Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8338

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
BK-09/00567 tot en met BK-09/00583
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1358, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KBL-zaak. De vader van belanghebbenden is – naar het Hof bewezen acht – houder van de rekening bij de KB Lux. Belanghebbenden hebben geen opening van zaken hierover gegeven. Immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/219
VNT 2013/11t.5
V-N 2013/11.5 met annotatie van Redactie
NTFR 2013/595 met annotatie van mr. J.M. van der Vegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-09/00567 tot en met BK-09/00583

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 9 mei 2012

in het geding tussen:

de erven van [X], te [Z], hierna: belanghebbenden,

en

de directeur van de Belastingdienst Rijnmond, kantoor [P], hierna: de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbenden tegen de uitspraken van de rechtbank

’s-Gravenhage van 24 juni 2009, nummers AWB 07/1450 IB/PVV, AWB 07/5678 IB/PVV tot en met AWB 07/5685 IB/PVV, AWB 07/1451 VB, AWB 07/5686 VB tot en met AWB 07/5692 VB, betreffende na te melden navorderingsaanslagen.

Navorderingsaanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbenden op 31 december 2004 voor het jaar 1992 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en voor het jaar 1993 een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting.

1.2. De Inspecteur heeft op 31 december 2005 aan belanghebbenden navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd voor de jaren 1993 tot en met 2000 en voor de jaren 1994 tot en met 2000 in de vermogensbelasting.

1.3. Gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.4. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van

9 februari 2007 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

1.5. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband hiermee is van belanghebbenden een griffierecht geheven van in totaal € 110. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 februari 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2.3. Ter zitting zijn de zaken van belanghebbenden met de kenmerknummers BK-09/00567 tot en met BK-09/00583 gezamenlijk behandeld. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in een van deze zaken geldt eveneens als te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

2.4. De Inspecteur heeft bij brief van 26 april 2012 ingevolge een door het Hof tot hem gericht verzoek nog enkele gegevens van feitelijke aard ingezonden, waarvan de wederpartij door tussenkomst van de griffier een afschrift is gezonden. Het Hof heeft in die gegevens geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbenden als eisers en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

”2.1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag. De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de afdrukken van de microfiches. Het Rekeningenproject is eind 2001 van start gegaan.

2.2. Verweerder heeft informatie ontvangen van rekeningen bij de KB Lux (hierna: het renseignement). De daarop voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi per 31 januari 1994 in Nederlandse guldens. Het renseignement luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“[xxxxxx] VUE [Voornaam X] OU [Voornaam B] [Achternaam] 74,29

[xxxxxx] TER LDO [Voornaam X] OU [Voornaam B] [Achternaam] 102.065,42

[xxxxxx] TER LDO [Voornaam X] OU [Voornaam B] [Achternaam] 116.032,32”.

2.3. Eisers, [A] en [B], zijn de zonen en erfgenamen van wijlen [X] (hierna: erflater). Erflater, geboren op [dag en maand] 1923, is op [dag en maand] 2003 overleden. Erflater is in 1992 en volgende jaren beschreven voor de inkomsten- en de vermogensbelasting. Erflater heeft onder meer in zijn aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1995 tot en met 2000 rente-inkomsten uit banktegoeden aangegeven van respectievelijk ƒ 13.271 (1995), ƒ 16.829 (1996), ƒ 12.457 (1997), ƒ 14.234 (1998), ƒ 14.552 (1999) en ƒ 12.600 (2000). Voorts heeft hij in zijn aangiften vermogensbelasting over de jaren 1996 tot en met 2000 een bedrag aan banktegoeden aangegeven van respectievelijk ƒ 285.118 (1996), ƒ 351.214 (1997), ƒ 392.544 (1998), ƒ 434.081 (1999) en ƒ 527.795 (2000).

2.4. Verweerder heeft eisers bij brief van 22 juni 2004 verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van het buitenlandse vermogen van erflater. Verweerder heeft eisers daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) inzake omkering van de bewijslast. Eisers hebben, in een door hen ondertekende verklaring “Opgaaf buitenlands vermogen” van 25 juni 2004, aangegeven dat zij niets afweten van buitenlands vermogen van erflater.

2.5. Bij brief van 8 november 2004 heeft verweerder aan eisers onder meer een modelbrief gezonden, met daarin het verzoek aan de KB Lux om toezending van de overzichten van de hiervoor onder 2.2 genoemde rekeningen en alle andere tegoeden van erflater vanaf 1992. Eisers hebben hierop bij brief van 11 november 2004 gereageerd. In deze brief staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“(…) Als gezamenlijke erfgenamen zijn wij ervan overtuigd dat er geen bankrekeningen en/of banktegoeden op naam van mijn overleden vader [erflater] bestaan in Luxemburg.

De inventarisatie van de volledige nalatenschap is zorgvuldig geweest en de hieruit resulterende aangifte successierechten zoals u die kent is kompleet.

De door u genoemde nummers en bedragen zijn misschien ooit aktueel geweest, momenteel echter beslist niet. Zo zal mijn vader ooit ook wel bankrekeningen en tegoeden gehad hebben in Indonesie, maar ook dat ligt in een ver verleden. ”.

2.6. Verweerder heeft bij brief van 1 december 2004 eisers in kennis gesteld van zijn voornemen om een navorderingsaanslag op te leggen voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1992 en voor de vermogensbelasting over het jaar 1993. In de brief is uiteengezet op welke wijze de navorderingsaanslagen zijn berekend. Bij brief van 21 december 2004 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat hij de aangezegde navorderingsaanslagen zal gaan opleggen.

2.7. Op 22 december 2004 heeft een informeel gesprek met eisers plaatsgevonden. Van dit gesprek heeft verweerder een verslag opgemaakt, waarin – voor zover van belang – het volgende staat vermeld:

“Tijdens het gesprek is de vraag of [erflater] een rekening in het buitenland heeft aangehouden bevestigend noch ontkennend beantwoord. Er is mogelijk een rekening aangehouden. Hen is daar echter niets van bekend.

Er werd gevraagd naar het verdere vervolg van handelen door de belastingdienst.

Uitgelegd dat er 2 mogelijkheden zijn.

1)

De gegevens worden alsnog verstrekt. Op basis daarvan wordt een nadeelberekening gemaakt. Over de te betalen

belasting daaruit wordt geen boete opgelegd maar wel heffingsrente in rekening gebracht. Hiertoe kan dan een

vaststellingsovereenkomst worden opgemaakt waarbij alles in een aanslag wordt opgelegd.

2)

De gegevens worden niet verstrekt. Dan wordt op basis van de ons bekende gegevens van meewerkers een reële

schatting gemaakt en worden over de diverse jaren afzonderlijk aanslagen opgelegd voor IB en VB met

heffingsrente en zonder boete.

(…)

Gevraagd werd of de zaak zonder verstrekking van gegevens niet in een bedrag afgedaan kon worden.

Hierop hebben wij ontkennend geantwoord. (gerefereerd aan Vinkenslag).

Gevraagd werd eveneens wat wij hen nu konden adviseren.

Hierop hebben wij geantwoord dat het een lastige vraag betreft omdat wij in feite de “tegenpartij”zijn.

In ieder geval zou het voor de hand liggen om contact op te nemen met de bank in Luxemburg.

Aangegeven werd door [eisers] dat van telefonische informatie in Luxemburg niets te verwachten viel. Dit werd

door de bank niet gedaan.

Zij gaven aan dat er dan al persoonlijk naar Luxemburg gereden moest worden.

Daarop hebben wij aangegeven dat er een voorbeeld voor het opvragen van de gegevens ter beschikking is

gesteld. Daarnaast aangegeven dat er bij bezoek bij de bank verwezen zou kunnen worden naar

advocaten”.

2.8. Bij brief van 27 december 2004 hebben eisers op de brief van 21 december 2004 van verweerder gereageerd. In deze brief staat het volgende – voor zover van belang – vermeld:

“Op 22 december j.l. hebben wij met U en Uw collega (…) een persoonlijk onderhoud gehad op Uw kantoor.

In dit gesprek heeft U ons o.a. medegedeeld dat er in deze kwestie geen sprake zou zijn van een op te leggen boete, gelet op de omstandigheden.

Daarnaast deelde U ons mede dat het U niet bekend was of onze overleden vader wellicht toch aangifte gedaan had van het door u steeds genoemde bedrag van Dfl. 218172,=. U heeft geen inzage gehad in de door onze overleden vader gedane aangifte over de periode 1991/1992.

(…)

Nu ontvangen wij een brief van Uw hand, gedateerd 21 december j.l. (de dag voordat wij met elkaar spraken) waarvan U op geen enkele wijze melding heeft gedaan in ons gesprek en waarin U spreekt over boete en heffingsrente terwijl u in ons gesprek verklaart geen boete op te leggen.

Het kan toch niet zo zijn dat u zonder verificatie van over de betreffende periode gedane aangifte overgaat tot opleggen van een aanvullende aanslag en deze dan ook nog eens meer dan verdubbelt en vervolgens verhoogt met boete en heffingsrente.

Wij verzoeken U om voorafgaand aan verdere aanslagen de in Uw archieven aanwezige informatie omtrent gedane aangiftes over de relevante periode te raadplegen en de in ons gesprek van 22 december j.l. gedane toezeggingen inzake boetes en heffingsrente na te komen.”.

2.9. Vervolgens zijn met dagtekening 31 december 2004 de navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1992 en de navorderingsaanslag vermogenbelasting over het jaar 1993 opgelegd.

2.10. Bij brief van 7 januari 2005 heeft verweerder gereageerd op de brief van eisers van

27 december 2004. Deze brief luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Naar aanleiding van ons gesprek op 22-12-2004 en uw brief van 27-12-2004 geef ik hierbij in het kort weer, wat

besproken is en een reactie op uw brief van 27-12-2004.

