Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY9680

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
BK-04/02524
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KBL-zaak. Belanghebbende is houder of is houder geweest van een KBL-rekening. Vaststaat dat hij met zijn ontkenning een buitenlandse rekening te hebben of te hebben gehad, de inspecteur een onjuiste inlichting heeft verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-04/02524

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 25 mei 2012

op het beroep van [X] (althans diens erven) te [Z], belanghebbende, tegen de uitspraken van de directeur van de Belastingdienst Haaglanden (kantoor [P]), de Inspecteur, betreffende na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende, die op [dag en maand] 2011 is overleden, zijn op basis van het saldo op 31 januari 1994 van rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van ”[Voornaam 1] [Achternaam 1]-[Achternaam 2]”, aangehouden bij de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise te Luxemburg (KBL) de volgende aanslagen en beschikkingen opgelegd:

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 100 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 100 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 100 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1992 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1993 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1994 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1995 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1996 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1997 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1998 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1999 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 100 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

- een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 2000 bestaande uit bedragen aan belasting, aan bij beschikking opgelegde boete van 100 percent en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

1.2. De tegen de navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen inzake de heffingsrente gerichte bezwaren zijn bij de bestreden uitspraken afgewezen.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 37 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 april 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Partijen zijn verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de erven van belanghebbende in de gelegenheid te stellen zich de zaak eigen te maken. De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van het Hof van 10 januari 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Partijen zijn verschenen.

2.4. De brief van 5 januari 2012 van de zijde van belanghebbende rekent het Hof niet tot de gedingstukken. De schorsing van het onderzoek ter zitting heeft, het was partijen ook kenbaar, niet ertoe gestrekt een der partijen de gelegenheid te bieden nieuwe geschilpunten op te werpen. Voorts ziet het Hof, nu met de brief niets is aangevoerd dat niet eerder had kunnen worden aangevoerd, na het beroepschrift niets inhoudelijks is aangevoerd en overigens niet is gebleken dat het onderzoek in zoverre niet volledig is geweest, geen reden het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen en voor de vermogensbelasting geen aangiften gedaan waarin melding is gemaakt van inkomsten of vermogen met betrekking tot een rekening bij KBL.

3.2. In 1994 hebben medewerkers van KBL-microfiches en documenten met informatie over rekeninghouders bij KBL ontvreemd. Deze gegevensdragers zijn in handen gekomen van de Belgische justitiële autoriteit. Op welke wijze dit is geschied, is niet geheel duidelijk.

3.3. De Belgische justitiële autoriteit heeft de gegevens verstrekt aan de Belgische belastingautoriteit ten behoeve van de belastingheffing in België. In antwoord op een verzoek van de Belgische belastingautoriteit heeft de Belgische justitiële autoriteit te kennen gegeven het niet opportuun te achten de inlichtingen door te geven aan buitenlandse belastingadministraties, met de aantekening dat het aan de Belgische belastingautoriteit zelf is te beslissen of het passend is de inlichtingen aan buitenlandse diensten te verstrekken.

3.4. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) op basis van Richtlijn 77/799/EEG spontaan inlichtingen verstrekt aan de Nederlandse Belastingdienst/FIOD, bestaande uit fotokopieën van microfiches met gegevens over rekeningen bij KBL op naam van inwoners van Nederland. De microfiches bevatten gegevens van bij KBL aangehouden rekeningen door in Nederland wonende personen. Van de rekeningen zijn 6.171 op naam. In 3.952 gevallen hebben de FIOD en de Belastingdienst een behandeltraject ingezet. Onderdeel van het behandeltraject is het vaststellen van de identiteit van de rekeninghouder. In 38 gevallen is de rekeninghouder niet geïdentificeerd. In 3.464 van de 3.952 gevallen is door degene aan wie een aanslag is opgelegd, erkend dat hij of zij houder is of is geweest van een rekening bij KBL.

3.5. Het onderzoek door de FIOD en de Inspecteur heeft het vermoeden opgeleverd dat belanghebbende houder is of is geweest van een rekening bij KBL.

3.6. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende bij vragenbrief van 21 januari 2002 het volgende onder de aandacht gebracht:

”(…) De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd. Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR. Ik verzoek u de gevraagde gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren voor 28 januari 2002. U kunt daarbij gebruik maken van de bijgevoegde portvrije retourenveloppe. Gezien de aard en de beperkte omvang van de gevraagde gegevens en inlichtingen zal géén uitstel worden verleend voor het aanleveren daarvan. Als u nog vragen of opmerkingen heeft, kunt u mij bellen. (...)”

De bijlage bevat het formulier ”VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN” waarin belanghebbende gevraagd wordt om - onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen - aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest.

3.7. Belanghebbende heeft de ”VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN” gedagtekend 23 januari 2002 aan de Inspecteur geretourneerd, waarbij hij heeft verklaard ná 1 januari 1990 geen rekeninghouder van een buitenlandse bankrekening te zijn of te zijn geweest.

3.8. Bij brief van 6 februari 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende een onderzoek aangekondigd:

”(...) Uw aangiften Inkomstenbelasting/Vermogensbelasting hebben aanleiding gegeven tot het instellen van een nader onderzoek. Daarom ben ik van plan op grond van artikel 47 e.v. van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen u op woensdag 20 februari 2002 om ca. 9.30 uur te bezoeken op het adres: [a-straat 1] te [Z]. Het onderzoek zal betrekking hebben op de jaren 1990 t/m 2000. Voor een vlot verloop van het onderzoek is het noodzakelijk dat de privé bescheiden (zowel binnen- als buitenlandse bankrekeningen, girobescheiden, polissen, overzichten creditcardafrekeningen, aankoopnota’s/taxatierapporten onroerende zaken, e.d. ) van uzelf en uw partner over de jaren 1990 t/m 2000 op genoemd adres aanwezig zijn. (...)”

