dat hij wist dat rijders van [getuige] regelmatig werden geript.10 [getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte] hem heeft verteld dat hij, [medeverdachte], drie keer is geript.11

De verdachte en [medeverdachte] waren zich op grond van eigen ervaringen en die van anderen bewust van de mogelijkheid dat zij slachtoffers zouden worden van een ripdeal. Zij hielden op 18 juli 2009 rekening met de reële mogelijkheid dat zich een ripdeal zou voordoen.

Na de eerste levering van cocaïne die bewuste nacht aan ene [medeverdachte 2] zijn zij naar aanleiding van een telefoontje van deze [medeverdachte 2] terug gegaan naar diezelfde plaats voor een tweede levering. Ter plaatse vertrouwden zij de zaak niet en reden zij door. Na (nogmaals) telefonisch contact met [medeverdachte 2] zijn zij alsnog terug gegaan om cocaïne te leveren. Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat de verdachte en [medeverdachte] zich bewust waren van de mogelijkheid van een ripdeal. Vervolgens deed zich de situatie van een ripdeal daadwerkelijk voor. De verdachte heeft toen gedaan waarvoor hij was meegekomen: ingrijpen om een ripdeal te voorkomen met gebruikmaking van het wapen dat voor dat doel was meegenomen.

Gelet op het vorenstaande is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte], waarbij [medeverdachte] het wapen aan [verdachte] ter beschikking heeft gesteld voor de veiligheid van hun beiden en waarbij [verdachte] met dit wapen heeft geschoten.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [benadeelde partij].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte

Noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities - aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat de verdachte derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft daartoe - kort samengevat - betoogd dat de broer van de verdachte, [medeverdachte], door [benadeelde partij] met een mes werd bedreigd waartegen de verdachte moest handelen ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf en dat van zijn broer.

Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat het begane feit was geboden ter noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Het hof gaat, gezien het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de processtukken, uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Het hof gaat hierbij uit van de beschrijving van de gang van zaken met betrekking tot de bewuste nacht zoals door de verdachte en zijn broer (tevens medeverdachte) [medeverdachte] is geschetst, nu er gebrek aan bewijs is voor een andere lezing.

Op 18 juli 2009 heeft - kort samengevat - het volgende plaatsgevonden.

Op 18 juli 2009 bezorgden [medeverdachte] en de verdachte samen, met de auto, drugs voor [getuige]. Die nacht werden zij gebeld door een Nederlandse man, [medeverdachte 2], die voor een bedrag van € 100,- cocaïne kocht. Later die nacht belde [medeverdachte 2] weer. De verdachte en zijn broer [medeverdachte] zijn hierop naar de Heliotrooplaan te

's-Gravenhage gereden om [medeverdachte 2] te ontmoeten. Dit keer was [medeverdachte 2] echter in het gezelschap van een andere man. [medeverdachte], de bestuurder van de auto, vertrouwde het niet en reed door. [medeverdachte 2] belde weer en zei tegen de verdachte, die de telefoon opnam, dat het goed was. De verdachte zei toen tegen [medeverdachte] dat hij terug moest rijden. [medeverdachte] reed terug. Niet [medeverdachte 2] stapte in de auto, maar de andere man (het latere slachtoffer [benadeelde partij]), die op de bijrijderstoel ging zitten. [benadeelde partij] vroeg voor € 100,- cocaïne aan [medeverdachte]. Op het moment dat [medeverdachte] de drugs uit zijn broekzak haalde en zijn hoofd weer oprichtte, heeft [benadeelde partij] een mes gepakt en bedreigde [medeverdachte] hiermee. [medeverdachte] riep twee maal de naam van de verdachte. De verdachte schoof daarop van rechts naar links op de achterbank van de auto, zag het mes en schoot direct twee keer op de man die op de bijrijderstoel zat.

