Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY9739

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
22-003514-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in een tram, te midden van omstanders, een jongen met wie hij al enige tijd ruzie had meerdere malen met een mes gestoken en hem daarbij potentieel dodelijk letsel toegebracht.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden en gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen. Verder worden er bijzondere voorwaarden gestelf aan het gedrag van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-003514-11

Parketnummers: 10-690402-10 en 10-692145-11

Datum uitspraak: 6 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortejaar] 1993,

ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2012 gedetineerd in de Rijksinrichting voor Jongens De Hartelborgt te Spijkenisse,adres na opheffing voorlopige hechtenis per 23 november 2012 (vermoedelijk): [adres moeder]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 5 april 2012 en 22 november 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is aan de verdachte ter zake van het onder 1 primair (gekwalificeerd als poging tot moord)_en 2 primair ten laste gelegde - met toepassing van het volwassenenstrafrecht - de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. Voorts is beslist over de vordering van de benadeelde partij zoals is vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 oktober 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes in het hoofd en/of de rug en/of de arm, in elk geval in het lichaam, van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 10 oktober 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon (te weten [benadeelde partij 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (te weten één of meer snijwond(en) en/of een klaplong), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg

- meermalen, althans eenmaal, met een mes in het hoofd en/of de rug en/of de arm, in elk geval in het lichaam, te steken en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen/op het lichaam te stompen en/of slaan en/of schoppen en/of trappen en/of stampen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 10 oktober 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- meermalen, althans eenmaal, met een mes in het hoofd en/of de rug en/of de arm, in elk geval in het lichaam, van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen/op het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt en/of gestampt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 21 september 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij 2]

- met kracht bij de keel heeft gegrepen, en/of

- haar keel heeft dichtgeknepen (gehouden) en/of

- heeft geduwd waardoor zij met haar hoofd tegen het kozijn van het raam viel en/of waardoor haar nek tegen de muur aan kwam en/of

- meermalen (telkens) met zijn knie (met kracht) tegen het hoofd heeft geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 21 september 2010 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij 2]), heeft geslagen en/of geduwd en/of geschopt en/of haar keel heeft dichtgeknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee - met name ten aanzien van het bewezenverklaarde (de voorbedachte raad zoals ten laste gelegd onder 1), de kwalificatie van feit 1, de toepassing van het meerderjarigenstrafrecht en de opgelegde TBS-maatregel - niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 oktober 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes in het hoofd en de rug en de arm van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op 21 september 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij 2]

- met kracht bij de keel heeft gegrepen, en

- haar keel heeft dichtgeknepen en

- heeft geduwd waardoor zij met haar hoofd tegen het kozijn van het raam viel en waardoor haar nek tegen de muur aan kwam en

- meermalen met zijn knie met kracht tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid feiten en verdachte

Geen noodweer(exces)

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte bij het onder 1 bewezen verklaarde heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweerexces, nu hij zich geconfronteerd zag met het onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf door het (latere) slachtoffer.

Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd - samengevat weergegeven - dat de verdachte met het slachtoffer wilde praten, dat hij naar hem toe is gelopen en hem heeft aangesproken, waarna het slachtoffer een handbeweging maakte. Deze beweging was tegen de achtergrond van eerdere aanvallen en bedreigingen van de verdachte door het slachtoffer en de daardoor ontstane paniek en angst voor hem, zodanig dreigend dat de verdachte vreesde voor aanranding van zijn lijf.

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- het slachtoffer [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat hij zich op 10 oktober 2010 omstreeks 17:00 uur in tram 23 te Rotterdam bevond. Toen de tram stopte bij de halte Croystraat, zag hij daar onder meer de verdachte staan. Hij zag dat de verdachte instapte en gelijk naar hem toe liep. Het slachtoffer zat achter in de tram. Het slachtoffer zag een mes in verdachtes rechterhand. De verdachte liet het mes zien en richtte dit op het slachtoffer. Deze werd vervolgens diverse malen door de verdachte gestoken.

- De getuige [getuige] heeft verklaard dat het slachtoffer recht tegenover haar in de tram zat en dat hij heel relaxed was. Zij zag dat een jongen de tram binnen stormde en dat deze direct en gericht op het slachtoffer af liep. Ze zag een hand meerdere keren onderhandse stekende bewegingen maken tegen de buik en borst van het slachtoffer.

- De verdachte heeft verklaard dat hij bij de tramhalte het slachtoffer in de tram zag zitten. Hij is vervolgens in de tram gestapt om met het slachtoffer te praten, maar raakte eenmaal in de tram in paniek en is direct gaan steken.