3.9. Het onderzoek ten huize van belanghebbende heeft op 20 februari 2002 plaatsgevonden. Van het gesprek tussen de Inspecteur en belanghebbende is een door belanghebbende ondertekend gespreksverslag opgemaakt:

”(...) Op 20 februari 2002 omstreeks 9.30 uur hebben wij, ambtenaren van de Belastingdienst:

Naam : [A]

Voornamen : […]

En

Naam : [B]

Voornamen : […]

Beide namens :de inspecteur van de eenheid Belastingdienst [Q]

(hierna ambtenaren)

op het adres [a-straat 1] te [0000 XX] [Z] een persoon gehoord die verklaarde te zijn:

Naam : [Achternaam 1]

Voornamen : [Voornaam 1]

Adres : [a-straat 1]

Postcode : [0000 XX]

Woonplaats : [Z]

Geboorteplaats : [R]

Geboortedatum : [dag en maand] 1928

(hierna belanghebbende)

Belanghebbende identificeerde zich met een rijbewijs nr. […]

Gemachtigde

Belanghebbende werd tijdens dit gesprek niet bijgestaan.

Aanleiding gesprek

Aan belanghebbende hebben wij, ambtenaren, bij aanvang van het gesprek het doel daarvan als volgt, althans in woorden van gelijke strekking, medegedeeld:

De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden. Het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat belanghebbende houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor de belastingheffing ten name van belanghebbende.

Vragen en antwoorden

Belanghebbende antwoordde als volgt, althans in woorden van gelijke strekking, op de volgende door ons gestelde vragen.

• Hoeveel bankrekeningen (ongeacht aard, sparen, beleggen, etc.) hebben u en/of uw partner de afgelopen 12 jaar (gehad) in het buitenland?

Belanghebbende ontkent één of meerdere bankrekeningen in het buitenland te hebben of te hebben gehad. Wij, ambtenaren, vertellen belanghebbende dat de ons ter beschikking staande gegevens van buitenlandse bankrekeningen zijn vergeleken met computerbestanden van de Belastingdienst. De combinatie van voorletters, eerste achternaam en tweede achternaam heeft geleid tot een unieke identificatie. Dit is reden om aan te nemen dat belanghebbende gerechtigd is (geweest) tot één of meerdere bankrekeningen in het buitenland. Wij, ambtenaren, vragen belanghebbende nogmaals hoeveel bankrekeningen belanghebbende de afgelopen 12 jaar heeft (gehad) in het buitenland. Ook na het herhalen van de vraag of er bankrekeningen in het buitenland zijn of zijn geweest wordt ontkennend geantwoord. In de aangifte 1996 is vermeld een bedrag van ƒ 56.501 ter zake van buitenlandse rente en/of saldo. Op de vraag waarom dit in de aangifte staat wordt geantwoord dat dit niet bekend is. Gegevens worden jaarlijks aan de boekhouder verstrekt en deze vult de aangiften in. Van deze rente is verder niets bekend. Hierover kan eventueel contact worden opgenomen met de boekhouder: [C], [adres]. Boekhouder heeft er wel op gewezen dat rekeningafschriften bewaard dienden te worden. Is niet altijd gedaan. Mevrouw heeft een aantal malen aangegeven niet te weten van buitenlandse rekeningen. Op naam van de kinderen ook niets geopend.

Afspraken

Met belanghebbende is de afspraak gemaakt dat contact opgenomen zal worden met de boekhouder om na te gaan hoe het bedrag aan buitenlandse rente in de aangifte 1996 terecht is gekomen. Tevens zal worden nagegaan of er nog andere gegevens over mogelijke buitenlandse rekeningen zijn. Tel. Nr. boekhouder (…).

Ondertekening

Wij, ambtenaren, hebben dit gespreksverslag voorgelegd aan belanghebbende. Na doorlezing van deze tekst verklaar ik, [X], door ondertekening van dit verslag dat het voorgaande een juiste en volledige weergave is van wat ik heb gezegd. (...)”

3.10. Bij brief van 6 november 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende te kennen gegeven:

”(...) In deze brief licht ik u in over mijn voornemens met betrekking tot de belastingheffing inzake de door u in de afgelopen jaren in het buitenland aangehouden banktegoeden.

Ik heb gegevens waaruit blijkt dat u een of meerdere bankrekeningen aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland. Uit mijn gegevens blijkt dat u op deze rekening(en) in elk geval op 31 januari 1994 een tegoed had. Tot op heden heeft u op de vragen van mijn kant over uw buitenlandse tegoed(en) gesteld ontkennend geantwoord. Naar aanleiding van uw ontkenning heb ik nogmaals een verificatie laten verrichten op de tenaamstelling van de rekeninghouders en is gebleken dat deze de enige en unieke is en er van uitgegaan mag worden dat u de rekeninghouder bent (geweest). Daar u stelt niet over buitenlandse tegoeden de beschikking te hebben of te hebben gehad is het volgende mogelijk. Bijgaand doe ik u toekomen een brief, gericht aan de buitenlandse bank waar u naar mijn mening de beschikking heeft (gehad) over een tegoed. In die door u te ondertekenen brief verzoekt u om informatie over dat tegoed. Deze handeling levert een reactie op van de betreffende buitenlandse financiële instelling welke de zaken helder maakt en waarmee we de afwikkeling van ons geschil verder vorm kunnen geven. Deze brief is mijn laatste initiatief in uw richting met het doel de door u verschuldigde belasting op het juiste bedrag vast te stellen. Ik hoop dat de informatie in deze brief voor u aanleiding zal zijn om (eventueel in overleg met een fiscaal deskundig adviseur) alsnog te besluiten gebruik te maken van de aan u geboden mogelijkheid. Ik verzoek u door ondertekening van deze brief zich akkoord te verklaren met het verzenden van de brief aan de buitenlandse bank en het ter beschikking stellen van het antwoord en de bescheiden van deze bank aan de Belastingdienst. Ik verzoek u deze mij per ommegaande of in ieder geval uiterlijk vóór 15 november 2002, te retourneren in de bijgevoegde retourenveloppe. Ten behoeve van snelle voortgang wil ik u verzoeken de betreffende bank te vragen het antwoord over het al dan niet aanwezig zijn van een bankrekening te laten faxen aan faxnummer: […] t.a.v. [B]. Als u daarmee instemt verzoek ik u deze zinsnede zelf in het verzoek aan de bank op te nemen. (…) Als u vragen of opmerkingen heeft kunt u mij bellen. (...)”

