Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8934

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
BK-11/00292
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Oproepen getuige (belastingdienstmedewerker). Onderneming binnen v.o.f.? Dieetkosten. Medisch voorgeschreven hoogtestage. Wettelijke rente over een schuld aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0260
V-N Vandaag 2013/177
V-N 2013/10.18.13
Vp-bulletin 2013/12

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00292

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 28 augustus 2012

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2011, nummer AWB 10/4061 IB/PVV, betreffende na te vermelden aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.557 en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 48.114.

Bij beschikking is een bedrag van € 3.138 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikking afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.6 van haar uitspraak vermelde feiten:

2.1 [Belanghebbende] en zijn echtgenote [Y] genoten in het onderhavige jaar een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Zij verrichtten eveneens al geruime tijd met elkaar diverse werkzaamheden binnen de vennootschap onder firma [X-Y] (hierna: de vof), die volgens het uittreksel uit het handelsregister is opgericht op 1 januari 1986.

2.2 De jaarrekening van de vof over 2007, die in kopie tot de gedingstukken behoort, vermeldt een verlies van € 587.228. Dit verlies is als volgt opgebouwd:

Baten

Diverse baten en lasten € 22.427

Verhuur aanhangers - 838

Consult diëtist/voedingsbureau - 736

Opbrengst instituut […] - 1066

Provisies verz. Leven - 1400

Provisies schadeverzekeringen - 57

€ 26.524

Lasten

Afschrijvingen € 22.463

Autokosten - 4.849

Huisvestingskosten - 12.554

Kantoorkosten - 3.627

Verkoopkosten - 271

Letselschades - 518.000

Diverse algemene kosten - 50.326

Overige kosten - 1.662

- 613.752

Verlies € 587.228

In de toelichting bij de jaarrekening is onder meer het volgende vermeld:

“Sinds 1996 zijn de aansprakelijkheden van de VOF voor de letselschades in de jaarverslagen opgenomen als een eventuele toekomstige schadepost. (…) Eind 2007 konden de schades niet meer worden verhaald, zodat opname van de schadebetalingen in de jaarrekening over 2007 moeten worden opgenomen. Het gaat om vergoedingen van de letselschades ten gevolge van de ongevallen op 13-3-1986, 31-5-1997 en 10-8-2003. De bedragen voor vergoeding zijn gebaseerd op de componenten van verlies aan: verdiencapaciteit, pensioenopbouw, zelfbetaalde/te betalen medische kosten, gederfde levensvreugde (smartengeld), procedurekosten, alsmede de indexatie en overige kosten.

(…)

Om een positief resultaat veilig te stellen, is besloten door beide vennoten, dat [X] een bedrag van de VOF mag lenen van € 600.000,- tegen een rentepercentage van 2,4% voor 1-12-2006 tot 1-12-2007. (…)

(…)

De diverse algemene kosten bedroegen in 2007 € 50.325,80.

Dit betreft de reserveringkosten van € 48.915,00 voor de schadeclaims van de woekerpolissen. Verder betreft het kosten van griffierechten ten bedrage van € 724,- betreffende procedures tegen de Belastingdienst over VOF-aangelegenheden. (…)”

2.3 [Belanghebbende] heeft voor het jaar 2007 een belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: inkomen uit box 1) aangegeven van € 627.883 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: inkomen uit box 3) van nihil. Het inkomen uit box 1 is opgebouwd uit een verlies uit onderneming van € 668.663, een uitkering krachtens de WAO van € 47.350, negatieve inkomsten uit eigen woning van € 5.950 en een aftrek in verband met een geringe eigenwoningschuld van € 620. Onder de persoonsgebonden aftrek vermelde [belanghebbende] in de aangifte een bedrag van € 86.546 aan uitgaven wegens ziektekosten, een bedrag van € 463 aan uitgaven voor weekendbezoek van ernstig gehandicapten en een bedrag van € 1.145 voor aftrekbare giften. De aangifte en bijbehorende bijlagen behoren in kopie tot de gedingstukken.