Het hof is van oordeel dat het handelen van [benadeelde partij] een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, althans een bedreiging daarmee, tegen het lijf van de broer van de verdachte, [medeverdachte], opleverde, waartegen verdediging geboden was.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is evenwel vereist dat het handelen van de verdachte heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Naar het oordeel van het hof voldoet het handelen van de verdachte daaraan niet.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de eigen verklaring van de verdachte leidt het hof af dat hij op het bewuste moment rechts op de achterbank van de auto lag met het vuurwapen in zijn hand, zodat hij, als er iets zou gebeuren, "paraat stond", de mensen kon afschrikken.12 Vervolgens zag de verdachte het slachtoffer voorin in de auto stappen. Zijn broer [medeverdachte] vroeg aan het slachtoffer voor hoeveel hij wilde hebben. Het slachtoffer zei toen dat hij voor € 100,- wilde hebben. Vervolgens zag de verdachte dat het slachtoffer iets wilde pakken dat in zijn jaszak zat. Hij kon niet zien wat het was. De verdachte heeft niet gehoord dat, zoals [medeverdachte] heeft verklaard, het slachtoffer tegen [medeverdachte] heeft gezegd dat hij hem alles moest geven. Pas toen de verdachte hoorde dat [medeverdachte] zijn naam riep, zag hij bij de man een mes in de hand. Toen heeft de verdachte meteen twee keer op de man geschoten.13

Met betrekking tot de handelingen die het slachtoffer met het mes heeft verricht, heeft de verdachte verschillend verklaard. Tijdens het verhoor op 10 december 2009 bij de politie heeft hij verklaard dat hij zag dat "die gozer, deed bij die jaszak, deed iets zo en haalde die mes en hij wou richting mijn broer toe".14 Later in dit verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij het mes in de richting van zijn broer zag gaan.15 In het verhoor van 2 februari 2010 heeft de verdachte verklaard dat de man het mes in de richting van de keel van zijn broer stak.16 Ter zitting in eerste aanleg d.d. 6 december 2010 heeft de verdachte verklaard dat hij, toen zijn broer zijn naam riep, naar links schoof en toen een klein stukje zag van iets waarvan hij meteen dacht dat het een mes was.

Hij heeft niet gehoord dat de man gezegd had dat [medeverdachte] alles moest afgeven.17

Uit de diverse door de verdachte afgelegde verklaringen leidt het hof af dat de verdachte vanuit zijn liggende positie op de achterbank niets heeft kunnen waarnemen van wat zich op de stoelen vóór hem afspeelde en dat hij pas toen zijn broer zijn naam riep opzij naar links schoof, waarna hij bij de man een mes in zijn hand zag, welk mes mogelijk in de richting van zijn broer bewoog. Hij heeft toen meteen tweemaal op het lichaam van het slachtoffer geschoten. Nu de verdachte op de achterbank van de auto zat/lag is de schietafstand zeer klein geweest en kan het niet anders zijn dan dat er gericht op het bovenlichaam van het slachtoffer is geschoten.

Naar het oordeel van het hof is een dergelijke wijze van verweer tegen de door het slachtoffer toegepaste bedreiging niet in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het van korte afstand gericht schieten op iemands bovenlichaam kan, naar een ieder moet weten, gemakkelijk de dood tot gevolg hebben. De verdachte had zijn aanwezigheid in de auto kenbaar kunnen maken aan het slachtoffer door iets te zeggen of te roepen dan wel door het vuurwapen te tonen. De verdachte had ook het wapen tegen het hoofd/lichaam van het slachtoffer kunnen houden dan wel kunnen dreigen met een schot. Dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, niet in staat zou zijn geweest tot iets anders dan schieten omdat hij anders zelf dan gewond had kunnen raken, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Het hof overweegt in dit verband nog dat de verdachte bewapend achter in de auto is gaan liggen om in te kunnen grijpen wanneer een klant van plan mocht zijn om zijn broer [medeverdachte] van diens verdovende middelen te beroven. De verdachte en zijn broer [medeverdachte] wisten dat er zich de afgelopen periode diverse ripdeals hadden voorgedaan onder de mensen die voor [getuige] verdovende middelen rondbrachten. Toen een dergelijke ripdeal zich daadwerkelijk voordeed, had de verdachte geen enkele reden om aan te nemen dat deze klant, [benadeelde partij], iets anders zou doen met het mes dan dreigen, teneinde [medeverdachte] te dwingen tot afgifte van de verdovende middelen. Het als reactie hierop gericht schieten op het bovenlichaam van [benadeelde partij], met de aanmerkelijke kans op diens dood, is zoals gezegd niet in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Noodweerexces

