Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY9717

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
22-005266-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:BU2962, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. De verdachte reed in de nachtelijke uren met zijn auto door Rotterdam. Op een bepaald moment is het latere slachtoffer op de rijweg voor de auto van de verdachte gekomen. De verdachte is met de door hem bestuurde auto met nauwelijks verminderde snelheid blijven rijden in de richting van het slachtoffer.

De verdachte hoopte dat het slachtoffer opzij zou springen, hetgeen niet is gebeurd. De verdachte heeft het slachtoffer met zijn auto aangereden. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, onder meer aan zijn bekken, hersens en zijn gezicht.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken. Daarnaast wordt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005266-11

Parketnummer: 10-820023-11

Datum uitspraak: 7 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1977,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 november 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair:

hij op of omstreeks 26 april 2011 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig (hoogst) roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de 1e Middellandstraat (ter hoogte van het Tiendplein), welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

bij/ondanks het waarnemen van een op of ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats overstekende voetganger zijn snelheid niet heeft aangepast en/of die voetgangersoversteekplaats is blijven naderen en/of het door hem bestuurde voertuig in de richting van die voetganger heeft gestuurd of is blijven sturen en/of (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, die als gevolg daarvan ten val is gekomen,

waardoor die voetganger, genaamd [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel (te weten een bekkenbreuk, een gescheurde milt, hersenletsel en aangezichtsletsel) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 april 2011 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de 1e Middellandstraat (ter hoogte van het Tiendplein), zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, bij/ondanks het waarnemen van een op of ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats overstekende voetganger zijn snelheid niet heeft aangepast en/of die voetgangersoversteekplaats is blijven naderen en/of het door hem bestuurde voertuig in de richting van die voetganger heeft gestuurd of is blijven sturen en/of (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, die als gevolg daarvan ten val is gekomen;

2:

hij op of omstreeks 26 april 2011 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval en/of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de 1e Middellandstraat (ter hoogte van het Tiendplein) de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [benadeelde partij], letsel en/of schade was toegebracht en/of terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, die [benadeelde partij], die bij dat ongeval letsel werd toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:

hij op 26 april 2011 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de 1e Middellandstraat (ter hoogte van het Tiendplein), welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, bij/ondanks het waarnemen van een ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats zich op de rijbaan bevindende voetganger zijn snelheid niet heeft aangepast en die voetgangersoversteekplaats is blijven naderen en het door hem bestuurde voertuig in de richting van die voetganger is blijven sturen en vervolgens in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, die als gevolg daarvan ten val is gekomen, waardoor die voetganger, genaamd [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel (te weten een bekkenbreuk, een gescheurde milt, hersenletsel en aangezichtsletsel) werd toegebracht;

2:

hij op 26 april 2011 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval en door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de 1e Middellandstraat (ter hoogte van het Tiendplein) de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [benadeelde partij], letsel en schade was toegebracht en terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, die [benadeelde partij], die bij dat ongeval letsel werd toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet roekeloos heeft gehandeld en dat er onvoldoende basis is voor een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid aan de zijde van de verdachte. Daarbij dient rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat uit het dossier niet blijkt wat de exacte afstand is geweest tussen de auto van de verdachte en het slachtoffer op het moment dat de verdachte het slachtoffer voor zijn auto zag en probeerde uit te wijken. Die afstand was in ieder geval zo kort en de situatie ter plaatse was zodanig dat er geen reële opties waren om anders te handelen dat de verdachte heeft gedaan. Als de verdachte had geremd had hij ook niet op tijd kunnen stoppen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het slachtoffer ook zeer risicovol gedrag heeft vertoond.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat op 26 april 2011 om 02.20 uur op de 1e Middellandstraat ter hoogte van het Tiendplein te Rotterdam een persoon, het latere slachtoffer, is aangereden door een personenauto die werd bestuurd door de verdachte.

Het slachtoffer is gewond liggend op zijn buik op de voetgangersoversteekplaats aangetroffen.

Ten gevolge van de aanrijding door de verdachte heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, te weten een bekkenbreuk, een gescheurde milt, hersenletsel en aangezichtsletsel, opgelopen. De verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten.

Gelet op de aangetroffen auto-onderdelen heeft de aanrijding niet plaats gevonden op de voetgangersover-steekplaats, maar op enige afstand daarvóór.

Op 26 april 2011 om 09.00 uur heeft de verdachte zich gemeld op het politiebureau te Schiedam. Hij verklaarde als bestuurder van een Nissan Qashqai met kenteken [kentekennummer] betrokken te zijn geweest bij een verkeers-ongeval op het Tiendplein te Rotterdam op 26 april 2011 omstreeks 02:30 uur.