- Uit het "proces-verbaal uitkijken camerabeelden" blijkt dat op die beelden is te zien dat de verdachte de tram binnenloopt, doorloopt naar het slachtoffer dat onderuit gezakt op een stoel zit, dat hij vóór het slachtoffer gaat staan en dat hij hem vervolgens beetpakt, waarbij het slachtoffer zijn arm langs zijn lichaam naar beneden houdt. Op de beelden is ook te zien dat de verdachte een smal en lang voorwerp in zijn rechterhand vasthoudt en dat hij die hand meermalen in de richting van het slachtoffer beweegt. Deze camerabeelden zijn ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2012 bekeken.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden - zoals is aangevoerd - dat het slachtoffer "een handbeweging" jegens de verdachte heeft gemaakt, noch dat de verdachte zich anderszins geconfronteerd zag met het onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf door het slachtoffer. Aldus faalt het beroep op noodweer.

Ook het subsidiair gedane beroep op noodweerexces stuit af op hetgeen hiervoor is overwogen. Het feit dat de verdachte op eerdere momenten door het slachtoffer is aanvallen en bedreigd (volgens hem in 2008, "toen hij zestien was" en "toen hij inmiddels zeventien was"), kan aan laatstgenoemd oordeel niet afdoen. Zo ten aanzien van die eerdere incidenten al zou kunnen worden gesproken van een of meer noodweersituatie(s), dan is toch zoveel tijd verstreken tussen het tijdstip waarop die zijn geëindigd en de bewezen verklaarde gedragingen, dat die gedragingen niet als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht kunnen gelden.

Geen voorbedachte raad

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte heeft gepoogd het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven te beroven.

Het hof stelt daarbij het volgende voorop.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen/genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen/genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden.

In het licht van de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat op zichzelf kan worden gezegd dat de verdachte voldoende tijd had om zich na binnenkomst in de tram op zijn weg naar het slachtoffer te beraden op het te nemen/genomen besluit, maar dat onvoldoende is uit te sluiten dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarbij is van belang dat de verdachte volgens zijn eigen verklaring de tram is ingestapt om met het slachtoffer te praten, maar dat hij in paniek raakte en direct is gaan steken. Dit wordt ondersteund door de na te noemen rapportage Pro Justitia, waarin wordt vermeld dat de verdachte de eerdere confrontaties met het slachtoffer in de tram opnieuw beleefde en dat bij hem de paniek toesloeg, waardoor het hem niet meer lukte om handelingsalternatieven te overwegen.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Er is - mede gelet op de na te noemen rapportage Pro Justitia - geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van .22 november 2012 gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair (poging tot moord) en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van één jaar (het hof begrijpt: twaalf maanden), met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal worden opgelegd, met als bijzondere voorwaarde een behandeling door een in de rapportage Pro Justitia genoemde instelling.

Motivering van de straf en de maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in een tram, te midden van omstanders, een jongen met wie hij al enige tijd ruzie had meerdere malen met een mes gestoken en hem daarbij potentieel dodelijk letsel toegebracht. Dat is een buitengewoon ernstig en ingrijpend feit, dat fors inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, dat ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij nog elke dag zit met het gebeurde en dat hij hoogstwaarschijnlijk blijvend letsel zal overhouden. Hij heeft lange tijd fysiotherapie moeten volgen en komt nog één keer per week bij een psychiater en een psycholoog. Zijn concentratie is erg slecht en hij is heel snel moe. Zijn opleiding heeft hij door het voorval moeten beëindigen en hij kan niet meer sporten.

De verdachte heeft zich op een ander tijdstip daarnaast nog schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een schoolgenote, op de wijze als is bewezen verklaard. Ook haar heeft de verdachte, zonder dat daartoe overigens enige invoelbare aanleiding bestond, fors letsel en ongetwijfeld zeer angstige momenten bezorgd. Het gebeurde vond bovendien plaats in een klaslokaal, in aanwezigheid van andere leerlingen. Ook voor hen is het voorval ongetwijfeld ingrijpend geweest.

Feiten als de onderhavige worden door de samenleving als schokkend ervaren.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 november 2012, waaruit blijkt dat hij eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van bedreigingen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de rapportage d.d. 23 augustus 2012, opgemaakt en ondertekend door M.C. Schipper, GZ-psycholoog en D. Matser, kinder- en jeugdpsychiater, waarin onder meer het navolgende is vermeld. De overwegingen en conclusies van de gedragsdeskundigen zijn zakelijk samengevat weergegeven.