2.4 [De Inspecteur] heeft de aanslag vastgesteld naar een inkomen uit box 1 van € 41.557 en een inkomen uit box 3 van € 48.114. In zijn brief aan [belanghebbende] van 3 november 2009, die in kopie tot de gedingstukken behoort, heeft [de Inspecteur] het door hem vastgestelde inkomen uit box 1 als volgt gespecificeerd:

"UWV € 47.350

Inkomsten uit eigen woning -/- - 2.045

€ 45.305

Buitengewone uitgaven -/- - 2.603

Uitgaven giften -/- - 1.145

Inkomen uit werk en woning € 41.557"

2.5 In de in 2.4 genoemde brief heeft [de Inspecteur] het door hem vastgesteld inkomen uit box 3 als volgt gespecificeerd:

“Bezittingen:

Uitgegaan wordt van de aangegeven bezittingen, minus:

- Bezit bewindvoerder/mentor [A].

- Woning voor 50% in gebruik bij VOF.

- Garage voor 50% in gebruik bij VOF.

1/1 31/12

Aangegeven bezittingen € 1.198.710 € 1.255.216

Correctie uit balans € 139.587 € 61.263 Zie mijn brief van 3 november 2008

Totaal € 1.338.297 € 1.316.479

Gemiddeld: 2.654.776 / 2 = € 1.327.388

Schulden:

Van de nieuwe hypotheek is de helft niet aangewend voor de eigen woning. Daarom wordt een deel groot € 90.000 in box 3 geplaatst.

1/1 31/12

Schuld minus drempel € 84.600 € 84.400

Gemiddeld: € 84.500

Bezittingen minus schulden € 1.242.888

Heffingvrij vermogen € 40.028

Gemiddelde rendementsgrondslag € 1.202.860

Voordeel sparen en beleggen 4% van € 1.202.860 = € 48.114”

2.6 Bij het opleggen van de aanslag heeft [de Inspecteur] bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen door [belanghebbende] gemaakt bezwaar heeft [de Inspecteur] de aanslag en de beschikking heffingsrente bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslag op een juist bedrag is vastgesteld en of de heffingsrente terecht in rekening is gebracht, zoals de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist.

4.2. Belanghebbende voert, zo begrijpt het Hof, de navolgende gronden aan voor zijn hoger beroep:

a. ten onrechte is een aftrek van € 3.691 ter zake van dieetkosten niet geaccepteerd;

b. ten onrechte zijn de kosten van een medisch voorgeschreven hoogtestage niet in aftrek toegelaten;

c. het niet oproepen van een belastingdienstmedewerker als getuige is in strijd met de Grondwet en het EVRM. Voorts is op dit punt sprake van ongelijke behandeling omdat andere rechtbanken op verzoek wel getuigen horen;

d. het houden van een mondelinge behandeling, terwijl belanghebbende vanwege zijn ziekte niet in staat is de zitting bij te wonen, is strijdig met de Grondwet en het EVRM;

e. ten onrechte acht de Inspecteur geen onderneming aanwezig;

f. ten onrechte wordt bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen geen rekening gehouden met de wettelijke rente over een schuld aan het ministerie van Onderwijs.

4.3. De Inspecteur bestrijdt de door belanghebbende aangevoerde gronden, zo begrijpt het Hof, grotendeels door te verwijzen naar het verweerschrift in eerste aanleg en voor wat betreft de aftrek van de door belanghebbende gestelde dieetkosten door te wijzen op het feit dat bij de aanslagregeling voor het jaar 2007 een bedrag van € 4.295 aan dieetkosten in aftrek is toegelaten. Dit bedrag is hoger dan het door belanghebbende gestelde bedrag van € 3.691.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof voorts naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de aanslag op nihil, vaststelling van een verlies voor het jaar 2007, vaststelling van de nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking inzake heffingsrente.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft in haar uitspraak het navolgende overwogen:

2.13 [Belanghebbende] heeft onder meer aangevoerd dat zijn bezwaar ongemotiveerd ter zijde is gelegd en communicatie met (medewerkers van) [de Inspecteur] niet mogelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank missen deze stellingen feitelijke grondslag. Uit de stukken blijkt dat [belanghebbende] en [de Inspecteur], zowel tijdens de aanslagfase als tijdens de bezwaarfase, uitvoerig met elkaar hebben gecorrespondeerd. [De Inspecteur] heeft [belanghebbende] voldoende gelegenheid gegeven nadere informatie te verstrekken of toelichting te geven en [de Inspecteur] heeft duidelijk aangegeven op welke punten en om welke redenen hij van de aangifte meende te moeten afwijken. Dat partijen elkaar kennelijk niet van de juistheid van hun standpunten hebben kunnen overtuigen, doet daar niet aan af.