3.11. Bij brief van 12 november 2002 meldt de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur:

”(…) Tot mij wendde zich in aanhef genoemde cliënt met het verzoek tot rechtsbijstand. Hiertoe heb ik mijn bereidheid uitgesproken. Cliënt legde mij de door u aan hem gerichte correspondentie voor. In deze correspondentie stelt u dat cliënt beschikt over een buitenlandse bankrekening. Ik ben thans doende de inhoud van het dossier te bestuderen. Hierop zal ik binnen vier weken inhoudelijk reageren. Intussen verzoek ik u, namens cliënt, alle correspondentie dienaangaande te richten aan mijn kantooradres. (…)”

3.12. Op 13 november 2002 zendt de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende een ”Kennisgeving navordering/aanslag en boete wegens buitenlandse tegoeden”:

”(…) Ondanks het feit dat u in uw schrijven van 12 november 2002 aangeeft binnen 4 weken inhoudelijk op het dossier te reageren stel ik u in deze brief in kennis van mijn voornemen uw cliënt navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting 1990/vermogensbelasting 1991 met een bestuurlijke boete. In deze brief zal ik u achtereenvolgens mededelen waar mijn correcties op zijn gebaseerd, hoe zij zijn berekend, wat ik in de toekomst met betrekking tot andere jaren overweeg te doen en de boete motiveren. (…) Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat uw cliënt tenminste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland.

Rekening op naam van:

[Voornaam 1] [Achternaam 1]-[Achternaam 2]

Rekeningnummer:

[rekeningnummer]

Bank:

Kredietbank Luxemburg

Saldo per 31-01-1994:

Fl. 50.973,10 positief

De FIOD heeft deze gegevens over de rekeninghouder vergeleken met onder andere gegevens van de Belastingdienst welke gebaseerd zijn op het bevolkingsregister. Uit die analyse komt uw cliënt naar voren als rekeninghouder. De FIOD heeft in een ambtshandeling, zie bijlage, beschreven hoe de gegevens aan uw cliënt zijn gekoppeld. (…)

Vooralsnog ben ik voornemens thans de belastingaanslagen zoals hierboven genoemd op te leggen. Voor 1990/1991 heeft dit te maken met het verlopen van de termijnen om nog een (navorderings)aanslag op te kunnen leggen. Voor de andere jaren zal ik nu nog geen aanslagen opleggen. (…) Om u inzicht te geven in de omvang van alle aanslagen die ik uw cliënt zal opleggen heb ik als bijlage meegestuurd een voorlopig overzicht van de op te leggen aanslagen met de daarbij te betalen bedragen aan belasting, heffingsrente en boete. De bedragen in dat overzicht zijn berekend op basis van de thans bekende feiten. Ik behoud mij dan ook het recht voor om op basis van nieuwe feiten en/of inzichten hogere belastingaanslagen op te leggen dan uit het u thans toegezonden overzicht blijken. Ook uw reactie op de thans op te leggen belastingaanslagen en/of hetgeen u naar aanleiding van de op te leggen aanslagen al dan niet meedeelt over de buitenlandse tegoeden, kan aanleiding zijn om de belastingaanslagen in afwijking van het overzicht vast te stellen. (…) Ik beschik over gegevens van belanghebbenden die wel juist en volledig antwoord hebben gegeven op vragen omtrent hun buitenlandse rekening. Deze gegevens zijn verwerkt in een database en vergeleken met de gegevens van personen die niet volledig of onjuist op de vragen hebben geantwoord. (…) Ik ben door de weigering om volledig en juist antwoord te geven op mijn vragen genoodzaakt de aanslagen vast te stellen als volgt. (…) Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. (…) Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat uw cliënt tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dit verplicht is. De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door uw cliënt ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over de buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan uw cliënt vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. Ik merk het feit dat uw cliënt gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Boetebesluit. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen. (…) Ik wil hierbij nog opmerken dat in de situatie waarin u alsnog volledige medewerking wilt verlenen en bereid bent mij volledige openheid van zaken te geven voordat de aanslagen worden opgelegd, de boeten zullen worden vastgesteld op 50%. Deze boeten zijn ook toegepast bij andere belanghebbenden die, voorafgaand aan het opleggen van belastingaanslagen, volledig hebben meegewerkt. (…)”

3.13. Op 22 november 2002 meldt de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur:

”(...) In uw schrijven d.d. 13 november 2002 heeft u aangekondigd, dat u voornemens bent cliënt (een) navorderingsaanslag(en) op te leggen voor de jaren 1990 en 1991. Deze aankondiging heeft bij mij de vraag opgeroepen hoe u ertoe gekomen bent te bepalen dat cliënt een rekening bij de bank zou aanhouden en hieruit rente-inkomsten genoten zou hebben. Ik verzoek u mij de onderliggende stukken te doen toekomen, waaruit blijkt dat cliënt een rekening heeft en rente-inkomsten heeft genoten over deze jaren. Indien u niet over onderliggende stukken beschikt, luidt mijn vraag hoe u tot het vaststellen van het aanwezige saldo en de berekening van de door cliënt genoten rente bent gekomen. Te uwer informatie merk ik op, dat de bank zelf niet meer over rente- en saldogegevens beschikt, daar de wettelijke bewaartermijn voor haar tien jaar bedraagt. Belastingplichtige ontkent rente-inkomsten, zoals door u bepaald en vastgesteld, te hebben genoten. Met uw aankondiging om (een) navorderingsaanslag(en) op te leggen gaat cliënt niet akkoord en ik verzoek u derhalve af te zien van het opleggen van (een) navorderingsaanslag(en). (…).”