Bij de beantwoording van de vraag of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat het slachtoffer gebruik maakte van de voetgangersoversteek-plaats of aanstalten maakte om hiervan gebruik te maken. Wel blijkt uit het dossier dat het slachtoffer in de onmiddellijke omgeving van de voetgangersoversteekplaats is aangereden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een voetganger een veel zwakkere verkeersdeelnemer is dan een automobilist. Van een automobilist wordt dan ook verwacht

dat deze de grootst mogelijke zorg in acht neemt in verkeerssituaties waar voetgangers bij betrokken zijn. Dit geldt met name in de nabijheid van voetgangersoversteekplaatsen alsmede in situaties waar een voetganger zich - voor de automobilist zichtbaar - reeds op de weg bevindt. Van een automobilist mag dan in ieder geval verwacht worden dat doet wat mogelijk is om een aanrijding te voorkomen.

Ten aanzien van de vraag of de verdachte deze zorgplicht heeft geschonden, overweegt het hof het volgende.

De verdachte heeft op 26 april 2011 tegenover de politie het volgende verklaard:

"Omstreeks 02:30 uur zag ik op de Kruiskade te Rotterdam een jongen op de weg in de richting van mijn auto lopen. Ik zag dat deze jongen een lange Marokkaanse jongen was, hij droeg een lange jas. Verder droeg hij sportschoenen en een spijkerbroek. Ik zag dat deze jongen naar mij (het hof leest een) handgebaar maakte en ik hoorde hem schreeuwen dat ik moest stoppen. Ik reed door in de hoop dat hij opzij zou springen zodat ik niet hoefde te stoppen. De jongen sprong niet opzij. Ik reed met de rechtervoorzijde van de Nissan de jongen aan"

Tijdens de behandeling van de zaak door de rechtbank heeft de verdachte voorts verklaard:

"Ik ben meer naar links gaan rijden. Ik heb niet geremd maar wel mijn voet van het gaspedaal gehaald, waardoor mijn snelheid iets werd verminderd. Ik reed met een snelheid tussen de 45 en 50 kilometer per uur".

Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft de verdachte het volgende verklaard:

Het slachtoffer sprong ineens voor mijn auto. Dit was op zo'n korte afstand van mijn auto -ik denk 4 tot 5 meter- dat ik niet meer kon remmen. Ik heb het gaspedaal losgelaten en gekeken of ik naar rechts of naar links kon uitwijken. Dit kon niet en ik heb teruggestuurd en geprobeerd om het slachtoffer heen te rijden.

Op grond van het hierboven staande, stelt het hof ten aanzien van de verdachte vast dat de verdachte met een snelheid van ongeveer 45 à 50 km/uur heeft gereden en dat hij niet geremd heeft toen hij zag dat er een voetganger op de weg liep. Hij heeft het gaspedaal losgelaten, is meer naar links gaan rijden, heeft teruggestuurd en is door blijven rijden in de richting van het slachtoffer in de hoop dat het slachtoffer opzij zou springen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst verklaard dat het slachtoffer ineens voor zijn auto sprong, zodat hij het slachtoffer pas zag toen deze al op korte afstand voor zijn auto was. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig nu hij haaks staat op hetgeen de verdachte tegenover de politie en de rechtbank heeft verklaard. Voorts concludeert het hof dat gezien alle handelingen die de verdachte zegt te hebben verricht nadat hij het slachtoffer had gezien, de verdachte het slachtoffer op een behoorlijke afstand voor zijn auto moet hebben waargenomen.

Nu verdachte niet geremd heeft maar met een min of meer gelijke snelheid is door blijven rijden in de richting van het slachtoffer, hopende dat deze tijdig opzij zou springen, is het hof van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden. Dat de verdachte niet tijdig kon stoppen zoals door de raadsman is betoogd, is naar het hof onvoldoende aannemelijk geworden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde levert op:

1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

2: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel als vermeld in de vordering.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval.

De verdachte reed in de nachtelijke uren met zijn auto door Rotterdam. Op een bepaald moment is het latere slachtoffer op de rijweg voor de auto van de verdachte gekomen. De verdachte is met de door hem bestuurde auto met nauwelijks verminderde snelheid blijven rijden in de richting van het slachtoffer.

De verdachte hoopte dat het slachtoffer opzij zou springen, hetgeen niet is gebeurd. De verdachte heeft het slachtoffer met zijn auto aangereden. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, onder meer aan zijn bekken, hersens en zijn gezicht.

Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en heeft hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Na het ongeval heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten zonder zich ervan te vergewissen of de voetganger die hij tevoren met zijn auto had geraakt (medische) hulp nodig had. Evenmin heeft hij een hulpdienst gebeld om ter plaatse te gaan kijken.

In plaats daarvan heeft verdachte het slachtoffer, waarvan hij minst genomen redelijkerwijs moest vermoeden dat hem bij de aanrijding letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand achtergelaten.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een verkeersdelict.

Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat ter zake van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Daarnaast acht het hof, met name uit het oogpunt van verkeersveiligheid, voor de bewezen verklaarde feiten een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur evenzeer een alleszins passende en geboden strafrechtelijke reactie.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van een deel van de geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg geheel toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte in ieder geval tot een bedrag van € 2.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder

1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door

mr. G. Knobbout, mr. M.J. de Haan-Boerdijk en

mr. J.J.H.M. van Gennip,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 december 2012.

Mr. J.J.H.M. van Gennip is buiten staat dit arrest te ondertekenen.