Tijdens het gesprek is de vraag of [erflater] een rekening in het buitenland heeft aangehouden bevestigend noch

ontkennend beantwoord. Er is mogelijk een rekening aangehouden.

Er werd gevraagd naar het verdere vervolg van handelen door de belastingdienst.

Uitgelegd dat er 2 mogelijkheden zijn.

1)

De gegevens worden alsnog verstrekt. Op basis daarvan wordt een nadeelberekening gemaakt. Over de te betalen

belasting daaruit wordt geen boete opgelegd maar wel heffingsrente in rekening gebracht. Hiertoe kan dan een

vaststellingsovereenkomst worden opgemaakt waarbij alles in een aanslag wordt opgelegd.

2)

De gegevens worden niet verstrekt. Dan wordt op basis van de ons bekende gegevens van meewerkers een reële

schatting gemaakt en worden over de diverse jaren afzonderlijk aanslagen opgelegd voor IB en VB met

heffingsrente en zonder boete.

(…)

Wij hebben u ook aangegeven dat gezien de vermogenstoename (van F 41,537,-) in de periode 1997-1998 bij een

bruto inkomen van F 53.276, - er blijkbaar andere vermogensbronnen of inkomsten geweest moeten zijn.

Het niet voldoen aan de informatieverplichting terzake van het verstrekken van gegevens zal leiden tot omkering

van de bewijslast.

In de vragenbrief (voorbeeld opvragen gegevens bij de buitenlandse bank) is gevraagd om alle gegevens van

buitenlandse rekeningen vanaf 1992. De omkering bewijslast geldt dus voor alle jaren. Het is voor mij niet

te herleiden in welk jaar de rekening is geopend. Hiervoor is uw medewerking vereist. Bij gebrek aan

medewerking moet ik mij baseren op de gegevens van belastingplichtigen die wél aan het onderzoek hebben

meegewerkt. Ik beschik weliswaar niet over de aangiften van alle jaren maar dat speelt geen rol voor het

berekenen van de verschuldigde belasting. Ik heb namelijk het bedrag van de verschuldigde belasting zorgvuldig

vastgesteld aan de hand van de mij wel bekende gegevens. Voor de jaren waarover helemaal geen gegevens meer

beschikbaar zijn, is op basis van latere jaren de verschuldigde belasting bepaald middels een redelijke

schatting.

Betreffende uw laatste alinea omtrent gedane toezeggingen zijn wij van mening dat er wel is gezegd dat er geen

boete wordt opgelegd, maar er absoluut geen sprake van is geweest dat er toezeggingen zijn gedaan inzake het niet

opleggen van heffingsrente.

Betreffende de vermelding van het opleggen van boete in de brief van 21 december kan ik u mededelen dat dit op

een foutieve vermelding van mijn kant berust.”.

2.11. Eisers hebben bij brieven van 12 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 2.9 genoemde navorderingsaanslagen. De motivering van de bezwaren luidt als volgt:

“Het is ons volkomen onduidelijk op welke grond de aanslag is gebaseerd. U gelieve ons bewijzen te

verschaffen van uw vermoedens inzake buitenlandse tegoeden.

Het is u niet bekend wat onze overleden vader heeft aangegeven, u bevestigde ons u dat geen inzage heeft gehad in

zijn aangifte over deze periode. Hoe komt u dan tot een navorderingsaanslag? Wij mogen toch veronderstellen dat

er correct aangifte gedaan is.

De cijfermatige basis voor uw berekening vormt een duistere slag in de lucht wanneer we deze naast de door u

gepresenteerde veronderstelde feiten leggen.”.

2.12. Verweerder heeft hierop bij brief van 1 februari 2005 – voor zover van belang – als volgt gereageerd:

“(…) Per brief van 01 december 2004 bent u op de hoogte gesteld van het voornemen tot het opleggen van de

navorderingsaanslag. In deze brief is aangegeven op grond waarvan de navorderingsaanslag zou worden opgelegd

en hoe de hoogte van de navorderingsaanslag is bepaald. Naar aanleiding van deze brief heeft u een informeel

gesprek aangevraagd.

Dit gesprek heeft plaats gevonden op 22 december 2004.

Tijdens dit gesprek met u en uw mede-erfgenaam is u uitleg gegeven op basis waarvan de vermoedens inzake een

buitenlandse tegoed zijn gebaseerd, te weten verkregen informatie van de Belgische overheid. Op basis van deze

informatie heeft door de Fiod onderzoek plaats gevonden, waaruit duidelijk is gebleken dat uw overleden vader

houder is (geweest) van een rekening bij de [KB Lux].

Ook is in dit gesprek aangegeven dat er in latere jaren (met als voorbeeld het jaar 1998) vermogenstoenamen zijn

geconstateerd die niet uit de bij de belastingdienst bekende inkomsten kunnen worden verklaard.”.

2.13. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 7 februari 2005 aan eisers een – aan de hand van erflaters aangiften opgestelde – vermogensvergelijking over de jaren 1996 tot en met 2003 verstrekt. Daarbij heeft verweerder eisers erop gewezen dat uit deze vermogensvergelijking blijkt dat voor de jaren 1996 en 1999 sprake is van een negatief bruto privé en dat voor de jaren 1997, 1998 en 2001 sprake is van een dermate laag bruto privé dat, na verrekening van vaste lasten en andere uitgaven als kleding, vakantie, autokosten en abonnementen en dergelijke, er naar alle waarschijnlijkheid een negatief netto privé zal resteren. Verweerder heeft in dit verband eisers, onder verwijzing naar artikel 44, eerste lid, en artikel 47, eerste lid, van de Awr, verzocht om gegevens te overleggen waaruit de in de vermogensvergelijking vermelde verschillen verklaard kunnen worden. Op 18 april 2005 heeft verweerder een herinneringsbrief aan eisers gestuurd.

2.14. Bij brief van 23 september 2005 heeft verweerder eisers in kennis gesteld van zijn voornemen om voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1993 tot en met 2000 en voor de vermogensbelasting over de jaren 1994 tot en met 2000 navorderingsaanslagen op te leggen. In de brief is uiteengezet op welke wijze de navorderingsaanslagen zijn berekend.

2.15. Bij brief van 7 oktober 2005 geeft de door eisers ingeschakelde gemachtigde aan dat eisers als ontkenners moeten worden aangemerkt. In deze brief wordt verwezen naar een bijgevoegde brief van 25 mei 2005, waarin de gemachtigde aangeeft dat eisers pas na ontvangst van een bevredigende reactie op hun brief van 12 januari 2005 zullen bezien of zij de door verweerder bij brief van 18 april 2005 verzochte informatie zullen (kunnen) verstrekken. Verweerder heeft hierop bij brief van 25 oktober 2005 gereageerd. Daarin heeft hij aangegeven dat hij de brief van 25 mei 2005 niet heeft ontvangen, dat hij in zijn brief van 1 februari 2005 duidelijk heeft verwoord op grond waarvan en op welke wijze hij de navorderingsaanslagen, waartegen bezwaar is gemaakt, heeft vastgesteld en dat hij nog steeds geen antwoord op zijn brief van 7 februari 2005 heeft ontvangen.

2.16. Bij brief van 14 november 2005 heeft verweerder aan eisers gemachtigde meegedeeld de in zijn brief van 23 september 2005 aangekondigde navorderingsaanslagen te zullen opleggen. Met dagtekening 31 december 2005 zijn de navorderingsaanslagen voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1993 tot en met 2000 en voor de vermogensbelasting over de jaren 1994 tot en met 2000 opgelegd. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij om uitstel van de motivering verzocht totdat in de proefprocedures van [C] betreffende het Rekeningenproject definitief is beslist. Een dergelijk verzoek hebben eisers in beroep herhaald.

2.17. Uit de brieven van 1 december 2004 en van 23 september 2005 blijkt dat verweerder de hiervoor […] vermelde navorderingsaanslagen op de volgende verhogingen heeft gebaseerd:

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1992 inkomen verhoogd met ƒ 23.333

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1993 inkomen verhoogd met ƒ 20.633

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1994 inkomen verhoogd met ƒ 17.235

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1995 inkomen verhoogd met ƒ 17.100

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1996 inkomen verhoogd met ƒ 17.190

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1997 inkomen verhoogd met ƒ 18.360

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1998 inkomen verhoogd met ƒ 19.013

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1999 inkomen verhoogd met ƒ 20.025

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2000 inkomen verhoogd met ƒ 22.208

Vermogensbelasting 1993 vermogen verhoogd met ƒ 502.000

Vermogensbelasting 1994 vermogen verhoogd met ƒ 523.000

Vermogensbelasting 1995 vermogen verhoogd met ƒ 520.000

Vermogensbelasting 1996 vermogen verhoogd met ƒ 592.000

Vermogensbelasting 1997 vermogen verhoogd met ƒ 592.000

Vermogensbelasting 1998 vermogen verhoogd met ƒ 681.000

Vermogensbelasting 1999 vermogen verhoogd met ƒ 680.000

Vermogensbelasting 2000 vermogen verhoogd met ƒ 758.000.”

3.2. Voorts is in hoger beroep op grond van de stukken van het geding als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.2.1. Erflater woonde samen met mevrouw [D]. De samenwoning is verbroken doordat zij in 1994 in een verpleeghuis is opgenomen vanwege dementie.

3.2.2. De aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995 tot en met 2000 en in de vermogensbelasting 1996 tot en met 2000 zijn aan erflater opgelegd op de volgende data:

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vermogensbelasting

1995 28 februari 1997 1996 28 februari 1997

1996 2 januari 1998 1997 2 januari 1998

1997 2 mei 1998 1998 2 mei 1998

1998 20 augustus 1999 1999 20 augustus 1999

1999 16 juni 2000 2000 16 juni 2000

2000 21 november 2001

De daaraan ten grondslagliggende aangiften zijn door de Inspecteur voor de rechtbank overgelegd.