2.14 Aangaande de stelling van [belanghebbende] dat hem niet de gelegenheid wordt geboden getuigen op te roepen overweegt de rechtbank dat [belanghebbende] per aangetekende brief van 3 februari 2011 is uitgenodigd de zitting bij te wonen. In die brief is hem gewezen op de mogelijkheid getuigen en/of deskundigen mee te nemen of op te roepen. In zoverre mist [belanghebbendes] stelling feitelijke grondslag. Voor zover [belanghebbendes] stelling teruggaat op door [belanghebbende] voor de rechtbank gevoerde procedures voor andere belastingjaren, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 4 juni 2008 op het beroep van [belanghebbende] betreffende de aanslag IB voor het jaar 2002. Bij die uitspraak overwoog de rechtbank onder meer het volgende:

“4.1. [Belanghebbende] stelt dat hij in 1997/1998 na jarenlange discussies met de belastingdienst in persoon van de heer [B] RA (hierna: de controleur) een compromis heeft gesloten (…). Omdat de controleur destijds onderdelen van het compromis van zijn superieuren niet op mocht schrijven en deze dus uitdrukkelijk alleen mondeling zijn overeengekomen, verzoekt [belanghebbende] om oproeping van de controleur en/of zijn opvolgers als getuige dan wel om opdracht aan de belastingdienst dat zij hem de adresgegevens van de in een andere functie bij de belastingdienst werkzame controleur verstrekken opdat [belanghebbende] hem in deze procedure als getuige kan oproepen. [De Inspecteur] erkent het bestaan van het met de controleur gesloten compromis, doch ontkent dat er andere afspraken zouden zijn gemaakt dan destijds schriftelijk vastgelegd en dat de afspraken mede betrekking zouden hebben op beoordeling van [belanghebbendes] fiscale positie in latere jaren.

4.2. Schriftelijke vastlegging van genoemd compromis heeft destijds plaatsgevonden in een brief van de controleur d.d. 21 januari 1998 aan [belanghebbende]. Deze brief, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort, beslaat acht bladzijden en is op elke bladzijde ‘Voor accoord’ ondertekend door de controleur, door [belanghebbende] en door zijn echtgenote. In de brief met als onderwerps­aanduiding:

“compromis ter afdoening van de jaren 1996 en eerder m.b.t. de inkomstenbelasting en Omzetbelasting”

is op blz 1 de volgende passage opgenomen:

“Aan de afwikkeling van dit compromis over de jaren 1996 en eerder kunnen geen rechten worden ontleend voor de afwikkeling van de aangifte over 1997 en volgende jaren.

De aangiften Inkomstenbelasting over 1997 zullen na indiening separaat behandeld worden, waarbij alle aspecten van de aangifte zullen worden beoordeeld op fiscale aanvaardbaarheid.”

De stelling van [belanghebbende] dat het compromis nadere, niet schriftelijk vastgelegde, afspraken bevat over latere jaren is hiermee in tegenspraak. Nu [de Inspecteur] het bestaan van dergelijke afspraken gemotiveerd weerspreekt, ligt het op de weg van [belanghebbende] aannemelijk te maken dat zij zijn gemaakt en de hiervoor aangehaalde passage uit de brief de werkelijkheid niet weergeeft. [Belanghebbende] is hierin met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet geslaagd.

4.3. Het verzoek van [belanghebbende] aan de rechtbank om voor het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:60 Awb de controleur dan wel zijn opvolger als getuige op te roepen is door de rechtbank afgewezen, omdat hiervoor op basis van de gedingstukken onvoldoende aanleiding bestond. Hetgeen [belanghebbende] en [de Inspecteur] ter zitting hebben verklaard, hebben de rechtbank niet tot een ander inzicht gebracht. Ook het verzoek van [belanghebbende] om [de Inspecteur] op te dragen hem adresgegevens over de nog bij de belastingdienst werkzame controleur te verstrekken, komt niet voor inwilliging in aanmerking. [Belanghebbende] kent aan de beweerde nadere afspraken zo’n algemene inhoud toe, die bovendien ook t.a.v. andere onderdelen, zoals de aanvaardbaarheid van de hoogte van de ziektekosten, letterlijk in strijd is met de schriftelijk vastgelegde afspraken, dat deze naast weerspreking door [de Inspecteur] de rechtbank niet aannemelijk voorkomen. Voorts heeft [belanghebbende] blijkens zijn ondertekening met de afspraken ingestemd en heeft hij ter zitting verklaard dat deze door hem naar waarheid zijn ondertekend.