3.14. Bij brief van 13 december 2002 deelt de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende mee:

”(…) In uw brief van 22 november 2002 verzoekt u om stukken op grond waarvan blijkt dat uw cliënt een rekening bij de bank zou aanhouden. U verzoekt tevens om onderliggende stukken, welke ten grondslag liggen aan het voornemen om uw cliënt dhr. [X], [a-straat 1] te [Z] navorderingsaanslagen op te leggen. In mijn brief van 13 november 2002 heb ik uw cliënt geschreven dat ik over gegevens beschik waaruit blijkt dat uw cliënt ten minste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland. De gegevens van de rekening zijn in de brief van 13 november 2002 vermeld. Hierbij treft u een kopie aan van het betreffende microfiche van uw cliënt. De redenen op grond waarvan ik meen navorderingsaanslagen op te leggen zijn vermeld in mijn brief van 13 november 2002. In deze brief is onder het kopje ”redelijke schatting verschuldigde belasting” een uiteenzetting gegeven op grond waarvan de navorderingsaanslagen worden opgelegd. Omdat u heeft verzocht om nadere stukken doe ik u bijgaand een toelichting bij de gehanteerde correctiecijfers met bijlagen toekomen. Dezerzijds is besloten om één set kopieën te verstrekken, welke u bijgaand aantreft. (…)”

3.15. Bij brief van 31 december 2002 deelt de Inspecteur belanghebbende mee:

”(...) Op 13 november 2002 heb ik uw advocaat schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990/Vermogensbelasting 1991 op te leggen en een vergrijpboete. Ik heb uw advocaat daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op mijn voornemen. Uw advocaat heeft op mijn brief gereageerd. De reactie geeft mij geen aanleiding mijn standpunt te herzien omdat uw advocaat in de reactie slechts vraagt naar onderliggende stukken op grond waarvan ik het voornemen heb u navorderingsaanslagen met een boete op te leggen. Inhoudelijke argumenten of eerder gevraagde informatie heeft uw advocaat niet verstrekt. Voor de gronden waarop ik de boete baseer, verwijs ik u naar de eerder toegezonden kennisgeving. In deze kennisgeving was opgenomen: (…) Als u het niet eens bent met de navorderingsaanslag en de boete, kunt u een bezwaarschrift indienen nadat u het aanslagbiljet heeft ontvangen. Op de achterzijde van dit biljet staat hoe u dat moet doen. (…).”

3.16. Op 24 april 2003 zendt de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende opnieuw een ”Kennisgeving navordering/aanslag en boete wegens buitenlandse tegoeden”:

”(…) In deze brief stel ik u in kennis van mijn voornemen uw cliënt Dhr. [X], [a-straat 1] te [0000 XX] [Z], (navorderings-)aanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting/premieheffing 1991 t/m 2000 en Vermogensbelasting 1992 t/m 2000, alle met een bestuurlijke boete. In deze brief zal ik u achtereenvolgens mededelen waar mijn correcties op zijn gebaseerd, hoe zij zijn berekend en zal ik de boete motiveren. (…) Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat uw cliënt ten minste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland.

Rekening op naam van:

[Voornaam 1] [Achternaam 1]-[Achternaam 2]

Rekeningnummer:

[rekeningnummer]

Bank:

Kredietbank Luxemburg

Saldo per 31-01-1994:

Fl. 50.973,10 positief

De FIOD heeft deze gegevens over de rekeninghouder vergeleken met onder andere gegevens van de Belastingdienst welke gebaseerd zijn op het bevolkingsregister. Uit die analyse komt uw cliënt naar voren als rekeninghouder. De FIOD heeft in een ambtshandeling, zie bijlage, beschreven hoe de gegevens aan uw cliënt zijn gekoppeld. (…)

Ik ben voornemens (navorderings-)aanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting/premieheffing over de jaren 1992 t/m 2000 en de vermogensbelasting over de jaren 1992 tot en met 2000. (…)

Ik ben door uw weigering om volledig en juist antwoord te geven op mijn vragen genoodzaakt de aanslagen vast te stellen als volgt. (…)

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) alwaar geregeld is dat de inspecteur alvorens hij een vergrijpboete gaat opleggen de belastingplichtige van zijn voornemen daartoe in kennis stelt onder vermelding van de gronden waarop dat voornemen berust. Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is. De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. Ik merk het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het Boetebesluit). Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen. (…) Ik wil hierbij nog opmerken dat in de situatie waarin u alsnog volledige medewerking wilt verlenen en bereid bent mij volledige openheid van zaken te geven voordat de aanslagen worden opgelegd, de boeten zullen worden vastgesteld op 50%. Deze boeten zijn ook toegepast bij andere belanghebbenden die, voorafgaand aan het opleggen van belastingaanslagen, volledig hebben meegewerkt. Voor zover in het kader van dit onderzoek naar buitenlandse tegoeden eerder aanslagen met een boete van 100% zijn opgelegd en tijdig bezwaar is gemaakt zullen die boeten in beginsel worden gematigd naar 75% indien u, voordat uitspraak op bezwaar wordt gedaan, volledige medewerking verleend en volledige openheid van zaken geeft voor het betreffende belastingjaar. Dat kan slechts anders zijn in geval van bijzondere individuele omstandigheden. (…)”

3.17. Bij brief gedateerd 31 mei 2003 deelt de Inspecteur belanghebbende mee:

”(...) Op 24 april 2003 heb ik u schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had aan u navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting met vergrijpboeten op te leggen over de jaren 1991 tot en met 2000. Ik heb u daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op mijn voornemen. U heeft niet op mijn brief gereageerd. Daarom ga ik ervan uit dat mijn constatering juist is en leg ik de ( aangekondigde navorderingsaanslagen en boeten op. Voor de gronden waarop ik de boeten baseer, verwijs ik u naar de eerder toegezonden kennisgeving. In deze kennisgeving was opgenomen: (…)

Het is mogelijk dat u bij deze mededeling niet alle aanslagbiljetten van de aanslagen die genoemd zijn in de eerste alinea aantreft. De ontbrekende aanslagbiljetten zijn geautomatiseerd aangemaakt en worden u apart toegezonden. (…).”

