Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8272

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
200.104.836-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9405, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad; vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.104.836/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 413355 / KG ZA 12-168

Arrest d.d. 25 september 2012

inzake

[appellant]

wonende te Den Helder,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting De Marwei te Leeuwarden,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M. Berbee te Den Helder,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 27 maart 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 maart 2012 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel (hierna: de voorzieningenrechter), tussen partijen heeft gewezen. Bij spoedappeldagvaarding (met producties) heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Hierna hebben partijen hun zaak op 27 augustus 2012 doen bepleiten door hun raadslieden, dit aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Arrest is bepaald op heden.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder 1. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. Bij arrest van het hof Amsterdam van 11 februari 2009 zijn aan [appellant] wegens - samengevat - afpersing, bedreiging, diefstal en vernieling schadevergoedingsmaatregelen opgelegd van vijfmaal € 3.500,- en eenmaal € 32.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door (opgeteld) 420 dagen hechtenis, met dien verstande dat [appellant] van zijn betalingsverplichting is of zal zijn bevrijd indien en voor zover zijn mededaders hebben betaald. Het arrest is onherroepelijk geworden.

1.2. De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB).

1.3. Nadat een eerder verzoek om een betalingsregeling van [appellant] was afgewezen, heeft het CJIB bij brief van 2 december 2009 een betalingsregeling toegestaan van € 50,- per maand voor de duur van zes maanden. Hierbij is [appellant] er door het CJIB op gewezen dat hij vóór 2 juni 2010 een nieuw betalingsvoorstel diende te doen en dat hij er rekening mee moest houden dat het totale bedrag binnen 27 maanden (de destijds geldende wettelijke termijn) betaald diende te zijn.

1.4. Bij een ongedateerde brief, bij het CJIB binnengekomen op 22 juni 2010, heeft [appellant] het CJIB verzocht wederom akkoord te gaan met een betalingsregeling van € 50,- per maand. Bij brief van 25 juni 2010 heeft het CJIB, met verwijzing naar de toen geldende wettelijke termijn van 27 maanden, dit voorstel afgewezen. In deze brief schrijft het CJIB dat [appellant] minstens € 1.817,34 per maand dient te voldoen.

1.5. Bij brief van 28 juni 2010 heeft [appellant] zijn betalingsvoorstel van € 50,- per maand herhaald. In de toelichting schrijft [appellant] dat hij, in afwachting van een uitkering, een inkomen heeft van € 40,- per week en dat hij nog andere schulden heeft.

1.6. Bij brief van 1 juli 2010 heeft het CJIB het voorstel van [appellant] afgewezen en hem meegedeeld dat de incasso op de gebruikelijke manier wordt voortgezet.

1.7. Nadat de ingeschakelde deurwaarder aan het CJIB had meegedeeld dat [appellant] geen verhaal bood, heeft het CJIB bij brief van 12 september 2011 een “waarschuwing arrestatiebevel” aan [appellant] gezonden.

1.8. Bij brief van 16 september 2011 meldt [forensich therapeut], forensisch therapeut bij GGZ Noord-Holland-Noord, met betrekking tot de gezondheidsituatie van [appellant] het volgende:

"Op 29 januari 2010 stelde [psychiater] de diagnose partiele ptss/depressieve stoornis. Hij beoordeelde dit als matig tot ernstig. In dat verband kreeg u medicatie voorgeschreven, te weten (...).

U heeft mij laten weten dat uw functioneren daarop verbeterd is en dat deze medicatie geen invloed heeft op de kwaliteit van uw werkzaamheden."

1.9. Bij ongedateerde brief, bij het CJIB binnengekomen op 18 oktober 2011, heeft [appellant] een betalingsvoorstel van € 500,- per maand gedaan. Dit voorstel is door het CJIB bij brief van 20 oktober 2011 afgewezen, met als motivering dat de zaak reeds uit handen is gegeven aan de politie.