4.4. De door [belanghebbende] bij zijn brief van 1 september 2007 in de bijlagen 2 en 3 overgelegde correspondentie met de controleur wijst er niet op dat, zoals [belanghebbende] stelt, de hierin genoemde afspraken zijn gemaakt in aanvulling op het in 4.1. genoemde compromis. Deze afspraken betreffen specifieke kwesties (…) en hebben betrekking op de aanslagregeling voor 1997 resp. 1998. (…).”

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in de onderhavige procedure geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding zouden kunnen geven tot een andersluidende beslissing.

2.15 Ter motivering van zijn stelling dat hem niet de mogelijkheid wordt geboden rechtshulp te zoeken heeft [belanghebbende] aangevoerd dat hij geen rechtshulp kan bekostigen, maar ook niet in aanmerking komt voor een toevoeging. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van [belanghebbende], maar is van oordeel dat er geen wettelijke mogelijkheden zijn op grond waarvan de rechter een voor [belanghebbende] gunstige voorziening zou kunnen treffen.

2.16 Ingevolge artikel 3.2 van de Wet IB 2001 is belastbare winst het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen. Een onderneming is een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, waarmee wordt deelgenomen aan het economische verkeer, met het oogmerk daarmee winst te behalen en waarvan ook redelijkerwijs kan worden verwacht dat daarmee duurzaam positieve voordelen zullen worden behaald.

2.17 Uit de jaarrekening van de vof over 2007, die in kopie tot de gedingstukken behoort, komt naar voren dat de activiteiten binnen de vof in dat jaar zeer gering waren. De in de jaarrekening als baten verantwoorde bedragen bestaan voor het overgrote gedeelte uit ontvangen rente, terwijl deze rente voor het grootste deel bestaat uit rente die is berekend over een lening die door de vof zou zijn verstrekt aan [belanghebbende] en voor het overige uit rente over banktegoeden. Nog daargelaten of bij het vaststellen van het resultaat van een vennootschap onder firma schulden aan één van de vennoten in aanmerking kunnen worden genomen, is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken en uit hetgeen [belanghebbende] daartoe voor het overige heeft aangevoerd, niet blijkt dat sprake is van een duurzame organisatie waarmee wordt deelgenomen aan het economische verkeer. De rechtbank overweegt verder dat bij de in 2.14 geciteerde uitspraak is geoordeeld dat de vof in 2002 geen onderneming dreef. Naar [de Inspecteur] ter zitting heeft verklaard en de rechtbank aannemelijk acht heeft de vof voor het jaar 2003 geen winst verantwoord en voor de jaren 2004 tot en met 2007 heeft de vof verliezen verantwoord van respectievelijk € 66.421, € 36.779, € 10.117 en € 587.228. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet aannemelijk is dat in de jaren na 2002 op enig moment redelijkerwijs was te verwachten dat met de binnen de vof ontplooide activiteiten duurzaam positieve opbrengsten konden worden behaald. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat [belanghebbende] niet kan worden aangemerkt als ondernemer, hij het ondernemingsverlies daarom niet op zijn inkomen in aftrek brengen en geen recht heeft op zelfstandigenaftrek en investeringsaftrek.

2.18 [Belanghebbende] heeft een eigenwoningforfait aangegeven van € 620 en daarop € 6.570 eigenwoningrente in aftrek gebracht, alsmede een aftrek van € 620 wegens geringe eigenwoningschuld. Uit de gedingstukken blijkt dat de WOZ-waarde van de woning € 225.500 bedraagt. Omdat de vof niet kan worden aangemerkt als een onderneming heeft [de Inspecteur], naar het oordeel van de rechtbank, terecht aangenomen dat de eigen woning geheel tot [belanghebbendes] privévermogen behoort. Daarom heeft [de Inspecteur], ingevolge artikel 3.112 , eerste lid, van de Wet IB 2001, het eigenwoningforfait terecht gesteld op 0,55 procent van € 225.500 = € 1.240. [De Inspecteur] heeft verder gesteld dat van de hypothecaire lening, waarop de door [belanghebbende] in aftrek gebrachte rente betrekking heeft, de helft niet is aangewend voor verwerving, onderhoud of verbetering van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende], die daarvoor de bewijslast heeft, niets gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan het tegendeel zou kunnen worden aangenomen. [De Inspecteur] heeft daarom terecht de helft van de door [belanghebbende] in aftrek gebrachte rente niet in aftrek toegelaten.

