Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY9740

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
22-001272-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een caravan.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001272-11

Parketnummer: 09-159423-10

Datum uitspraak: 13 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 8 maart 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1952,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland - Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 november 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks de periode van 27 maart 2008 tot en met 19 juni 2008 te Leiden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een caravan (merk Eriba Pan), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks de periode van 27 maart 2008 tot en met 19 juni 2008 te Leiden en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, een caravan (merk Eriba Pan) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die caravan wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan

- overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair (impliciet meer subsidiair) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij omstreeks de periode van 27 maart 2008 tot en met 21 juni 2008 te Leiden en/of Alphen aan den Rijn, een caravan (merk Eriba Pan) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die caravan redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Door de raadsman van de verdachte is - overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Ter adstructie van zijn standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat - zakelijk weergegeven - niet is vast te stellen dat de gestolen caravan van aangever [benadeelde partij] en de caravan die [benadeelde partij 2] heeft gekocht één en dezelfde caravan betreft, en dat evenmin is vast te stellen dat het de verdachte is geweest die de caravan aan [benadeelde partij 2] heeft verkocht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op basis van het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof uit van de navolgende redengevende feiten en omstandigheden. Blijkens het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2008 is de caravan van [benadeelde partij] tussen 27 maart 2008 te 12.00 uur en 19 juni 2008 te 16.45 uur gestolen van het parkeerterrein gelegen aan de Hallenweg te Leiden. De aangever heeft de caravan daar op 27 maart 2008 voor het laatst gezien.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van aangever [benadeelde partij] d.d. 30 september 2009, het

proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde partij 2] d.d. 24 september 2009, alsmede uit het verhoor van getuige [benadeelde partij 2] ter terechtzitting van het hof dat [benadeelde partij 2] enkele weken na de aankoop van de caravan contact met [benadeelde partij] heeft opgenomen, omdat hij op basis van via het internet verkregen gegevens vermoedde dat de caravan die hij te goeder trouw had gekocht de gestolen caravan van [benadeelde partij] was. Nadat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij] per e-mail hadden vastgesteld dat de gestolen caravan en de caravan in het bezit van [benadeelde partij 2] duidelijke overeenkomsten vertoonden, is [benadeelde partij] bij [benadeelde partij 2] gaan kijken. Hierop heeft [benadeelde partij] verklaard dat de caravan die [benadeelde partij 2] in zijn bezit heeft, inderdaad zijn gestolen caravan betreft.

Het hof stelt op basis van de voornoemde verklaringen van [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2] vast dat de gestolen caravan van [benadeelde partij] en de caravan die [benadeelde partij 2] heeft gekocht, één en dezelfde caravan betreft.

Daarnaast overweegt het hof dat de getuige [benadeelde partij 2] zowel bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep eenduidig heeft verklaard over de persoon van wie hij de caravan heeft gekocht. [benadeelde partij 2] heeft bij het sluiten van de koop van de caravan ongeveer medio juni 2008 een identiteitsbewijs aan de verkoper gevraagd en daar zelf een kopie van gemaakt. [benadeelde partij 2] heeft toen vastgesteld dat de verkoper en de persoon op de foto van het identiteitsbewijs één en dezelfde persoon is. Dit identiteitsbewijs blijkt toe te behoren aan de verdachte. Daarnaast heeft [benadeelde partij 2] de verkoper ter terechtzitting in hoger beroep beschreven als "een tengere man, tussen de 45 en 55 jaar oud en met een door het leven getekend gezicht". In het dossier bevinden zich van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie op naam van de verdachte gestelde ID-staten SKDB, waarop gelaatsfoto's van de verdachte zijn afgebeeld, die naar 's hofs eigen waarneming de door [benadeelde partij 2] genoemde gezichtskenmerken vertonen.

Het hof overweegt dat voornoemde bewijsmiddelen zulke belangrijke aanwijzingen bevatten voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde, dat het van de verdachte verwacht mag worden dat hij hieromtrent uitleg geeft. De verdachte heeft bij de politie d.d. 20 juli 2010 ontkend ooit een caravan te hebben verkocht. De verdachte heeft voorts verklaard te vermoeden dat iemand zijn identiteitsbewijs heeft misbruikt, nu hij deze acht maanden geleden heeft verloren. Geconfronteerd met de omstandigheid dat de verkoop van de caravan ruim acht maanden vóór dit verhoor heeft plaatsgevonden, en dat de verdachte blijkens zijn eigen verklaring dientengevolge op het moment van de verkoop de beschikking had over zijn eigen identiteitsbewijs, heeft de verdachte zich vervolgens op zijn zwijgrecht beroepen.

Op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, alsmede het ontbreken van enige verklaring van de verdachte omtrent het gebruik van zijn identiteitsbewijs bij de verkoop van de caravan in juni 2008, is het hof niet alleen van oordeel dat het de verdachte is geweest die de gestolen caravan van [benadeelde partij] aan [benadeelde partij 2] heeft verkocht, doch tevens dat het, gelet op voormelde ontkentenis en het ontbreken van enige verklaring over het gebruik van zijn identiteitsbewijs ten tijde van de verkoop, niet anders kan dan dat hij tenminste had moeten vermoeden dat deze caravan van misdrijf afkomstig was. Derhalve acht het hof de subsidiair (impliciet meer subsidiair) ten laste gelegde schuldheling wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair (impliciet meer subsidiair) bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het primair ten laste gelegde en dat de verdachte zal worden veroordeeld ter zake van het subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een caravan. Dit handelen van de verdachte bevordert het plegen van diefstallen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende en conform de vordering van de advocaat-generaal - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.404,-. De vordering is in eerste aanleg gedeeltelijk toegewezen ter vergoeding van geleden materiële schade tot een bedrag van € 2.465,-

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2.465,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot

niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij, gelet op de gevorderde vrijspraak van het primair ten laste gelegde.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, aangezien hij rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de diefstal van de caravan en niet ten gevolge van de bewezen verklaarde schuldheling.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair (impliciet meer subsidiair) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair (impliciet meer subsidiair) bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. N. Zandbergen, in bijzijn van de griffier mr. V.C. Kool.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 december 2012.

mr. N. Zandbergen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.