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities - betoogd dat het handelen van de verdachte plaatsvond als onmiddellijk gevolg van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging, dat er dus sprake was van noodweerexces.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte en [medeverdachte] handelden in drugs. Beide verdachten waren zich ervan bewust dat deze handel risico's met zich meebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij zelf meermalen is geript.18 Ook [medeverdachte] heeft verklaard dat hij wist dat rijders van [getuige] regelmatig werden geript.19 [getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte] hem heeft verteld dat hij, [medeverdachte], drie keer is geript.20

[medeverdachte] heeft verklaard dat ze het wapen voor de veiligheid bij zich hadden.21 [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij, als hij voor [getuige] reed, regelmatig het wapen bij zich had. Als [medeverdachte] reed, dan had degene met wie hij reed het wapen bij zich.22 De verdachte heeft verklaard dat hij achterin zat voor het geval er iets zou gebeuren en dat hij het wapen bij zich had omdat het om zijn broer ging.23 Het was de bedoeling dat hij achter in de auto niet gezien kon worden.24

De verdachte en zijn broer waren zich op grond van eigen ervaringen en die van anderen bewust van de mogelijkheid dat zij slachtoffers zouden worden van een ripdeal. Zij hielden op 18 juli 2009 rekening met de reële mogelijkheid dat zich een ripdeal zou voordoen. Om die reden had de verdachte op die dag een wapen in zijn hand terwijl hij niet (goed) zichtbaar op de achterbank van de auto lag.

Gelet hierop acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte, toen die ripdeal zich daadwerkelijk voordeed, zo geschrokken was dat hij meteen, vanuit een hevige gemoedsbeweging, gericht op het bovenlichaam van het slachtoffer heeft geschoten. Dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, half slapend op de achterbank van de auto heeft gelegen, acht het hof niet aannemelijk. Dit is niet te rijmen met de omstandigheid dat de verdachte daar met een wapen in de hand juist lag met het oog op de veiligheid bij een drugsdeal en hij net tevoren zelf tot tweemaal toe telefonisch contact had gehad over deze deal, welke hij en zijn broer eerst niet aandurfden maar na dat tweede telefonische contact wel.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

De persoon van de verdachte

Over de persoon van de verdachte hebben H.T.J. Boerboom, psychiater, en P.E. Geurkink, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team, gerapporteerd over hun onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte. Blijkens hun rapportage van 31 mei 2012 hebben zij op grond van dat onderzoek het volgende geconcludeerd -verkort en zakelijk weergegeven-:

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De verdachte heeft voldoende ontwikkelde normen en waarden en ook kan hij zich goed inleven in een ander. Hij kiest er echter zelf voor niet te handelen naar deze inzichten. Vanuit het neuropsychologisch onderzoek blijkt dat de verdachte in onduidelijke situaties weliswaar de neiging heeft te handelen, maar hij is niet verhoogd impulsief. Gelet op het voorgaande zijn er geen gronden om tot enige vermindering in de toerekeningsvatbaarheid te concluderen. Er is derhalve sprake van volledige toerekeningsvatbaarheid.