3.2.3. De Inspecteur heeft bij brief van 23 april 2012 aan het Hof de specificatie van de bij het opleggen van de navorderingsaanslagen gehanteerde tarieven gezonden.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen rechtsgeldig zijn opgelegd, welke vraag belanghebbenden ontkennend beantwoorden en de Inspecteur bevestigend. Voorts is in geschil of belanghebbenden recht hebben op een integrale proceskostenvergoeding alsmede een vergoeding van immateriële schade, hetgeen belanghebbenden stellen en de Inspecteur bestrijdt.

4.2. Belanghebbenden hebben ter ondersteuning van hun standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

De rechtbank had moeten onderzoeken of:

- De Staat der Nederlanden op grond van de artikelen 7 en 8 van de Richtlijn 77/799 EG (hierna: de Richtlijn) en het souvereiniteitsbeginsel gehouden was toestemming te vragen aan het Ministerie van Financiën van Luxemburg om de van de Belgische autoriteiten verkregen gegevens te gebruiken in fiscale procedures.

- De Richtlijn en het souvereiniteitsbeginsel zijn geschonden doordat de Belgische belastingdienst in het kader van spontane gegevensuitwisseling op basis van de Richtlijn gegevens die vervat waren in, dan wel ontleend waren aan, onrechtmatig verkregen bewijs, aan het Ministerie van Financiën van Nederland heeft verstrekt en dat Ministerie die inlichtingen heeft aanvaard en gebruikt in het kader van fiscale procedures.

- De onrechtmatige verkrijging van de gegevens door België als zodanig eraan in de weg staat dat de Nederlandse autoriteiten die gegevens mochten gebruiken.

De rechtbank heeft ten onrechte:

- Geen rekening gehouden met de omstandigheid dat belanghebbenden niet wisten dat erflater een buitenlandse bankrekening heeft aangehouden.

- Het beroep van de Inspecteur op artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) toegewezen;

- De identificatie van erflater aan de hand van de RDW bestanden toegepast.

De rechtbank heeft de bewijslast onjuist verdeeld en ten onrechte omgekeerd.

De Inspecteur had stukken dienen over te leggen waaruit de gang van zaken bij de KB Lux en het zogenoemde “Postverbot” konden worden afgeleid. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij over voldoende aanwijzingen beschikt om tot het vragen van gegevens op grond van het bepaalde in artikel 47 van de Awr te komen. Pas in de bezwaar- en beroepsprocedure is door de Inspecteur inzage gegeven in de stukken waaraan hij de wetenschap ontleent dat erflater beschikte over buitenlandse banktegoeden.

De Inspecteur is bij het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 1993 tot en met 2000 niet voortvarend genoeg te werk gegaan. Belanghebbenden hebben op 25 juni 2004 een vragenbrief ingevuld terwijl de aanslagen over de jaren 1993 tot en met 2000 pas op 31 december 2005 zijn opgelegd. Belanghebbenden hebben vanaf 25 juni 2004 volgehouden niets te weten over een bankrekening die erflater in het buitenland zou hebben aangehouden. Niet van belang is of de Inspecteur in de tussentijd rappelbrieven heeft verzonden en/of belanghebbenden zijn uitgenodigd voor een gesprek. Belanghebbenden doen in dit verband een beroep op een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 19 april 2011, 06/00295 en 06/00296, LJN: BQ 2995 waaruit dit, naar zij stellen, is af te leiden.

De navorderingsaanslagen over de jaren 1992 tot en met 2000 zijn na het verstrijken van de voor navordering geldende termijn van vijf jaar en dus te laat opgelegd. De navorderingstermijn bedraagt in dit geval vijf jaar in plaats van twaalf jaar omdat de Inspecteur beschikt over aanwijzingen in de door erflater gedane aangiften dat deze een bankrekening in het buitenland aanhield. Erflater heeft jaarlijks aangifte gedaan en alle genoten rente-inkomsten en vermogens consequent aangegeven. Volgens vraag 17a in de aangifte, alwaar de ontvangen rente moet worden ingevuld, moet daar ook worden vermeld de rente die is ontvangen op tegoeden in het buitenland. De mogelijkheid is echter aanwezig dat erflater de rente op buitenlandse tegoeden heeft aangegeven en een specificatie daarvan heeft meegezonden met de aangiften waarin hij rente op buitenlandse tegoeden heeft vermeld. Vraag 17w in de aangifte, waar de rente die bij vraag 17a is vermeld op tegoeden in het buitenland apart vermeld moet worden, is niet ingevuld. Ook als geen specificatie is meegezonden zijn er toch aanwijzingen voor de Inspecteur aanwezig omdat de Nederlandse banken gegevens van rekeninghouders rechtstreeks doorgeven aan de Belastingdienst. Het is pleitbaar dat erflater reeds heeft afgerekend over de in het buitenland genoten rente. Bij de belanghebbenden is het vertrouwen gewekt dat hen geen navorderingsaanslagen zouden worden opgelegd.

Subsidiair stellen belanghebbenden dat de navorderingsaanslagen dienen te worden verminderd omdat geen sprake is van een redelijke schatting van de genoten rente en het opgebouwde vermogen in het buitenland. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij het maken van een redelijke schatting van de genoten rente-inkomsten en het opgebouwde vermogen geen vermenigvuldiging met de factor 1,5 plaats te vinden aangezien deze factor niet berust op redelijke uitgangspunten. Het Hof dient de factor 1 toe te passen.

De door de Inspecteur opgestelde vermogensvergelijking is niet juist omdat tevens rekening dient te worden gehouden met het door mevrouw [D], de partner van erflater, genoten pensioen. Bovendien is het mogelijk dat de partner ook over vermogen beschikte waaruit uitgaven voor gezamenlijk onderhoud en privé-uitgaven zijn gedaan. De herkomst van de onbekende inkomens- en vermogensbron is voldoende aannemelijk gemaakt. Erflater beheerde het inkomen en het vermogen van zijn partner.

Belanghebbenden doen tenslotte een beroep op het motiverings- en het evenredigheidsbeginsel.

4.3. De Inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De onderhavige gegevens zijn door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt op basis van artikel 4 van de Richtlijn. In het arrest van de strafkamer van de Hoge Raad van 14 november 2006, nr. 02324/05, NJ 2007, 179 alsmede het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nr. 43 050, V-N 2008/16.5, is geoordeeld dat sprake is van rechtsgeldige overdracht van documenten. Artikel 4 van de Richtlijn regelt de spontane uitwisseling van inlichtingen. In het eerste lid is een aantal situaties beschreven waarin lidstaten spontaan, dat wil zeggen zonder voorafgaand verzoek, inlichtingen verstrekken. Het derde lid bepaalt bovendien dat dit ook in andere gevallen kan. Daarvoor is niet noodzakelijk dat hierover via een overlegprocedure afspraken zijn gemaakt tussen twee lidstaten.

Artikel 8 van de Richtlijn bepaalt dat een aangezochte lidstaat niet verplicht is inlichtingen te verstrekken wanneer de wetgeving van die lidstaat niet toestaat dat de bevoegde autoriteit de gevraagde inlichtingen inwint. Het gaat aldaar dus om een situatie waarin op de voet van artikel 2 van de Richtlijn om inlichtingen wordt verzocht.

Vaststaat dat de onderhavige gegevens door de Belgische autoriteiten niet op basis van de Richtlijn zijn verkregen van de Luxemburgse autoriteiten. In de Richtlijn is niets bepaald omtrent het gebruik van gegevens die buiten de op basis van de Richtlijn gestelde regels door een lidstaat zijn verkregen. Niets staat eraan in de weg dat de Belgische autoriteiten de in het kader van een strafrechtelijk onderzoek verkregen gegevens spontaan aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt.

Anders dan belanghebbenden suggereren is geen sprake van schending van artikel 7 van de Richtlijn. De in het eerste lid vermelde geheimhoudingsplicht bepaalt slechts dat een in de nationale wetgeving van een lidstaat neergelegde geheimhouding ook wordt toegepast op de op basis van de Richtlijn verkregen informatie. In casu betekent dit dat een eventuele geheimhoudingsplicht die in Nederland bestaat, ook van toepassing is op de vanuit België ontvangen gegevens. Uit deze bepaling kan dan ook niet worden afgeleid dat wanneer in Luxemburg een geheimhouding geldt voor bankgegevens, dat deze geheimhouding ook van toepassing is in Nederland.

Belanghebbenden betogen dat de Belgische autoriteiten op grond van het vierde lid van artikel 7 van de Richtlijn aan de Luxemburgse autoriteiten toestemming hadden moeten vragen om de gegevens aan de Nederlandse autoriteiten te verstrekken. Dit standpunt is onjuist. Aangezien de Belgische autoriteiten de gegevens niet hebben verkregen van de Luxemburgse autoriteiten, is deze bepaling niet van toepassing en waren de Belgische autoriteiten niet verplicht om toestemming te vragen.

Belanghebbenden betogen verder nog dat de Richtlijn alleen maar toestaat dat rechtmatig verkregen inlichtingen worden verstrekt. Los van de vraag of de Belgische autoriteiten de gegevens rechtmatig hebben verkregen, moet worden opgemerkt dat een dergelijke beperking niet in de Richtlijn ligt besloten.