Ingevolge artikel 3.123a, eerste lid, van de wet komt de belastingplichtige in aanmerking voor de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld als de voordelen uit de eigen woning hoger zijn dan de daarop drukkende kosten. Omdat de inkomsten uit eigen woning, die [de Inspecteur] in aanmerking heeft genomen bij het vaststellen van de aanslag, per saldo negatief zijn, heeft [de Inspecteur] deze aftrek terecht niet toegestaan.

2.19 Aangaande de buitengewone uitgaven stelt de rechtbank voorop dat de bewijslast voor de aftrek van buitengewone uitgaven bij [belanghebbende] ligt. Verder bevatten de artikelen 6.16 tot en met 6.25 van de Wet IB 2001 een limitatieve opsomming van de uitgaven die voor aftrek in aanmerking komen, alsmede regels voor het in aanmerking nemen van de uitgaven. Uit de gedingstukken blijkt dat naar aanleiding van de door [belanghebbende] ingediende aangifte tussen [belanghebbende] en [de Inspecteur] een uitvoerige correspondentie heeft plaatsgevonden. Op vragen van [de Inspecteur] heeft [belanghebbende] een opsomming gegeven van de buitengewone uitgaven die hij zou hebben gedaan. Bewijsstukken waaruit zou kunnen blijken dat de uitgaven in het onderhavige jaar op [belanghebbende] hebben gedrukt, zoals facturen en betalingsbewijzen, zijn niet overgelegd. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat [belanghebbende] het door hem te leveren bewijs niet heeft geleverd. De rechtbank overweegt verder dat [de Inspecteur] in zijn brief aan [belanghebbende] van 3 november 2009 heeft meegedeeld dat hij de uitgaven voor verzorging, hoogtestages, tuinonderhoud, keuring gehandicaptenkaart, woningaanpassing, reis- en vervoerskosten, huidproblemen, waterzuiveringsinstallatie, contributies, begrafenisverzekering en voetreflexslippers niet in aftrek zou toelaten. Naar het oordeel van de rechtbank was dit terecht, omdat [belanghebbende] tot dan toe aan [de Inspecteur] onvoldoende informatie en bewijsstukken had verstrekt om te kunnen aannemen dat het ging om uitgaven die zijn te rangschikken onder de uitgaven die zijn genoemd in de artikelen 6.16 tot en met 6.25 van de Wet IB 2001. Anderzijds heeft [de Inspecteur] de uitgaven waaraan [belanghebbende] omschrijvingen heeft gegeven die corresponderen met de in genoemde wetsartikelen gegeven limitatieve opsomming, kennelijk zonder nader onderzoek wel in aftrek toegelaten. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat er geen reden is een hoger bedrag aan buitengewone uitgaven in aftrek toe te laten dan [de Inspecteur] heeft gedaan.

2.20 Aangaande de hoogte van het inkomen uit box 3 overweegt de rechtbank dat, nu de activiteiten van de vof niet kunnen worden aangemerkt als een onderneming, de vermogensbestanddelen van de vof moeten worden gerekend tot de bezittingen en schulden die behoren tot de rendementsgrondslag van het inkomen uit box 3. Uit de in 2.4 vermelde brief blijkt dat [de Inspecteur] de door [belanghebbende] aangegeven rendementsgrondslag slechts heeft verhoogd met de op de balans van de vof voorkomende post “ondernemersdeposito DSB-Bank 1” en heeft verminderd met het gedeelte van de in 2.18 vermelde lening dat hij niet als eigenwoningschuld heeft aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] de rendementsgrondslag daarmee niet te hoog vastgesteld. [Belanghebbende] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen.