Gezien de voorgeschiedenis van betrokkene en de gestelde diagnose is er, ondanks dat hij volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht voor het ten laste gelegde, wel enige zorg voor de toekomst. Terugkijkend naar de resocialisatie na de tweede PIJ-maatregel, lijkt het van belang de verdachte, mogelijk in het kader van detentiefasering, langdurig te begeleiden zodat hij beter ingebed kan raken in de maatschappij.

Het hof neemt de conclusie van de deskundigen dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is over en maakt deze tot de hare. De verdachte is, nu ook anderszins niet gebleken is van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten, derhalve strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (medeplegen moord) ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen doodslag), 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag (in vereniging) op [benadeelde partij]. De verdachte heeft door aldus te handelen het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht te leven, ontnomen. Aan de nabestaanden is daardoor onherstelbaar leed toegebracht. Een delict als het onderhavige is schokkend voor de rechtsorde. Daarnaast brengt dit delict bij burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Voorts heeft de verdachte zich gedurende een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne en het in dat verband deelnemen aan een criminele organisatie. Dergelijke handel veroorzaakt op zijn beurt allerlei criminaliteit van verslaafde gebruikers. Cocaïne is bovendien zeer schadelijk voor de gezondheid. Verder heeft de verdachte een revolver en munitie voorhanden gehad. Dit is een ernstig feit, omdat het bezit daarvan - zo in casu is gebleken - al gauw leidt tot het gebruik ervan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Bij het bepalen van de straf heeft het hof rekening gehouden met het eigen aandeel van het slachtoffer bij het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Het hof zal, gelet op de duur van de na te melden gevangenisstraf, de voorlopige hechtenis van de verdachte niet opheffen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.841,40.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 3.841,40.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.398,50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2012 door of namens de verdachte niet betwist ter zake van het door de rechtbank toegewezen bedrag in eerste aanleg. Voor het meerdere dat in hoger beroep wordt gevorderd, wordt de vordering betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 2.398,50 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.398,50 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 7.453,39.

Wegens het overlijden van [benadeelde partij] hebben de erfgenamen van [benadeelde partij] zich in hoger beroep gevoegd.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 7.453,39.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.067,84, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2012 door of namens de verdachte niet betwist ter zake van het door de rechtbank toegewezen bedrag in eerste aanleg. Voor het meerdere dat in hoger beroep wordt gevorderd, wordt de vordering betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 3.067,84 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.067,84 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 11a van de Opiumwet, de artikelen 36f, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen niet bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet primair (medeplegen moord) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen doodslag), 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen doodslag), 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.398,50 (tweeduizend driehonderdachtennegentig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 2.398,50 (tweeduizend driehonderdachtennegentig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.067,84 (drieduizend zevenenzestig euro en vierentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 3.067,84 (drieduizend zevenenzestig euro en vierentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juli 2012.

Mr. L.F. Gerretsen-Visser is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 V/Rijk/31 en V/Rijk/45-46.

2 V/Rijk/31

3 V/MLO/147

4 V/Rijk/29

5 V/MLO/130

6 V/MLO/148

7 V/MLO/130

8 V/MLO/150

9 Verklaring van de verdachte ter zitting d.d. 4 juni 2012

10 V/MLO/145

11 Verklaring van de getuige [getuige] ter zitting d.d. 4 juni 2012

12 V/RVV/99 en de verklaring van de verdachte ter zitting d.d. 4 juni 2012

13 Verklaring van de verdachte ter zitting d.d. 4 juni 2012

14 V/RVV/99

15 V/RVV/105

16 1/V/RVV/157

17 Verklaring van de verdachte ter zitting d.d. 4 juni 2012

18 Verklaring van de verdachte ter zitting d.d. 4 juni 2012

19 V/MLO/145

20 Verklaring van de getuige [getuige] ter zitting d.d. 4 juni 2012

21 V/MLO/115

22 V/MLO/130

23 V/RVV/99

24 V/RVV/104