3.18. Bij brief van 23 mei 2003 deelt de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur mee:

”(...) Aan in margine genoemde cliënt zijn navorderingsaanslag(en) opgelegd. In de ’mededeling navordering’ d.d. 31 mei 2003 geeft u aan welke procedure u hanteert ten aanzien van het in te dienen bezwaarschrift. Eén van de mogelijkheden is dat cliënte een pro-forma bezwaarschrift kan indienen en moet instemmen met aanhouding van het bezwaar, totdat op de procedures naar aanleiding van het protocol tussen de belastingdienst en het kantoor [D] onherroepelijk uitspraak is gedaan. Namens cliënt ben ik voornemens tot indiening van het bezwaarschrift, waarin de gronden van het bezwaar zullen zijn aangegeven, over te gaan. Alvorens tot indiening over te gaan, verzoek ik u mij aan te geven binnen welk tijdsbestek, na ontvangst van het bezwaarschrift, u een beslissing zult nemen. Indien u niet binnen de gebruikelijke termijn van zes weken een beslissing zult nemen of gebruik wenst te maken van de in art. 25, eerste lid AWR genoemde beslistermijn van één jaar, dan wel de uitkomsten van de procedures [D]/Belastingdienst afwacht, verzoek ik u mij dit schriftelijk mee te delen. Indien ik niet binnen veertien dagen na dato bericht van u heb ontvangen, ga ik ervan uit dat u binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift een beslissing zult nemen, waarna ik tot indiening hiervan zal overgaan. (…).”

3.19. Bij brief van 27 mei 2004 zendt de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende een ”Laatste verzoek om informatie Afwerking bezwaarschriften Verzoek motivering bezwaar”:

”(...) Ik heb van u namens uw cliënt [X], [a-straat 1] te [0000 XX] [Z] bezwaarschriften ontvangen gericht tegen (navorderings)aanslagen die voortkomen uit het zogenoemde Rekeningenproject. Die (navorderings)aanslagen zijn opgelegd omdat uw cliënt volgens mij beschikt(e) over tegoeden in het buitenland. Uw cliënt stelt zich op het standpunt niet over een dergelijk tegoed te hebben beschikt zodat verder geen informatie kan worden verstrekt. Het Gerechtshof Amsterdam (2 maart 2004, voorzieningenrechter, kenmerk: 04/00393) heeft inmiddels als volgt geoordeeld: ’De inspecteur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij aanleiding had om verzoeker vragen te stellen over mogelijke, tegoeden bij een buitenlandse bank. Nu verzoeker niet inhoudelijk op die vragen heeft gereageerd, handelt de inspecteur niet willekeurig of onredelijk door bij het opleggen van (navorderings)aanslagen uit te gaan van geschatte bedragen aan verzwegen inkomsten en die geschatte bedragen te berekenen op de wijze als kort uiteengezet onder 3.3. hierboven.’ De rechter geeft hiermee aan dat de gegevens die de inspecteur in zijn bezit heeft (o.a. de identificatie) recht en reden geven om aan de bewuste belastingplichtigen vragen te stellen over de buitenlandse bankrekeningen. Ik ben voornemens om de bezwaarschriften af te handelen. De bezwaarschriften zijn echter tot op heden niet gemotiveerd. Ik verzoek u daarom de bezwaarschriften alsnog te motiveren binnen drie weken na dagtekening van deze brief. Alvorens de bezwaarschriften af te handelen stel ik u, in uw hoedanigheid als gemachtigde ex artikel 41 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), en uw cliënt hierbij voor de laatste keer in de gelegenheid om mij alsnog de door mij gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Ik verzoek u daartoe binnen drie weken na dagtekening van deze brief de in de bijlage bij deze brief opgenomen vragen te beantwoorden cq de gevraagde gegevens te verstrekken. Indien uw cliënt nu alsnog volledig voldoet aan zijn/haar informatieplicht wordt hij/zij in de gelegenheid gesteld ervoor te kiezen dat de bezwaarschriften worden aangehouden in afwachting van de afronding van de beroepsprocedure die op basis van een protocol wordt gevoerd door [D] en de Belastingdienst. Door nu alsnog mee te werken door te voldoen aan de informatieverplichting bewerkstelligt uw cliënt tevens dat de opgelegde vergrijpboeten van 100% worden gematigd en worden vastgesteld op 75%. Voor het geval uw cliënt overweegt wederom niet te voldoen aan de informatieverplichting wijs ik u en uw cliënt er weer op dat hij/zij op grond van artikel 47, lid 1, letter a AWR verplicht is de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien uw cliënt niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. Door het niet voldoen aan de informatieplicht voorafgaande aan het opleggen van de (navorderings)-aanslagen geldt voor uw cliënt in de bezwaarfase reeds de omkering van de bewijslast. Hij/zij moet in de bezwaarfase en in een latere beroepsprocedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre een hierop betrekking hebbende ( navorderings)aanslag onjuist is. Indien uw cliënt wederom niet voldoet aan de informatieverplichting zal ik overgaan tot het afhandelen van zijn/haar bezwaarschriften. Uitgaande van de mij nu beschikbare gegevens zullen de (navorderings)aanslagen en de opgelegde boeten worden gehandhaafd. Het verleende uitstel van betaling vervalt van rechtswege. Indien uw cliënt in beroep gaat bij het Gerechtshof en weer uitstel van betaling vraagt kan de ontvanger zekerheid vragen. Voorafgaand aan het doen van uitspraak op het bezwaarschrift/de bezwaarschriften worden u en uw cliënt nog in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Ik verzoek u en uw cliënt de gevraagde gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren binnen drie weken na dagtekening van deze brief. U kunt daarbij gebruik maken van de bijgevoegde portvrije retourenvelop. Gezien de aard van de gevraagde gegevens en inlichtingen en het feit dat deze brief een herhaling van eerdere verzoeken betreft zal geen uitstel worden verleend voor het aanleveren van de gegevens. Ik wijs u op de reeds verstreken tijd sinds mijn eerste verzoek om informatie en gegevens. (…).”