Ook stellen belanghebbenden dat de rechtbank heeft nagelaten te onderzoeken of de onrechtmatige verkrijging in België er aan in de weg staat dat de Nederlandse autoriteiten deze gegevens mogen gebruiken. De klachten die belanghebbenden aanvoeren, komen in de kern overeen met hetgeen de belastingplichtige in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, V-N 2008/16.5, heeft aangevoerd. De Hoge Raad heeft toen die stellingen verworpen.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt bovendien dat niet elk gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van de uit de wet voortvloeiende belastingschuld wordt verboden. Die bewijsmiddelen mogen in ieder geval worden gebruikt indien zij niet jegens belanghebbenden op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Gebruik zou slechts niet zijn toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarvan is in casu geen sprake. In dit kader kan ook worden gewezen op de onderdelen 6.6 tot en met 6.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal mr. Wattel in de zaak 43 050.

Belanghebbenden stellen dat zij als erfgenamen wegens de onbekendheid met de buitenlandse bankrekening niet in de heffing kunnen worden betrokken. Hiervan is in casu evenwel geen sprake. De aanslagen zijn immers opgelegd aan belanghebbenden als erfgenamen van hun vader omdat zij in hun hoedanigheid van erfgenaam aansprakelijk zijn.

Vast staat evenwel dat de Inspecteur over gegevens beschikte inzake rekeninghouders bij de KB Lux. Uit die gegevens blijkt tevens dat er van een rekening [xxxxxx] sprake is waaraan zowel de voor­ als achternaam van erflater alsmede de voor- en achternaam van een van de erfgenamen is gekoppeld. Uit onderzoek is vervolgens gebleken dat deze combinatie slechts eenmaal voorkwam. Het is volstrekt helder dat de Inspecteur bevoegd was om op basis van artikel 47 van de Awr van belanghebbenden inlichtingen te vragen over de buitenlandse bankrekening. Van een fishing-expedition is geen sprake.

Aan het vorenstaande doet voorts niet af dat de Inspecteur pas in een latere fase zijn kaarten op tafel heeft gelegd en aan belanghebbenden kenbaar heeft gemaakt over welke gegevens hij beschikt. Geen wettelijke bepaling, noch enig beginsel van behoorlijk bestuur, verplichtte de Inspecteur om inzage te verstrekken in de stukken waaruit hem was gebleken dat erflater houder was geweest van een buitenlandse bankrekening alvorens nakoming te vorderen van de uit de Awr voortvloeiende verplichting tot informatieverstrekking.

Zoals uit het uitgebreide proces-verbaal van ambtshandeling - bijlage A4 bij het verweerschrift voor de rechtbank - blijkt is de identificatie juist zeer zorgvuldig tot stand gekomen. Eerst is aan de hand van het BVR-bestand vastgesteld dat vijfmaal de familienaam [Achternaam] voorkomt waarbij de eerste voorletter de letter [Voorletter voornaam X] is en die toehoort aan een persoon van het mannelijke geslacht. Van deze vijf personen kon in alle gevallen de voornaam achterhaald worden aan de hand van de gegevens uit de bestanden van het RDW, de Kamer van Koophandel en het Kadaster. Drie personen dragen de voornaam [Voornaam X]. Daarna is aan de hand van het BVR-bestand vastgesteld dat hiervan slechts één persoon een kind heeft waarbij de eerste voorletter een [Voorletter voornaam B] is. Uit het bestand van het RDW blijkt vervolgens dat diens voornaam [Voornaam B] is. Gelet op deze unieke identificatie is vastgesteld dat - slechts - erflater als rekeninghouder van de rekening met nummer [xxxxxx] in aanmerking komt.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2003, nr. 38039, BNB 2003/203 kan worden afgeleid dat de inspecteur de aanslag niet naar willekeur mag opleggen. De inspecteur mag echter wel aan de hoge kant zitten. Enige marge mag de inspecteur in aanmerking nemen om te voorkomen dat door te voorzichtig schatten een te laag bedrag in de heffing wordt betrokken. Belanghebbenden mogen niet worden beloond voor het halsstarrig weigeren om mee te werken aan het verstrekken van openheid omtrent hun fiscale positie. De Inspecteur heeft steeds gemotiveerd aangegeven voor welk probleem hij stond met betrekking tot het bepalen van de omvang van de aan te brengen correcties op het inkomen en het vermogen. Het enige harde gegeven waarover hij beschikte betrof de kopie van de microfiche waarop een saldo van de bankrekening stond vermeld. Vaststaat echter tevens, zoals is gebleken bij de grote groep meewerkers, dat dit saldo weinig zegt over de omvang van de verzwegen inkomsten en vermogens. Voorts moet worden geconstateerd dat belanghebbenden zeer wel in staat zijn om de onjuistheid van de schatting van de Inspecteur aan te tonen. Zij behoeven immers slechts de afschriften van de rekeningoverzichten te verstrekken om het unieke bewijs van de onjuistheid van de schatting te leveren. De Inspecteur heeft een aantal veronderstellingen geformuleerd en op basis daarvan een berekening gemaakt aan de hand van de feitelijke gegevens ten aanzien van belastingplichtigen die wel alsnog gegevens over hun verzwegen bankrekeningen hebben verstrekt. Hierbij is uitgegaan van de veronderstelling dat ontkenners en weigeraars meer hebben te verliezen dan de meewerkers. Als bekennen niet al te veel kost zal men sneller geneigd zijn om mee te werken dan wanneer het om grote bedragen gaat. Ook uit psychologisch oogpunt zal het alsnog moeten betalen van grote bedragen aan belasting een grotere drempel zijn om alsnog te bekennen dan bij kleine bedragen.

Voor de berekening van de omvang van de aan te brengen correctie op de cijfers van de meewerkers is de Inspecteur uitgegaan van het verschil tussen het gemiddelde renseignementsaldo bij ontkenners en weigeraars en bij meewerkers. Vastgesteld is dat het gemiddelde renseignement bij ontkenners en weigeraars 1,5 maal zo hoog was als van meewerkers.

Belanghebbenden kunnen op eenvoudige wijze de onjuistheid van de schatting aantonen als dat het geval is. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt, ook niet van de modelbrief die de Belastingdienst had bijgesloten die zij ingevuld naar de KB Lux hadden kunnen zenden.

De Inspecteur stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat erflater houder is geweest van de in het renseignement vermelde rekening met nummer [xxxxxx]. Voorts stelt hij aannemelijk te hebben gemaakt dat erflater de inkomens- en vermogensbestanddelen van deze rekening niet in zijn aangifte heeft aangegeven. Ook stelt hij aannemelijk te hebben gemaakt dat erflater in de jaren vanaf - tenminste - 1997 over (een) andere inkomens- en vermogensbron(nen) moet hebben beschikt dan hij in zijn aangiften heeft aangegeven.

In dit verband wijst hij op artikel 44 van de Awr, dat gaat over de vertegenwoordiging van een overledene en dat de bevoegdheden en de verplichtingen van de overledene uitgeoefend respectievelijk nagekomen moeten worden door zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel. Op grond van deze bepaling dienen belanghebbenden derhalve te voldoen aan de informatieplicht van artikel 47 van de Awr. Belanghebbenden hebben evenwel, ondanks de herhaalde verzoeken van de Inspecteur, geen gegevens verstrekt. Bij brief van 7 oktober 2005 geven belanghebbenden aan als ontkenner te moeten worden aangemerkt. Gelet hierop is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de bewijslast, ingevolge artikel 27, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr, moet worden omgekeerd. Belanghebbenden hebben op geen enkele wijze overtuigend aangetoond dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven.

Belanghebbenden stellen thans een verklaring te hebben voor de - overigens onbetwiste - uitkomsten van de door de Inspecteur overgelegde vermogensvergelijkingen voor de jaren 1996 tot en met 2003. De schommelingen in het vermogen van belanghebbenden zouden worden verklaard door het vermogen van mevrouw [D] dat werd beheerd door erflater. Belanghebbenden verwijzen in dit verband naar een tweetal bijlagen. Belanghebbenden tonen hiermee niet overtuigend aan dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven. Mevrouw [D] heeft weliswaar op hetzelfde woonadres ingeschreven gestaan maar verbleef sinds 1994 al in [verpleegtehuis] te [Q].

Voor de stelling dat de schommelingen in het vermogen van erflater worden verklaard uit de inkomens- en vermogenspositie van mevrouw [D] wordt geen enkel bewijs bijgebracht. Belanghebbenden volstaan met het toesturen van een tweetal afschriften. Het enige dat deze afschriften bewijzen is dat mevrouw [D] enige pensioeninkomsten en een AOW uitkering had en dat op 23 april 2003 een bedrag van € 2.000 is overgeschreven naar de rekening van erflater. Van een aanzienlijke inkomens- en vermogenspositie van mevrouw [D] die de schommelingen in zijn vermogen in de jaren 1997 tot en met 2003 verklaren blijkt evenwel niets.

4.4. Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbenden strekt tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen met vergoeding van de integrale kosten van de procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep, vergoeding van immateriële schade en teruggave van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbenden als eisers en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”Ontvankelijkheid beroepen

4.1. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, en in artikel 6:6, aanhef en onderdeel a, van de Awb is bepaald dat een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep bevat, respectievelijk dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien hieraan niet is voldaan.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van het beroep. Een summiere aanduiding van de gronden is in beginsel voldoende. Uit de bij het beroep gevoegde uitspraak op de bezwaren valt mede door de verwijzing naar de tussen partijen gevoerde correspondentie op te maken dat eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat erflater geen bankrekening bij de KB Lux heeft gehad dan wel dat erflater de betreffende tegoeden en de inkomsten daaruit in zijn aangiften heeft aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden geconcludeerd dat aan het door eisers ingediende beroepschrift de vereiste motivering ontbreekt, nu het voldoende duidelijk is dat eisers zich niet met de opgelegde navorderingsaanslagen en de hoogte daarvan kunnen verenigen, als ook de reden daarvan. Het beroepschrift van 22 februari 2007 is derhalve voldoende gemotiveerd. Hetgeen verweerder op dit punt heeft aangevoerd, wat daar overigens ook van zij, doet aan voormeld oordeel niet af. Dit brengt mee dat eisers ontvankelijk zijn in hun beroep.