2.21 Aangaande de heffingsrente heeft [belanghebbende] slechts gesteld dat de heffingsrente ten onrechte in rekening is gebracht omdat [belanghebbende] het bedrag van een voorlopige teruggaaf van ongeveer € 22.000 heeft (terug)gestort op de bankrekening van de Belastingdienst en de rente over dat bedrag dus aan de Belastingdienst ten goede is gekomen. Wat daarvan zij, er is geen wettelijke regel die erin voorziet dat na een dergelijke terugstorting het in rekening brengen van heffingsrente geheel of gedeeltelijk achterwege zou moeten worden gelaten. Nu verder niet is gesteld of gebleken dat de heffingsrente in strijd met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen is opgelegd, is er voor het verminderen of laten vervallen van de heffingsrente geen aanleiding.

2.22 Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.1. Aangaande de gevraagde aftrek ter zake van dieetkosten laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur voor het jaar 2007 een bedrag van € 4.295 aan dieetkosten in aftrek heeft geaccepteerd. Dit in aftrek toegelaten bedrag is hoger dan het bedrag waarvoor belanghebbende in hoger beroep aftrek verlangt. Aldus heeft belanghebbende geen belang bij deze beroepsgrond en is deze derhalve ongegrond.

7.1.2. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur ten onrechte de door eerstgenoemde gestelde kosten van een medisch geïndiceerde hoogtestage niet in aftrek heeft toegelaten, faalt reeds omdat belanghebbende in bezwaar, in beroep noch in hoger beroep bewijs heeft bijgebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat dienaangaande uitgaven in het voorliggende jaar op belanghebbende hebben gedrukt.

7.2. Aan de door belanghebbende gedane aanbieding nader bewijs te leveren door middel van een getuige, te weten belastingdienstmedewerker [B] RA, is de rechtbank terecht voorbijgegaan. Het aanbod behelst niet het bewijzen van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank over de inhoud van het tussen belanghebbende en de controlerend ambtenaar gesloten compromis, zoals destijds schriftelijk vastgelegd in de brief van de controlerend ambtenaar met dagtekening 21 januari 1998. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de stelling van belanghebbende dat het compromis nadere, niet schriftelijk vastgelegde, afspraken bevat over latere jaren in tegenspraak is met de expliciete inhoud van de schriftelijke vastlegging van het compromis. Uit de stelling van belanghebbende volgt dat de door hem gestelde mondelinge afspraken zijn gemaakt in het kader van het compromis dat heeft geleid tot de schriftelijke vastlegging van 21 januari 1998. Vaststaat dat belanghebbende de schriftelijke vastlegging van het compromis op iedere bladzijde voor akkoord heeft ondertekend en dat in de vastlegging uitdrukkelijk is opgenomen dat het compromis strekt tot afdoening van de jaren 1996 en eerder en dat aan het compromis geen rechten kunnen worden ontleend voor de afwikkeling van de aangiften over 1997 en volgende jaren. De hier haaks op staande verklaring van belanghebbende dat hij met de desbetreffende controlerend ambtenaar in het kader van dit compromis mondeling afspraken heeft gemaakt over 1997 en volgende jaren niet geconcretiseerd en onderbouwing ervan is niet gegeven. Belanghebbende heeft daarmee niet voldaan aan zijn stelplicht. Reeds hierom dient het bewijsaanbod afgewezen te worden. Voorts acht het Hof, gelet op het vorenoverwogene, de stellingen van belanghebbende niet geloofwaardig.

7.3. Belanghebbende stelt dat het voorbijgaan aan zijn aanbod van getuigenbewijs strijd oplevert met de Grondwet en het EVRM, maar heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om deze stelling te onderbouwen, zodat die moet worden verworpen. De door belanghebbende in het geding gebrachte persberichten, waaruit moet blijken dat de rechtbank Haarlem wel een belastingdienstmedewerker als getuige heeft gehoord, doen aan het vorenstaande niet af. In iedere afzonderlijke zaak zal de rechter hebben te beoordelen of een aanbod van getuigenbewijs gehonoreerd moet worden.

7.4. Belanghebbende voert voorts aan dat de rechtbank hem onrecht heeft aangedaan door partijen uit te nodigen voor een zitting in weerwil van de omstandigheid dat belanghebbendes medische toestand hem verhindert een zitting bij te wonen. Aldus is hem, zo begrijpt het Hof, de mogelijkheid ontnomen te reageren op verklaringen ter zitting van de Inspecteur, hetgeen strijd oplevert met de Grondwet en het EVRM.