In de voorgeschiedenis van de verdachte zijn voldoende situaties te beschrijven die aanleiding hebben kunnen geven tot een hechtingsstoornis, zoals de langere absentie van moeder, de wisselende aanwezigheid van vader, huiselijk geweld en wisselende verblijfssituaties en opvoeders. Daarnaast is sprake van vroegkinderlijke traumatisering/PTSS. Waarschijnlijk is bij de verdachte op verschillende momenten sprake geweest van dissociatieve verschijnselen. Vanuit de PTSS, de hechtingstoornis en gedragsproblemen heeft de verdachte een onveilig wereldbeeld en wantrouwen opgebouwd. De verdachte is in conflict geraakt met het latere slachtoffer [benadeelde partij 1], die hem naar eigen zeggen heeft geslagen, gestoken met een mes en hem heeft bedreigd. De verdachte is hierdoor angstig geraakt en alert op gevaar. Het onder 1 ten laste gelegde heeft plaatsgevonden toen de verdachte zijn angst had overwonnen en samen met zijn broer het slachtoffer durfde/wilde aanspreken. In de tram kwam de angst in alle hevigheid terug toen hij zijn broer niet meer zag en dacht dat hij er alleen voor stond. De eerdere confrontaties met het slachtoffer werden opnieuw beleefd en de paniek sloeg toe. Overspoeld door de angst voor verlating/door zijn broer in de steek gelaten te zijn vanuit de hechtingsstoornis en de angst voor een aanval door het slachtoffer vanuit de PTSS, lukte het de verdachte niet meer om handelingsalternatieven te overwegen. Ten aanzien van feit 1 is de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Bij het onder 2 ten laste gelegde is de verdachte in een dissociatieve toestand geraakt naar aanleiding van de als vijandig ervaren houding van het slachtoffer en het door haar schreeuwen en schoppen. Vanwege de hechtingsstoornis en PTSS ervoer de verdachte veel dingen als bedreigend. De verdachte zal niet meer goed hebben waargenomen wie hij voor zich had en hoe groot de daadwerkelijke dreiging was. Ten aanzien van dit feit is de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Bij de verdachte is sprake van matig recidiverisico. Hij heeft sinds enkele maanden zijn agressie zo goed als onder controle, vraagt herhaaldelijk hulp en vermijdt of negeert de prikkel voor zijn boosheid zoveel mogelijk. In een ambulante setting wordt verwacht dat dit patroon door zal zetten. Van belang is een traumabehandeling: een therapeutische behandelrelatie waarbinnen geleidelijk een hechtingsrelatie tot stand gebracht kan worden. Deze behandeling dient bij voorkeur plaats te vinden op poliklinische basis, binnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Intramurale behandeling binnen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is zeer onwenselijk. Een Gedragsbeïnvloedende maatregel is ook niet geïndiceerd. Er zijn geen aanwijzingen voor toepassing van het meerderjarigenstrafrecht: sociaal-emotioneel is de verdachte veel jonger dan zijn kalenderleeftijd. De gewenste interventies zijn erop gericht een ontwikkeling tot stand te brengen met betrekking tot het durven te vertrouwen op anderen, het aangaan van een hechtingsrelatie en het afronden daarvan. Een organisatie als de Viersprong (specialist in persoonlijkheidsproblematiek) of een top referent trauma centrum (TRTC) biedt de mogelijkheden om de gevraagde behandeling vorm te geven.

Met inachtneming van de beschouwingen, de conclusies en de adviezen van de gedragsdeskundigen is het hof van oordeel dat ten aanzien van de ontwikkeling van de verdachte sprake is van problematiek die behandeling behoeft. Anders dan de rechtbank, die aan de verdachte op basis van een eerdere rapportage een TBS-maatregel oplegde, is het hof gelet op de inhoud van de voormelde recente rapportage van oordeel dat deze behandeling het beste kan plaatsvinden binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, met als bijzondere voorwaarde de door de deskundigen voorgestelde behandeling. Indien de verdachte deze voorwaarde niet naleeft, bestaat de gerede kans dat de rechter gelast dat de PIJ-maatregel alsnog ten uitvoer wordt gelegd, zodat ook in dat geval is gewaarborgd dat de verdachte behandeld wordt.

Aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is - gelet op de bewezenverklaringen en de beschouwingen, conclusies en adviezen (opgemaakt overeenkomstig artikel 77s, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht) van de gedragsdeskundigen voldaan.

Het hof is gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers van oordeel dat naast de voorwaardelijke PIJ-maatregel onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van EUR 9.257,--.

In eerste aanleg is de vordering toegewezen tot een bedrag van EUR 3.000,--, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige.

In hoger beroep is de vordering aan de orde tot het in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 9.257,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde. Derhalve leent de vordering van de benadeelde partij zich voor toewijzing. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag van EUR 3.000,-- toekennen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.000,-- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaar

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (poging tot doodslag) en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Bepaalt dat de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel na te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de (Jeugd)reclassering;

- dat de verdachte zich onder behandeling zal stellen van de Viersprong of een top referent trauma centrum (TRTC).

Het hof draagt aan de (Jeugd)reclassering op ter zake van de naleving van deze bijzondere voorwaarden aan de verdachte hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt de verdachte voorts tot jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 3.000,00 (drieduizend euro)

ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. A.A. Schuering en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 december 2012.