Bewijslastverdeling

4.3. De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de bewijslast rust dat erflater houder is geweest van een bankrekening bij de KB Lux. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de onder 2.2 genoemde gegevens alsmede naar de op ambtseed opgemaakte bevindingen van de ambtenaar die met het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder [Voornaam X] [Achternaam] was belast (bijlage A4 van het verweerschrift). Uit dit proces-verbaal blijkt dat alleen erflater in aanmerking komt als houder van de KB Luxrekening [xxxxxx], omdat van de in het BVR-bestand (Beheer Van Relaties) van de belastingdienst opgenomen personen na vergelijking daartoe met het RDW-bestand (Rijksdienst voor het Wegverkeer) slechts één persoon van de drie met de naam [Voornaam X] [Achternaam], een zoon heeft met de naam [Voornaam B] [Achternaam]. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze uitkomst te twijfelen. Verweerder heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat erflater houder is geweest van de in het renseignement vermelde rekening met nummer [xxxxxx].

4.4. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt voorts mee dat verweerder aannemelijk dient te maken dat erflater de inkomens- en vermogensbestanddelen van zijn KB Lux rekening niet in zijn aangiften heeft aangegeven.

4.5. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de door verweerder ingebrachte aangiften inkomenstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1997 tot en met 2000 en de aangiften vermogensbelasting over de jaren 1998 tot en met 2000 van erflater in de mogelijkheid voorzagen om, naast een specificatie daarvan, ontvangen rente-inkomsten uit buitenlandse banktegoeden apart aan te geven (zie vraag 17 w (1997 en 1998) en vraag 18y (1999 en 2000)) en dat, zoals blijkt uit de toelichting op die aangiften, een specificatie van de saldi van de buitenlandse banktegoeden met de aangifte diende te worden meegezonden (zie vraag 26k (1997), vraag 28k (1998) en vraag 29k (1999)). Erflater heeft de vragen omtrent de ontvangen rente-inkomsten van buitenlandse banktegoeden in vorengenoemde aangiften niet aangevinkt. Een specificatie voor die jaren van zijn KB Lux rekening heeft hij evenmin overgelegd. De rechtbank gaat er vanuit dat erflater, naar verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld, door vorengenoemde vragen niet te beantwoorden alsmede geen specificatie van zijn KB Lux rekening te verstrekken, de inkomens- en vermogensbestanddelen van zijn KB Lux rekening niet in die aangiften vanaf het jaar 1997 heeft aangegeven.

4.6. Voormeld oordeel vindt ook bevestiging in hetgeen verweerder omtrent de hiervoor onder 2.13 vermelde vermogensvergelijking heeft aangevoerd. Volgens die vergelijking had erflater in 1996, 1999 en 2003 een negatief bruto privé van respectievelijk ƒ 15.652 (1996), ƒ 44.756 (1999) en

€ 27.388 (2003). In 1997, 1998 en 2001 was sprake van een zeer laag bruto privé van respectievelijk

ƒ 6.561 (1997), ƒ 9.142 (1998) en € 3.134 (2001). In 2000 en 2002 was daarentegen sprake van een zeer hoog bruto privé van respectievelijk ƒ 136.239 (2000) en € 32.822 (2002). Verweerder heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat erflater in die jaren over (een) andere inkomens- en vermogensbron(nen) moet hebben beschikt dan hij in zijn aangiften heeft aangegeven. Eisers hebben, met hetgeen zij desgevraagd ter zitting hebben aangevoerd, de herkomst van die onbekende inkomens- en vermogensbron(nen) niet aannemelijk gemaakt, terwijl dat, gelet op hetgeen verweerder op dit punt heeft aangevoerd, wel op hun weg had gelegen. De enkele stelling van eisers dat erflater mogelijk in de periode tussen de jaarwisselingen winst op aandelen dan wel andere speculatieve winsten heeft behaald, acht de rechtbank zonder enige nadere onderbouwing onvoldoende. Nu het er voorts voor moet worden gehouden dat erflater over een in een land met een bankgeheim gehouden bankrekening heeft beschikt, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat erflater de tegoeden van die rekening als ook de inkomsten daaruit niet heeft aangegeven.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het vorenoverwogene onder 4.5 en 4.6, een en ander in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk gemaakt dat erflater de inkomens- en vermogensbestanddelen van zijn KB Lux rekening niet in zijn aangiften vanaf het jaar 1997 heeft aangegeven. Daar het, voormeld oordeel in ogenschouw nemend, voorts niet voor de hand ligt dat erflater evengenoemde inkomens- en vermogensbestanddelen in eerdere jaren wél zou hebben aangegeven, gaat de rechtbank er van uit dat erflater dit ook niet in zijn aangiften over de jaren vóór 1997 heeft aangegeven. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zulks wel het geval is geweest. De enkele blote stelling van eisers dat erflater de inkomens- en vermogensbestanddelen van zijn KB Lux rekening in zijn aangiften heeft aangegeven, is daarvoor onvoldoende.

Omkering bewijslast

4.8. Nu het er voor moet worden gehouden dat erflater houder is geweest van de in het renseignement vermelde rekening [xxxxxx], en hij de tegoeden van die rekening en de inkomsten daaruit niet in zijn aangiften over de onderliggende jaren heeft aangegeven, komt de rechtbank toe aan de vraag of, naar verweerder heeft gesteld, de bewijslast dient te worden omgekeerd omdat eisers niet aan hun inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de Awr hebben voldaan. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.

4.9. Gelet op de door de Belgische overheid verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die naar erflater leidde, was er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eisers kennelijk van mening zijn, voldoende aanleiding om aan eisers, als rechtsverkrijgenden onder algemene titel, nadere inlichtingen omtrent die rekening te vragen zoals door verweerder is gedaan. Eisers waren dan ook verplicht om de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Eisers hebben deze gegevens, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder daartoe, niet verstrekt. Eisers hebben dan ook niet aan hun inlichtingenverplichting voldaan. De rechtbank is dan ook, met verweerder, van oordeel dat in dit geval ingevolge het bepaalde in artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr, de bewijslast dient te worden omgekeerd. Dit brengt mee dat de beroepen van eisers ongegrond moeten worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Het ligt dan op de weg van eisers om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven.

4.10. Met hetgeen eisers hebben aangevoerd, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De stelling van eisers dat zij de nalatenschap van erflater zorgvuldig hebben geïnventariseerd en dat zij na doorzoeking van het huis van erflater slechts één – Nederlandse – bankrekening van erflater hebben aangetroffen, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank acht daarbij van belang dat de KB Lux, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, geen bankpasjes aan zijn rekeninghouders verstrekt en dat de KB Lux een zogenoemd “Postverbot” hanteert. Dit Postverbot houdt in dat bankafschriften uitsluitend ter plekke bij de KB Lux kunnen worden ingezien en afgehaald. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat die bankafschriften in de meeste gevallen ter plekke bij de KB Lux worden vernietigd, met als doel de bij de KB Lux gehouden bankrekeningen uit het zicht van de fiscus te houden. Daarnaast mocht van eisers redelijkerwijs worden verwacht dat zij met enige inspanning, bijvoorbeeld aan de hand van de door verweerder verstrekte modelbrief, bij de KB Lux navraag zouden doen of erflater houder van een rekening bij de KB Lux is geweest. Eisers hebben dit echter nagelaten. Zij hebben de modelbrief van verweerder, naar zij ter zitting hebben verklaard, niet naar de KB Lux verzonden. Ook de poging van eisers om telefonisch inlichtingen van de KB Lux te verkrijgen, acht de rechtbank op dit punt onvoldoende.

Redelijke schatting

4.11. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomsten- en vermogensbestanddelen. Verweerder heeft de door hem gecorrigeerde inkomsten- en vermogensbestanddelen nader toegelicht in zijn brieven van

1 december 2004 en 23 september 2005 (zie bijlagen C6 en C18 van het verweerschrift). Op basis hiervan, en mede in acht nemend dat eisers tegen de berekening van verweerder als zodanig geen gronden hebben aangevoerd, moet de schatting van verweerder als redelijk worden aangemerkt.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.12. Eisers hebben ten slotte nog aangevoerd dat de navorderingsaanslagen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel, zijn opgelegd.

4.13. Eisers hebben, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat verweerder tijdens het gesprek van 22 december 2004 enige gedraging of uitlating heeft gedaan, waaraan eisers het in rechte te beschermen vertrouwen zouden hebben kunnen ontlenen dat in hun geval navordering achterwege zou blijven. Uit de inhoud van de brief van eisers van 27 december 2004 (zie 2.8) valt immers op te maken dat eisers, naar aanleiding van het gesprek van 22 december 2004, er toen alleen van uitgingen dat boetes en heffingsrente achterwege zouden worden gelaten. Dit strookt overigens ook, behalve voor wat betreft de heffingsrente, met de inhoud van het door verweerder opgemaakte gespreksverslag. Eisers hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat tijdens het gesprek van 22 december 2004 de afspraak was gemaakt dat verweerder de aangiften van erflater op het punt van de – al dan niet aangegeven – KB Lux rekening zou onderzoeken, laat staan dat het uitblijven van een reactie van verweerder op dit punt bij eisers de indruk kan hebben gewekt dat verweerder niet meer zou (mogen) navorderen. Ook de stelling van eisers dat de weergave van het door verweerder opgemaakte gespreksverslag niet juist zou zijn, omdat aan hen niet de keuze is voorgelegd tussen een aanslag op grond van een vaststellingsovereenkomst conform door eisers verstrekte gegevens dan wel navorderingsaanslagen op basis van een schatting vermeerderd met boete en heffingsrente, brengt, wat daar overigens ook van zij, niet mee dat in strijd zou zijn gehandeld met het vertrouwensbeginsel.