De bijlage omvat het formulier ”VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN” met elf vragen genummerd 1 tot en met 11 en het verzoek bepaalde bescheiden te verstrekken.

3.20. Bij brief van 27 mei 2004 zendt de Inspecteur belanghebbende een ”Laatste verzoek om informatie Afwerking bezwaarschriften Verzoek motivering bezwaar”:

“(...) Hierbij treft u een brief aan die ik heden aan uw gemachtigde heb gestuurd. Zoals uit de brief blijkt is dit een verzoek om uw bezwaarschriften te motiveren alsmede een laatste verzoek om informatieverstrekking door u en uw gemachtigde. Tevens blijkt uit de brief wat de gevolgen kunnen zijn van het wel of niet verstrekken van de gevraagde inlichtingen en gegevens. (…).”

3.21. Gedateerd 27 mei 2004 zendt de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende de brief van 27 mei 2004 ten tweede male, doch met als bijlage het formulier ”VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN” met elf vragen genummerd 12 tot en met 22 en het verzoek bepaalde bescheiden te verstrekken.

3.22. Belanghebbende heeft de ”VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN” met elf vragen genummerd 1 tot en met 11 en het verzoek bepaalde bescheiden te verstrekken noch de ”VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN” met elf vragen genummerd 12 tot en met 22 en het verzoek bepaalde bescheiden te verstrekken aan de Inspecteur geretourneerd.

3.23. Tot de gedingstukken behoren twee afdrukken van microfiches, onder meer vermeldend de naamcombinatie ”[Voornaam 1] [Achternaam 1]-[Achternaam 2]”, de rekeningcoderingen ”[xx]-[rekeningnummer]-[xx]-[xxxxxxx]040 VUE” en ”[xx]-[rekeningnummer]-[xx]-[xxxxxxx040] TER LDO”, de lettercode ”NL”, met de van de valutacode ”040” (Nederlandse gulden) voorziene cijfercoderingen corresponderende saldi per 31 januari 1994 van respectievelijk ƒ 22,03 en ƒ 50.951,07.

3.24. De FIOD heeft getracht te achterhalen wie de houder van de KBL-rekening [rekeningnummer] is. Met betrekking tot die identificatie vermeldt het door [E], ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 23 september 2002:

”Belastingdienst

Proces-verbaal van ambtshandeling

Rekeningenproject

FIOD-ECD / kantoor [S]

Betreft: Onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de Kredietbank Luxemburg t.n.v.

[Voornaam 1] [Achternaam 1]-[Achternaam 2]

Ik,

[E],

ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD-ECD/kantoor [S] en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aktenummer […], verklaar het volgende.

Er is door de FIOD-ECD een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux).

Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie [S] zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

De rekeninghouders staan hier op verschillende manieren vermeld.

a) Voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

b) Voornamen (doop c.q. geboortenamen) met achternaam

c) Voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan gevolgd worden door

1) Een liggend streepje en een tweede achternaam

2) Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

3) Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan weer gevolgd worden door

I. Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met

achternaam

II. Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

In geval van mogelijkheid 2 of 3 worden de rekeninghouders veelal aangeduid met hun aanspreektitel

M (=Monsieur)

Mme (= Madamme)

Melle (= Mademoiselle)

Het cliëntenbestand KB Lux is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt waarbij de voorwaarde is gesteld dat de (eerste) voorletter zoals die in het BVR-bestand staat vermeld bij ten minste één van de achternamen overeenkomt met de eerste letter van de voor c.q. doopnaam (letter) zoals die op de microfiches staat vermeld.

a) alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR de relatie gehuwd (met) staat vermeld.

b) alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)

c) alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld.

Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

Door de FIOD-ECD/kantoor [S]/afdeling Digitaal Ondersteuningsteam is uit het door B/KIR gemaakte bestand een nadere selectie gemaakt. Alleen die combinaties van namen zijn in de selectie ter nadere identificatie opgenomen waarbij er of géén voornaam na matching met het RDW-bestand bekend was, dan wel na matching de voornaam uit het RDW-bestand gelijk was aan de voornaam van het cliëntenbestand KB Lux.

Ter illustratie van de gemaakte selecties is het volgende fictieve voorbeeld opgenomen. Op de microfiches staat als rekeninghouder ”Jan Jansen-Pietersen”. Uit het BVR-bestand heeft B/KIR de hierboven genoemde combinaties van de achternamen geselecteerd met als eerste letter ”J”: b.v. ”J.*. Jansen met *. Pietersen” en ”*. Jansen met J. *. Pietersen”. Uit het RDW-bestand zijn de voornamen (indien bekend) erbij gezocht: b.v. Johan Jansen met Aaltje Pietersen of (indien onbekend) J Jansen met Tim Pietersen

Het digitaal ondersteuningsteam heeft uit deze selectie de ”niet gezochte” voornamen verwijderd, b.v Johan Jansen met Aaltje Pietersen verwijderd, maar J. Jansen met Tim Pietersen laten staan.

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[Voornaam 1] [Achternaam 1]-[Achternaam 2].

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [X], gehuwd met mw. [Y].

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [Achternaam 1] de partner is van [Achternaam 2]. Dit is [X], geboren op [dag en maand] 1928, met sofinummer […], gehuwd met [Y], geboren op [dag en maand] 1932, met sofinummer […].

4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de voornaam van [X] is: [Voornaam 1].

5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per [dag en maand] 1952.

Conclusie:

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie [X]/[Y] als rekeninghouder(s) in aanmerking, zoals hiervoor vermeld onder punt 3.

Opgemaakt op ambtseed, gesloten en getekend te [S] op 23 september 2002.