7.5. Bij de beoordeling van voormelde beroepsgrond dient vooropgesteld te worden dat een mondelinge behandeling ter zitting ingevolge artikel 8:57, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) slechts achterwege mag blijven indien beide partijen daarvoor toestemming hebben verleend. De eisen van een goede rechtspleging brengen voorts mee dat in geval een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek inwilligt, tenzij hij oordeelt dat zwaarderwegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan, aldus HR 4 mei 2007, nr. 41.429, NTFR 2007/846 (vgl. ook HR 15 december 1993, nr. 29.315, BNB 1994/55 en HR 31 januari 2001, nr. 35.914, NTFR 2001/207).

7.6. Belanghebbende heeft de rechtbank een pleitnota doen toekomen waarin hij heeft doen weten dat en waarom hij niet op de zitting zou verschijnen. Hij heeft niet verzocht om de behandeling op een nader te bepalen, latere dag te doen plaatsvinden. Hij heeft zich bereid verklaard telefonisch gehoord te worden. De reden voor het niet verschijnen van belanghebbende is gelegen in een te slechte gezondheid om zelf ter zitting te verschijnen en de te hoge kosten van een gemachtigde om hem ter zitting te vertegenwoordigen. Vaststaat dat de Inspecteur geen toestemming heeft verleend een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten, zodat het de rechtbank niet vrijstond om een zitting achterwege te laten. De eisen van een goede rechtspleging brengen met zich dat het de rechter niet vrijstaat een eerst ter zitting door een partij te berde gebrachte stelling te honoreren zonder de niet ter zitting verschenen wederpartij de gelegenheid te hebben geboden daarop te reageren, omdat in een zodanig geval de wederpartij immers vóór de zitting geen aanleiding, en ter zitting geen gelegenheid had om zich over die kwestie uit te laten (vgl. HR 21 oktober 2005, BNB 2006/10). Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt echter niet dat de Inspecteur ter zitting een nieuwe stelling heeft ingenomen. Belanghebbende is dus niet benadeeld in zijn procespositie. Een mogelijkheid om ter terechtzitting telefonisch gehoord te worden kent het belastingprocesrecht niet.

7.7. Ten aanzien van de vraag of sprake is van een onderneming als bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet IB 2001 heeft de rechtbank onder 2.16 en 2.17 met juistheid en op goede gronden, welke gronden het Hof tot de zijne maakt, geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. De stelling van belanghebbende dat er nog beroepsprocedures lopen ter zake van de omzetbelasting voor de tijdvakken van

1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 en 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2006 en ter zake van de IB/PVV voor de jaren 2004 tot en met 2006 doet aan het vorenstaande niet af. Overigens staat vast dat de rechtbank ’s-Gravenhage ter zake van voormelde tijdvakken inzake de omzetbelasting op 12 juli 2012 schriftelijk uitspraak heeft gedaan. Ter zake van de IB/PVV voor de jaren 2004 tot en met 2006 heeft de rechtbank op 16 respectievelijk 27 en 8 september 2011 schriftelijk uitspraak gedaan. De beroepen tegen de bij de respectievelijke uitspraken op bezwaar gehandhaafde aanslagen zijn daarbij ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraken is geen hoger beroep ingesteld.

7.8. Tot slot heeft belanghebbende aangevoerd dat bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen ten onrechte geen rekening is gehouden met de wettelijke rente over een schuld aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het is aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en tegenover een betwisting door de Inspecteur aannemelijk te maken die de conclusie kunnen dragen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de wettelijke rente over een schuld. Uit de gedingstukken in beroep en in hoger beroep blijkt niet dat belanghebbende dergelijke feiten en omstandigheden heeft gesteld. Aldus faalt de stelling van belanghebbende bij gebrek aan feitelijke grondslag.

7.9. Tegen de beschikking inzake de heffingsrente heeft belanghebbende in hoger beroep geen andere beroepsgronden aangevoerd dan die in eerste aanleg. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden, welke gronden het Hof tot de zijne maakt, een juiste beslissing gegeven. Aangezien voorts het hoger beroep betreffende de aanslag ongegrond is, dient ook het hoger beroep betreffende de beschikking inzake heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

7.10. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 28 augustus 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.