4.14. Ook anderszins is niet gebleken van enige gedraging of uitlating van verweerder waaraan eisers een in rechte te beschermen vertrouwen zouden hebben kunnen ontlenen dat in hun geval navordering achterwege zou blijven. De omstandigheid dat in de bijlage bij de brief van 1 december 2004 de gecorrigeerde inkomens over de jaren ná 1992 en de gecorrigeerde vermogens over de jaren ná 1993 op nihil zijn gesteld, maakt dit niet anders, nu uit de inhoud van die brief blijkt dat de daarin aangekondigde correcties uitsluitend betrekking hebben op het inkomen over het jaar 1992 en het vermogen over het jaar 1993.

4.15. Gelet op het vorenstaande faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.16. Het beroep van eisers op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt eveneens. Nog afgezien van het feit dat eisers op dit punt geen argumenten hebben aangevoerd, is, naar het oordeel van de rechtbank, voor een afzonderlijke toetsing van de navorderingsaanslagen aan het zorgvuldigheidsbeginsel geen plaats, nu de bevoegdheid van verweerder om via een navorderingsaanslag bij de aanslagregeling gemaakte fouten te herstellen uitputtend is geregeld in artikel 16 van de Awr (vgl. Hoge Raad 19 februari 1992, nr. 27 662, BNB 1992/150).

4.17. Gelet op het vorenoverwogene zijn de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen opgelegd.”

Beoordeling van het hoger beroep

Beroep op strijd met Richtlijn 77/799 EG

7.1.1. Het Hof verwerpt het beroep van belanghebbenden op strijd met de Richtlijn. Belanghebbenden gaan er bij hun beroep op de Richtlijn aan voorbij dat België de aan Nederland doorgegeven inlichtingen niet op basis van de Richtlijn van Luxemburg heeft verkregen maar op andere wijze heeft ontvangen. De Richtlijn is voorts niet van toepassing op door een lidstaat (België) aan een derde lidstaat (Nederland) doorgegeven inlichtingen die weliswaar afkomstig zijn uit een andere lidstaat (Luxemburg), maar niet aan de doorgevende staat zijn verstrekt door de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat (vgl. Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN: BM0137, BNB 2010/322). België heeft de inlichtingen aan Nederland spontaan verstrekt, waartoe de mogelijkheid is neergelegd in artikel 4 van de Richtlijn. Daarvoor is niet nodig dat in een overlegprocedure afspraken worden gemaakt. Niets staat aan het spontaan verstrekken van deze inlichtingen in de weg. Er is geen sprake van dat België door Nederland is verzocht om inlichtingen te verstrekken zodat artikel 8 van de Richtlijn geen toepassing vindt.

7.1.2. De Inspecteur mag naar het oordeel van het Hof de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens als bewijsmiddel gebruiken. De Nederlandse belastingdienst is in het bezit van de inlichtingen gekomen doordat de Belgische autoriteiten deze gegevens spontaan op basis van de Richtlijn aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt. Indien al kan worden aangenomen dat de inlichtingen (microfiches) op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen zijn de gegevens daarop door de Nederlandse belastingdienst niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches door een medewerker van de bank in Luxemburg en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de in die gegevens vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN: BA8179, BNB 2008/159).

(Verlengde) navorderingstermijn

7.2.1. De navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1992 tot en met 1999 en de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1993 tot en met 2000 zijn, naar tussen partijen kennelijk niet in geschil is, opgelegd met gebruikmaking van de termijn van 12 jaar voor navordering als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Awr (hierna: de verlengde navorderingstermijn).

7.2.2. De navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 is opgelegd op 31 december 2005. Voor dat jaar is door de Inspecteur derhalve geen gebruik gemaakt van verlenging van de termijn voor navordering van vijf jaar. Voorzover belanghebbenden stellen dat ook de navorderingsaanslag die is opgelegd met toepassing van de navorderingstermijn van vijf jaar niet met de nodige voortvarendheid is opgelegd en dat deze aanslag om die reden niet in stand kan blijven, verwerpt het Hof die stelling, omdat het beginsel van evenredigheid niet meebrengt dat het vereiste van voortvarendheid ook geldt met betrekking tot navorderingsaanslagen die zijn opgelegd binnen de termijn van vijf jaar als bedoeld artikel 16, derde lid, van de Awr.

7.2.3. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

7.2.4. Voor elk van de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het moment waarop de Inspecteur aanwijzingen van het bestaan van de KB Lux-rekening heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, aanvaardbaar is.

7.2.5. De tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en die welke noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie van erflater en het overige fiscale onderzoek, is naar het oordeel van het Hof voor elk van de navorderingsaanslagen aanvaardbaar. Daarbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen de massaliteit van het aantal vermeende rekeninghouders en de ten aanzien van ieder van hen te betrachten zorgvuldigheid.

7.2.6. Belanghebbenden hebben gesteld dat de Inspecteur in de periode die is verstreken tot het opleggen van de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting 1992 tot en met 1999 en de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting 1993 tot en met 2000 niet voortvarend heeft gehandeld. Van enig stilzitten door de Inspecteur is echter niet gebleken. Dat voortvarend is gehandeld blijkt naar het oordeel van het Hof voldoende uit de hierna vermelde gang van zaken. De eerste vragenbrief dateert van 22 juni 2004, de reactie van belanghebbenden van 29 juni 2004, de daaropvolgende brief van de Inspecteur van 8 november 2004, het antwoord van belanghebbenden van 11 november 2004, gevolgd door een brief van de Inspecteur van 19 november 2004, een brief van de Inspecteur van 1 december 2004, houdende kennisgeving van de navordering voor het jaar 1992 in de inkomstenbelasting en voor het jaar 1993 in de vermogensbelasting, en het antwoord daarop van belanghebbenden van 7 december 2004. Bij brief van 9 december 2004 bevestigt de Inspecteur de afspraak voor een informele bespreking die op 22 december 2004 is gehouden. Met dagtekening 21 december 2004 heeft de Inspecteur belanghebbenden medegedeeld het eerder geuite voornemen tot navordering tot uitvoering te brengen, waarop belanghebbenden hebben gereageerd bij brief van 27 december 2004. Het bezwaarschrift van belanghebbenden dat is ontvangen op 13 januari 2005 heeft betrekking op het jaar 1992 voor de inkomstenbelasting en het jaar 1993 voor de vermogensbelasting. In zijn brief van 1 februari 2005 heeft de Inspecteur de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en een nader verzoek om informatie aangekondigd. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbenden op 7 februari 2005 een vragenbrief verzonden, gevolgd door een rappel op 18 april 2005 toen een antwoord achterwege bleef. Vervolgens is op 23 september 2005 kennis gegeven dat navorderingsaanslagen voor de andere jaren zullen worden opgelegd. De zaken zijn daarna steeds gezamenlijk behandeld. Hierop is een reactie van de gemachtigde van belanghebbenden gevolgd op 7 oktober 2005 en heeft de Inspecteur geantwoord op 25 oktober 2005. De definitieve mededeling van de Inspecteur dat voor de andere jaren navorderingsaanslagen zullen worden opgelegd is gedagtekend 14 november 2005 waarna met dagtekening 31 december 2005 de navorderingsaanslagen zijn opgelegd. Op 2 december 2005 heeft de gemachtigde zijn bezwaarschriften verzonden. De omstandigheid dat op 31 december 2005 de aanslagen voor de andere jaren zijn gevolgd dient niet als op zichzelf staand te worden beschouwd. In aanmerking dient te worden genomen dat in de procedure met betrekking tot de inkomstenbelasting 1992 en de vermogensbelasting 1993 door de Inspecteur getracht is om van belanghebbenden informatie te krijgen over de KB Lux-rekening van erflater zodat hij ook voor andere jaren tot een juiste belastingheffing zou kunnen komen. De Inspecteur heeft belanghebbenden in die periode meermaals verzocht informatie over de in het buitenland aangehouden bankrekening van erflater te verstrekken, aan welk verzoek belanghebbenden geen gehoor hebben gegeven. In het kader van de te betrachten zorgvuldigheid is het redelijk dat de Inspecteur in het onderhavige geval ervoor heeft gekozen om de bezwaarfase met betrekking tot de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting 1992 en in de vermogensbelasting 1993 te voeren, alvorens de navorderingsaanslagen voor de latere jaren op te leggen, daar de Inspecteur zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij een juiste omvang van de verschuldigde belasting over de verschillende jaren. Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, is het Hof van oordeel dat met het vaststellen van de in 7.2.1 bedoelde navorderingsaanslagen, geen langere termijn is gemoeid dan op grond van het evenredigheidsbeginsel kan worden aanvaard.

Identificatie

7.3.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in overweging 3.4 van zijn uitspraak ten aanzien van de identificatie van de erflater als rekeninghouder van KB Lux-rekening [xxxxxx] en maakt deze tot de zijne.

Uit het proces-verbaal van ambtshandeling blijkt dat de identificatie zorgvuldig tot stand is gekomen. Eerst is aan de hand van het BVR-bestand vastgesteld dat vijfmaal de familienaam [Achternaam] voorkomt waarbij de eerste voorletter de letter [Voorletter voornaam X] welke toebehoort aan een persoon van het mannelijke geslacht. Van deze vijf personen kon in alle gevallen de voornaam achterhaald worden aan de hand van de gegevens uit de bestanden van de RDW, de Kamer van Koophandel en het Kadaster. Drie personen dragen de voornaam [Voornaam X]. Daarna is aan de hand van het BVR-bestand vastgesteld dat hiervan slechts één persoon een kind heeft waarbij de eerste voorletter een [Voorletter voornaam B] is. Uit het bestand van de RDW blijkt vervolgens dat de eerste voornaam [Voornaam B] is. Gelet op deze unieke identificatie is vastgesteld dat - slechts – erflater als rekeninghouder van de rekening met nummer [xxxxxx] in aanmerking komt.