[E]”

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende voor de jaren 1991 tot en met 2000 kan worden betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen ter zake van rentebaten uit bij KBL aangehouden tegoeden en voor de jaren 1992 tot en met 2000 kan worden betrokken in de heffing van de vermogensbelasting ter zake van die tegoeden. Tussen partijen staat vast de verhogingen en boeten moeten vervallen.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij de standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het beroep

Verkrijging microfiches

5.1.1. De voor het bewijs gebezigde kopieën van microfiches zijn door de Belgische belastingautoriteit aan de Nederlandse Belastingdienst verstrekt op basis van artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen. Er bestaat onvoldoende aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding of bemachtiging van de microfiches. Ook anderszins bestonden voor de Nederlandse Belastingdienst geen redenen aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht was geschonden, dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van de gegevens van de microfiches ontoelaatbaar moet worden geoordeeld.

5.1.2. De omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering, gepleegd door particulieren, is verkregen, staat niet in de weg aan gebruik van dat materiaal in een fiscale procedure. Daarnaast is niet gebleken dat Nederlandse overheidsdienaren betrokken zijn geweest bij een onregelmatigheid, zoals diefstal of verduistering van de documenten van KBL, of dat zij op andere wijze onrechtmatig gedrag van werknemers of ex-werknemers van KBL hebben geïnitieerd of gefaciliteerd.

5.1.3. Indien al zou moeten worden aangenomen dat de Belgische autoriteiten zich in het kader van het in handen krijgen van de microfiches onrechtmatig hebben gedragen, kan evenmin worden gezegd dat de gegevens door de Nederlandse Belastingdienst zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. Het Hof gaat dan ook voorbij aan het aanbod van de zijde van belanghebbende getuigen te horen omtrent gedragingen door de Belgische autoriteiten.

5.1.4. De Belgische belastingautoriteit heeft in haar brief van 27 oktober 2000 expliciet verklaard dat de fotokopieën afkomstig zijn van microfiches behorende tot de administratie van KBL. In haar brief van 20 februari 2003 is vermeld op welke wijze de Belgische belastingautoriteit zich ervan heeft vergewist dat de microfiches afkomstig zijn van KBL. De Inspecteur stelt dat de valutacodes op de microfiches overeenkomen met de valutacodes van KBL en dat uit een onderzoek van de inhoud van een aantal fotokopieën is gebleken dat het microfiches zijn met rekeninggegevens bij KBL. Tegenover deze stelling is van de zijde van belanghebbende in wezen aangevoerd dat de gegevens op de afdrukken van de microfiches als onbetrouwbaar dienen te worden gekwalificeerd, waardoor deze gegevens niet kunnen worden gebruikt voor het opleggen van aanslagen.

5.1.5. Gelet op het gemotiveerde betoog van de Inspecteur ligt het op de weg van belanghebbende diens stelling aannemelijk te maken. Belanghebbende is daarin niet geslaagd. Van zijn kant is geen enkel substantieel bewijs voor de juistheid van zijn stelling bijgebracht. Gelet op het overwogene in 5.1.3 en 5.1.4 acht het Hof aannemelijk dat de microfiches gegevens bevatten van rekeningen die door de daarop vermelde personen op 31 januari 1994 worden aangehouden bij KBL en dat de microfiches bedoeld onder 3.23 ook uit de administratie van KBL afkomstig zijn.

Identificatie

5.2.1. De microfiches bevatten onder meer de onder 3.23 genoemde gegevens. Naar aanleiding van die gegevens heeft de Inspecteur een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de daarin genoemde ”[Voornaam 1] [Achternaam 1]-[Achternaam 2]”. Het Hof acht op zichzelf aannemelijk dat de aanduidingen op de microfiches de betekenis hebben die de Inspecteur daaraan heeft gegeven. Nu dat onvoldoende gemotiveerd is betwist, moet van die betekenis worden uitgegaan. Met behulp van de methode van onderzoek in het Draaiboek heeft de Inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als houder van die rekening. Uit het onder 3.24 aangehaalde proces-verbaal leidt het Hof af dat het onderzoek is gevolgd door een onderzoek in het handelsregister en een nader onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie. Op basis van de onderzoeksbevindingen duidt de Inspecteur belanghebbende als houder van KBL-rekening [rekeningnummer] en sluit hij een andere mogelijkheid uit.

5.2.2. Nu het Hof dit onderzoek betrouwbaar acht, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van adequate identificatie. Daarmee is de Inspecteur tegenover de betwisting door belanghebbende geslaagd in het bewijs dat belanghebbende op 31 januari 1994 houder was van KBL-rekening [rekeningnummer].

Navorderingstermijn

5.3.1. Zijn er aanwijzingen van het bestaan van in een andere lidstaat aangehouden tegoeden en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die geldt voor navordering van belasting in verband met het aanhouden van tegoeden in de eigen lidstaat, dan moet in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, na het opkomen van de aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (1) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en met (2) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van de aanslag aan de hand van de gegevens die de Inspecteur ter beschikking staan. Zulks geldt ongeacht of de aanwijzingen zijn verkregen binnen of na afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen lidstaat, en zowel in het geval dat voor het inwinnen van inlichtingen een nuttig gebruik kan worden gemaakt van regelingen van wederzijdse bijstand tussen lidstaten, als in het geval dat de mogelijkheid daartoe ontbreekt, bijvoorbeeld doordat de desbetreffende lidstaat een bankgeheim kent.

5.3.2. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 31 mei 2003. De navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1992 tot en met 1998 zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. De Inspecteur heeft voor het doen van aangifte geen uitstel verleend. Vaststaat dat de Inspecteur vanaf 27 oktober 2000 beschikte over aanwijzingen van het bestaan van de KBL-rekening. Voor elk van de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn moet worden beoordeeld of het tijdsverloop sedert het moment dat de Inspecteur aanwijzingen van het bestaan van de KBL-rekening heeft verkregen en het tijdstip dat hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, aanvaardbaar is.