7.3.2. Anders dan belanghebbenden stellen was de Inspecteur bevoegd om op basis van artikel 47 van de Awr aan belanghebbenden inlichtingen te vragen over de buitenlandse bankrekening. Van een fishing-expedition is geen sprake. Aan het vorenstaande doet niet af dat de Inspecteur in een latere fase aan belanghebbenden kenbaar heeft gemaakt over welke gegevens hij beschikt. Geen wettelijke bepaling, noch enig beginsel van behoorlijk bestuur, verplichtte de Inspecteur inzage te verstrekken in de stukken waaruit hem was gebleken dat erflater houder was geweest van een buitenlandse bankrekening alvorens nakoming te vorderen van de uit de Awr voortvloeiende verplichting tot informatieverstrekking.

Vertrouwensbeginsel

7.4.1. Het Hof volgt de rechtbank in de oordelen 4.13 tot en met 4.15 met betrekking tot het beroep van belanghebbenden op het vertrouwensbeginsel en maakt deze tot de zijne.

7.4.2. Belanghebbenden hebben in hoger beroep aangevoerd dat het mogelijk is dat erflater in de aangiften voor de onderhavige jaren zijn rente-inkomsten uit de KB Lux-rekening wel heeft aangegeven. De gemachtigde heeft gesteld dat in het geval die mogelijkheid aannemelijk wordt geacht alsdan niet de verlengde navorderingstermijn geldt. Voor de gegrondbevinding van hun stelling hebben belanghebbenden evenwel te weinig omstandigheden aangevoerd die deze stelling aannemelijk doet zijn. Erflater heeft weliswaar rente-inkomsten verantwoord maar in geen van de aangiften een bedrag aan buitenlandse rente-inkomsten ingevuld op de plaats waar deze afzonderlijk dienden te worden vermeld. Nu uit het dossier niet naar voren komt dat er in een of meerdere jaren een specificatie zou zijn meegezonden acht het Hof niet aannemelijk dat in enig jaar die rente-inkomsten zouden zijn begrepen in het totaalbedrag van rente-inkomsten. Ook van op enig moment door de Inspecteur bij belanghebbenden opgewekt vertrouwen dat geen navorderingsaanslagen zouden worden opgelegd is het Hof niet gebleken. Het Hof verwerpt deze stelling van belanghebbenden.

Bewijslastverdeling

7.5.1. De Inspecteur heeft belanghebbenden gevraagd gegevens en inlichtingen te verschaffen over door erflater in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Daarbij is belanghebbenden erop gewezen dat zij als rechtverkrijgenden onder algemene titel op grond van artikel 44 van de Awr wettelijk verplicht zijn die gegevens en inlichtingen te verstrekken en dat het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

7.5.2. Vaststaat dat in het kader van de vaststelling van de navorderingsaanslagen geen door de Inspecteur verlangde gegevens of inlichtingen over enige op naam van erflater staande in het buitenland aangehouden bankrekening zijn verstrekt, terwijl erflater reeds buiten eigen toedoen als houder van die buitenlandse rekening was geïdentificeerd, de Inspecteur van die gegevens en inlichtingen derhalve het bestaan mocht aannemen en voldoende aannemelijk is geworden dat erflater over die gegevens en inlichtingen beschikte of kon beschikken en tevens dat belanghebbenden hierover konden beschikken maar daarvoor niet de reis naar Luxemburg wilden ondernemen teneinde inlichtingen van de KB Lux te krijgen en ook niet het door de Belastingdienst toegezonden formulier ter verkrijging van inlichtingen van de KB Lux wilden invullen en verzenden aan de KB Lux. Aldus hebben belanghebbenden niet voldaan aan hun verplichting ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr. Hieruit moet volgen dat het Hof de beroepen met betrekking tot de nagevorderde belasting over de navorderingsjaren op grond van het bepaalde in artikel 27e, onderdeel b, van de Awr ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn.

Belanghebbenden zijn met hetgeen zij daarover hebben aangevoerd daarin niet geslaagd.

Redelijke schatting

7.6.1. De vader van belanghebbenden is - naar het Hof bewezen acht - houder van de rekening bij de KB Lux. Belanghebbenden hebben geen opening van zaken hierover gegeven. Dit betekent dat de Inspecteur ter vaststelling van de over de betrokken jaren verschuldigde belasting is aangewezen op een schatting.

7.6.2. Bij het maken van die schatting mag de Inspecteur de navorderingsaanslag niet naar willekeur vaststellen. De navorderingsaanslag moet berusten op een redelijke schatting van de te weinig betaalde belasting. Wat betreft de gemaakte schatting leidt het Hof uit de gedingstukken af dat de Inspecteur gebruik heeft gemaakt van een combinatie van de gegevens op de microfiches, de overigens verkregen gegevens van de KB Lux-rekeninghouders die hebben toegegeven een rekening bij de KB Lux te hebben of te hebben gehad en de vergelijking die hij heeft gemaakt van de vermogens van erflater aan het begin en einde van de betreffende jaren. Aan deze vergelijking heeft de Inspecteur, naar het oordeel van het Hof terecht, de gevolgtrekking verbonden dat gezien het negatieve bruto privé in 1996 en 1999 en het hoge besteedbare privé in het jaar 2000 blijkbaar andere vermogensbronnen of inkomstenbronnen aanwezig moeten zijn geweest.

7.6.3. Gelet op de uitkomsten van deze vermogensvergelijking en de spreiding van de vermogens daarin gecombineerd met de ervaringen met de rekeninghouders die wel hebben toegegeven een rekening bij KB Lux te hebben, kon de Inspecteur er redelijkerwijs van uitgaan, daarbij in aanmerking genomen het achterwege blijven van een opening van zaken door belanghebbenden, dat erflater in alle jaren waarop de navorderingsaanslagen zien houder is geweest van KB Lux-rekening [xxxxxx]. Het tegendeel is niet gebleken.

7.6.4. De Inspecteur heeft de hoogte van de correctie voor elk jaar gebaseerd op een modelmatige berekening. Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze berekening jegens de betreffende rekeninghouder (weigeraar en geïdentificeerde ontkenner) redelijk en dus niet willekeurig moet zijn en mag deze, gelet op de mate waarin gegevens slechts summier beschikbaar zijn, wel enige ruwheid vertonen (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324).

7.6.5. Het model voldoet, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in voormeld arrest

nr. 09/03075, nog aan de hiervoor aangelegde maatstaf wanneer – gegeven het feit dat de inspecteur door de houding van de rekeninghouder over slechts minimale gegevens beschikt – op redelijke wijze wordt vermeden dat inkomsten uit banksaldi ten onrechte niet in de heffing worden betrokken. Dit brengt onder meer mee dat het model gegevens van de vergelijkingsgroep (waartoe meewerkers behoren) als maatstaf mag nemen zonder uit te gaan van de gemiddelden binnen die groep, en dusdoende, mits onderbouwd, rekening mag houden met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een buitenlands tegoed aanhield, als ook met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een banktegoed aanhield dat hoger is dan een – uit bekende gegevens afgeleid – gemiddelde van de vergelijkingsgroep.

Het model is dus niet willekeurig of anderszins onredelijk waar het (a) ervan uitgaat dat de weigeraar in de gehele periode 1990 - 2000 (inkomsten uit) buitenlandse banksaldi had en deze niet heeft aangegeven (ook in bijvoorbeeld 1990, aangezien circa 39 percent van de meewerkers in dat jaar een rekening bij de KB Lux aanhield, en geen reden is aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden verondersteld dat dit percentage voor de weigeraars als groep in 1990 beduidend lager lag), en (b) een individuele weigeraar wat betreft de inkomens- en vermogenscorrecties behandelt als een meewerker met de hoogste inkomens- en vermogenscorrecties, na eliminatie van de zogenoemde uitschieters op basis van de zogenoemde 95%-norm waarbij meewerkers met de 5% hoogste correcties werden geëlimineerd.

7.6.6. Het model houdt tevens in dat de correcties bij de weigeraars als groep hoger dienen te zijn dan die bij de meewerkers als groep. Daartoe zijn de saldi en rentebaten waarvan op basis van de hiervoor vermelde uitgangspunten is uitgegaan vermenigvuldigd met een factor 1,5. Hiervoor is het argument gebruikt dat het gemiddelde saldo op microfiches bij ontkenners en weigeraars circa 1,5 maal hoger is dan bij meewerkers. Dit argument is evenwel in laatstbedoeld arrest als ontoereikend beoordeeld aangezien, naar is komen vast te staan bij de meewerkers, geen relevant verband bestaat tussen de hoogte van het renseignementsbedrag en de hoogte van de fiscale correctie waaruit volgt dat dan ook voor de correctie van de niet-meewerkers het verschil in hoogte van de renseignementsbedragen geen rol kan spelen bij het berekenen van de correctie.

7.6.7. Naar uit het arrest nr. 09/03075 voortvloeit dient in het geval de Inspecteur bij zijn berekening van de correcties zich op de hiervoor onder 7.6.6 vermelde factor van 1,5 baseert en voorts ook de modelmatige berekening heeft gehanteerd, deze factor 1,5 uit de berekening bij weigeraars/ontkenners te worden geëlimineerd omdat deze leidt tot willekeurige uitkomsten.

7.6.8. Vaststaat dat in het onderhavige geval de Inspecteur bij het vaststellen van de onderhavige navorderingsaanslagen uitgegaan is van het hiervoor beschreven model inclusief de vermenigvuldiging met de factor 1,5. In zoverre is op voorhand geen sprake van een redelijke schatting. Voor het overige leidt de berekening van de Inspecteur naar het oordeel van het Hof niet tot onredelijke uitkomsten over de onderhavige jaren. Belanghebbenden hebben daartegenover niet doen blijken dat de correcties van de Inspecteur te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbenden hebben nog gesteld dat in de door de Inspecteur gehanteerde vermogensvergelijking tevens rekening dient te worden gehouden met pensioen van de partner waarover erflater kon beschikken. Daartegenover heeft de Inspecteur gesteld dat, hetgeen ook is komen vast te staan, mevrouw [D] in een verpleeghuis woonde vanaf 1994 en dat tegenover haar inkomsten zij ook nog uitgaven had. Deze laatste omstandigheid kan naar het oordeel van het Hof in het algemeen als juist worden aangenomen. Belanghebbenden hebben geen concrete verifieerbare gegevens, bijvoorbeeld overzichten van een eventueel vermogen van mevrouw [D] en overzichten van uitkeringen en bestedingen van erflater en partner gezamenlijk verstrekt, waaruit blijkt dat in enig jaar sprake is van een hoger besteedbaar privé van erflater.

Slotsom: vermindering van de navorderingsaanslagen

7.7.1. Op grond van al het vorenoverwogene komen de navorderingsaanslagen voor vermindering in aanmerking. Het Hof zal uitgaande van de feitelijke gegevens die de Inspecteur bij brief van 23 april 2012, ingekomen 26 april 2012, over de berekening van de aanslagen heeft verstrekt, de correcties en de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1992 tot en met 2000 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1993 tot en met 2000 als volgt verminderen.

Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen IB/PVV Totaal

1992 inkomen verhoogd met ƒ 23.333/1,5 ƒ15.555 20,3% ƒ 3.158

1993 inkomen verhoogd met ƒ 20.633/1,5 ƒ13.755 20,5% ƒ 2.820

1994 inkomen verhoogd met ƒ 17.235/1,5 ƒ11.490 17,45% ƒ 2.005

1995 inkomen verhoogd met ƒ 17.100/1,5 ƒ11.400 16,8% ƒ 1.915

1996 inkomen verhoogd met ƒ 17.190/1,5 ƒ11.460 15,4% ƒ 1.765

1997 inkomen verhoogd met ƒ 18.360/1,5 ƒ12.240 15,55% ƒ 1.903

1998 inkomen verhoogd met ƒ 19.013/1,5 ƒ12.675 18,1% ƒ 2.294

1999 inkomen verhoogd met ƒ 20.025/1,5 ƒ13.350 17,85% over de 1e 15.000 ƒ 2.382

19,15% over het meerdere ƒ 

2000 inkomen verhoogd met ƒ 22.2081,5 ƒ14.805 16% over de1e 15.000 ƒ 2.369

20,05% over het meerdere ƒ  .

Vermogensbelasting VB Totaal

1993 vermogen verhoogd met ƒ 502.000/1,5 ƒ334.667 8 0/000 ƒ 2.173

1994 ƒ 523.000/1,5 ƒ348.667 ƒ 2.789

1995 ƒ 520.000/1,5 ƒ346.667 ƒ 2.773

1996 ƒ 592.000/1,5 ƒ394.667 ƒ 3.157

1997 ƒ 592.000/1,5 ƒ394.667 ƒ 3.157

1998 ƒ 681.000/1,5 ƒ454.000 7 0/000 ƒ 3.178

1999 ƒ 680.000/1,5 ƒ453.333 ƒ 3.173

2000 ƒ 758.000/1,5. ƒ505.333. ƒ 3.537.

7.7.2. De beschikkingen heffingsrente zullen dienovereenkomstig worden verminderd.

Immateriële schadevergoeding

8.1. Belanghebbenden maken aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die zij hebben geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil.

In zijn arresten van 10 en 21 juni 2011 heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN BO5046, LJN BO5080 en LJN BO5087). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN AO9006, BNB 2005/ 337. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Voor de berechting van een zaak door het Hof geldt, behoudens bijzondere omstandigheden, als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien het niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld uitspraak doet. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

8.2.1. De bezwaarfase heeft een aanvang genomen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 13 januari 2005 in de zaak BK-09/00567 met betrekking tot het jaar 1992 voor de inkomstenbelasting en het jaar 1993 voor de vermogensbelasting. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbenden op 7 februari 2005 een vragenbrief verzonden en gevolgd door een rappel op 18 april 2005 toen een antwoord achterwege bleef. Vervolgens zijn op 23 september 2005 de navorderingsaanslagen voor de andere jaren kennisgegeven. De zaken zijn daarna steeds gezamenlijk behandeld. Hierop is een reactie van de gemachtigde gevolgd op 7 oktober 2005 en heeft de Inspecteur geantwoord op 25 oktober 2005. Waarna de definitieve mededeling is gevolgd van 25 oktober 2005 en de oplegging met dagtekening 31 december 2005. Op 2 december 2005 heeft de gemachtigde zijn bezwaarschriften verzonden. Het Hof zal gelet op de gezamenlijke behandeling, voor de bepaling van de redelijke termijn uitgaan van de ontvangst van het eerste bezwaarschrift.

8.2.2. In de bezwaarschriften is vermeld dat belanghebbenden aanhouding wensen totdat de zogenoemde [C] procedure is afgerond. De nadere motivering van de bezwaarschriften heeft plaatsgevonden op 31 maart 2006, waarna een brief van de Inspecteur is gevolgd op 19 april 2006. De bezwaarfase is geëindigd op 9 februari 2007 met de uitspraak op bezwaar. Het beroepschrift is op 22 februari 2007 ingediend en op 8 maart 2007 is wederom verzocht om te wachten op uitkomst van de [C] procedure nu de cassatieprocedure daarvan nog liep. Het verweerschrift is ingediend op 19 juni 2007. De zitting bij de rechtbank vond plaats op 2 april 2009. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 24 juni 2009.

8.2.3. Sedert de ontvangst door de Inspecteur van het eerste bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank is vier jaar en zes maanden verlopen. Het hoger beroep is ingesteld op 24 juli 2009 en de Inspecteur heeft op 21 januari 2010 een verweerschrift ingediend. In hoger beroep heeft belanghebbende om uitstel verzocht om het arrest van de Hoge Raad af te wachten of de verlengde navorderingstermijn verenigbaar is met Europees Recht. Als het Hof uitspraak doet (9 mei 2012) is in hoger beroep een termijn van twee jaar en afgerond tien maanden verlopen. In dit geval is sprake van omstandigheden die verlenging van de duur van de berechting in de bezwaarfase en in eerste en tweede aanleg rechtvaardigen, nu aannemelijk is dat in afwachting van de uitkomsten van diverse gerechtelijke procedures (Nauta Dutilh en Passenheim-Van Schoot, HR 26 februari 2010, nrs. 43.050bis, LJN: BJ9092 en 43.670 bis, LJN: BJ912043.670 bis, LJN: BJ9120) de zaken in elke fase, bezwaar en beroep en hoger beroep, op verzoek van belanghebbenden zijn aangehouden. Het Hof zal daarvoor in de bezwaarfase een vermindering toepassen van vier maanden, gelet op de tijdspanne die is verlopen tussen het indienen van de bezwaarschriften van 2 december 2005 en de motivering op 31 maart 2006, en in beroep en hoger beroep een vermindering van telkens een jaar, gelet op het verloop van de genoemde gerechtelijke procedures.

8.2.4. Geconcludeerd moet worden dat de redelijke termijn is overschreden met in totaal afgerond een periode van zes maanden in de bezwaarfase. Aangezien gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning in het onderhavige geval van een vergoeding voor immateriële schade verhinderen, zal het Hof op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de Inspecteur veroordelen tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding van € 500. Gelet op de omstandigheid dat alle navorderingsjaren in samenhang met elkaar gezamenlijk zijn behandeld in bezwaar, beroep en hoger beroep, zal het Hof het bedrag van € 500, onder aansluiting bij de factor samenhang die is neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht, welk besluit eveneens op artikel 8:73 van de Awb is gegrond, vermenigvuldigen met factor 1,5 tot € 750.

Proceskosten en griffierecht

9.1.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken BK-09/00567 tot en met BK-09/00583 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 3.933 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank (2 punten à € 437 x 1,5 (gewicht van de zaken voor de rechtbank)) en voor het Hof (2 punten à € 437 x 1,5 (gewicht van de zaken voor het Hof)), vermenigvuldigd met factor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken

9.1.2. Het Hof ziet geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase reeds omdat in die fase niet om een dergelijke vergoeding is verzocht en ingevolge artikel 8:75 jo. 7:15, tweede lid, van de Awb slechts een vergoeding voor die fase mogelijk is in het geval het verzoek in die fase is gedaan.

9.1.3. Belanghebbenden hebben geen bijzondere omstandigheden gesteld of aannemelijk gemaakt op grond waarvan een hogere proceskostenvergoeding zou moeten worden toegekend.

9.2. Voorts dient aan belanghebbenden het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van tweemaal € 39, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 110 te worden vergoed, in totaal € 188.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1992 tot ƒ 3.158 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1993 tot ƒ 2.820 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1994 tot ƒ 2.005met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1995 tot ƒ 1.915 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1996 tot ƒ 1.765 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997 tot ƒ 1.903 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998 tot ƒ 2.294 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999 tot ƒ 2.382met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 tot ƒ 2.369 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1993 tot ƒ 2.173 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1994 tot ƒ 2.789 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1995 tot ƒ 2.773 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1996 tot ƒ 3.157 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1997 tot ƒ 3.157 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1998 tot ƒ 3.178 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999 tot ƒ 3.173 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 2000 tot ƒ 3.537 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.933;

- gelast de Staat aan belanghebbende een bedrag van € 188 aan griffierecht te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 750.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en H.J. van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 9 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.