5.3.3. De tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de belasting en die welke noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie van belanghebbende en het overige fiscale onderzoek, is naar ’s Hofs oordeel voor elk van de navorderingsaanslagen aanvaardbaar. Daarbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen de massaliteit van de vermeende rekeninghouders en de ten aanzien van ieder van hen te betrachten zorgvuldigheid. Anders dan van de zijde van belanghebbende is gesteld, is aannemelijk dat de projectmatige aanpak waarvoor de Inspecteur heeft gekozen, eerder heeft geleid tot bespoediging dan tot vertraging in het opleggen van de navorderingsaanslagen. Van enig stilzitten door de Inspecteur is niet gebleken.

5.3.4. Van de zijde van belanghebbende is nog gesteld dat ook de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de navorderingstermijn van vijf jaar niet met de nodige voortvarendheid zijn opgelegd en dat deze aanslagen om die reden niet in stand kunnen blijven. Het Hof verwerpt die stelling, omdat het beginsel van evenredigheid niet meebrengt dat het vereiste van voortvarendheid ook geldt met betrekking tot navorderingsaanslagen die zijn opgelegd binnen de reguliere vijfjaarstermijn.

Omkering van de bewijslast

5.4.1. De Inspecteur heeft belanghebbende gevraagd gegevens en inlichtingen te verschaffen over door hem in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Daarbij is belanghebbende erop gewezen dat hij wettelijk verplicht is die gegevens en inlichtingen te verstrekken en dat het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

5.4.2. Het staat vast dat belanghebbende voor alle jaren waarvoor de navorderingsaanslagen zijn opgelegd geen gegevens of inlichtingen over enige op zijn naam staande in het buitenland aangehouden bankrekening heeft verstrekt, terwijl belanghebbende reeds buiten eigen toedoen als houder van die buitenlandse rekening was geïdentificeerd, de Inspecteur van die gegevens en inlichtingen derhalve het bestaan mocht aannemen en voldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende over die gegevens en inlichtingen beschikte of kon beschikken. Aldus heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn verplichting ingevolge artikel 47, eerste lid, AWR. Daaruit volgt dat het Hof het beroep met betrekking tot de nagevorderde belasting op grond van het bepaalde in artikel 27e, onderdeel b, AWR ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

5.4.3. Nu het Hof heeft geconstateerd dat belanghebbende houder is of is geweest van KBL-rekening [rekeningnummer], is komen vast te staan dat hij met zijn ontkenning een buitenlandse rekening te hebben of te hebben gehad, de Inspecteur een onjuiste inlichting heeft verstrekt.

5.4.4. Nu de navorderingen betrekking hebben op tegoeden bij KBL en de daarmee samenhangende voordelen, en de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogens- en inkomstenbestanddelen waarover is nagevorderd niet eerder in de heffing zijn betrokken, zijn de navorderingsaanslagen in zoverre terecht opgelegd. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van een nieuw feit snijdt geen hout.

Redelijke schatting

5.5.1. Belanghebbende is door het Hof aangemerkt als houder van de rekening bij KBL. Hij heeft nagelaten opening van zaken te geven. Dit betekent dat de Inspecteur ter vaststelling van de over de betrokken jaren verschuldigde belasting is aangewezen op het maken van een schatting.

5.5.2. Bij het schatten mag de Inspecteur de navorderingsaanslag niet naar willekeur vaststellen. De navorderingsaanslag moet berusten op een redelijke schatting van de te weinig betaalde belasting. Wat betreft de te maken schatting leidt het Hof uit de gedingstukken af dat de Inspecteur feitelijk over geen andere informatie beschikt dan de gegevens op de microfiches en de gegevens van de KBL-rekeninghouders die hebben toegegeven een rekening bij KBL te hebben of te hebben gehad.

5.5.3. Omdat de Inspecteur, nu belanghebbende geen opening van zaken heeft gegeven, alleen beschikt over die summiere informatie, kon hij er redelijkerwijs van uitgaan dat, nu bovendien het tegendeel niet blijkt, belanghebbende in alle jaren waarop de navorderingsaanslagen zien houder is geweest van KBL-rekening [rekeningnummer].

5.5.4. In het bijzonder in aanmerking nemende dat de Inspecteur een geringe hoeveelheid informatie ter beschikking staat, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur met de wijze van schatten en met de elementen van de hem ter beschikking staande gegevens, over het geheel genomen, dat wil zeggen ook met inachtneming van de inconsistentie in de modelmatige berekening (Hoge Raad 15 april 2011, nummer 09/03075, LJN BN6324), niet tot een onredelijke uitkomst is gekomen. Hetgeen belanghebbende omtrent de aanpak door de Inspecteur heeft aangevoerd brengt niet mee dat de uitkomst van de schatting onredelijk is. Bij de beoordeling moet de Inspecteur in gevallen als het onderhavige armslag worden gegund. Onder de gegeven omstandigheden past het niet de Inspecteur een verwijt te maken over de aanpak en de uitkomst van de schatting.

5.5.5. Van de zijde van belanghebbende zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld.

5.5.6. Nu de navorderingsaanslagen niet te hoog zijn vastgesteld heeft het Hof geen reden te oordelen dat de heffingsrente, die is berekend overeenkomstig de wettelijke regeling, tot te hoge bedragen in rekening is gebracht.

Slot

5.6. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld en aan stukken heeft ingebracht heeft hij naar ’s Hofs oordeel, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, overigens onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan anders, formeel of inhoudelijk, over het beroep moet worden geoordeeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.610 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep: 2,5 punt à € 322 x 2 (gewicht van de zaak). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient het griffierecht aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die zien op een verhoging of een boete;

- vernietigt de kwijtscheldingsbesluiten;

- vermindert de navorderingsaanslagen waarin een verhoging is begrepen aldus, dat telkens de verhoging vervalt;

- vernietigt de boetebeschikkingen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.610; en

- gelast de Inspecteur het griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 25 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.