1.10. Bij brief van 26 oktober 2011 heeft de huisarts van [appellant] hem verwezen naar de GGD voor keuring geschiktheid gijzeling. In deze verwijsbrief wordt melding gemaakt van twee hartinfarcten die [appellant] in september 2009 heeft doorgemaakt.

1.11. Naar aanleiding van een door [appellant] aanhangig gemaakt kort geding heeft het CJIB in december 2011 de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis opgeschort in afwachting van medisch onderzoek naar de detentieongeschiktheid van [appellant].

1.12. Bij brief van 25 januari 2012 heeft de medisch adviseur van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan het CJIB het volgende meegedeeld:

"Onder verwijzing naar uw schrijven van 2 december 2011 betreffende de plaatsing van bovengenoemde veroordeelde, bericht ik u dat ik bijgevoegde medische informatie heb bestudeerd alsmede medische informatie heb opgevraagd.

Op grond van de ontvangen informatie van de cardioloog alsmede de bijgevoegde informatie van huisarts en GGZ acht ik betrokkene detentiegeschikt."

1.13. Bij brief van 24 februari 2012 schrijft [cardioloog] bij het Academisch Medisch Centrum Amsterdam, met betrekking tot [appellant] het volgende:

"Samenvattend:

De heer [appellant] onderging op 08-10-2009, met goed gevolg, een elektieve PCI-behandeling van de RCA bij monovasculair coronarialijden.

Bij re-angiografie in het kader van een studie-protocol op 28-04-2010 was er sprake van een geslaagd PCI-resultaat en verder geen afwijkingen van betekenis.

Bij telefonische follow up in de afgelopen jaren is patiënt steeds klachtenvrij.

Voor cardiologische controle wordt hij gezien door collega J.G.M. Tans, cardioloog in Den Helder."

1.14. Bij brief van 29 februari 2012 heeft de medisch adviseur aan het CJIB meegedeeld dat ook de nieuw toegestuurde medische informatie van de cardioloog van [appellant] geen aanleiding geeft het advies van 25 januari 2012 te herzien.

1.15. [appellant] is op basis van een arrestatiebevel aangehouden. Op 2 juni 2012 heeft de vervangende hechtenis een aanvang genomen. Bij binnenkomst in de Penitentiaire Inrichting (PI) De Marwei te Leeuwarden op 4 juni 2012 heeft een verpleegkundige intake plaatsgevonden. De dag daarop heeft [appellant] met een verpleegkundige gesproken over zijn psychische toestand en dezelfde dag is hij verwezen naar het psychomedisch overleg (een multidisciplinair overleg waarin een verpleegkundige, de justitieel geneeskundige (inrichtingsarts), een psychiater en een psycholoog zitting hebben). De psychiatrische medicatie wordt binnen de PI voortgezet. De cardiale problematiek wordt in de gaten gehouden door de verpleegkundigen en de inrichtingsarts.

1.16. De contacten met en bevindingen van het medische personeel in de PI worden bijgehouden in een elektronisch medisch dossier. Bij brief van 20 augustus 2012 heeft de medisch adviseur aan het CJIB meegedeeld dat ook dit medische dossier van [appellant] geen aanleiding geeft om het advies van 25 januari 2012 te herzien.

2. Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

A. de Staat, althans het CJIB, verbiedt om de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen;

B. de Staat, althans het CJIB, verplicht om een betalingsregeling met [appellant] te treffen zoals deze eerder tussen partijen van kracht was;

C. voor zover [appellant] reeds in vervangende hechtenis is genomen, de Staat veroordeelt om [appellant] met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen;

D. de Staat veroordeelt tot betaling aan [appellant] van een dwangsom van € 250,- per dag dat de Staat in gebreke zal zijn met de naleving van het verbod onder A dan wel van de veroordeling onder C;

E. de Staat veroordeelt in de proceskosten.

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten van de Staat. Hiertegen richten zich de grieven.

4. Tijdens de pleidooizitting heeft de raadsman van [appellant] verklaard dat nu [appellant] inmiddels in vervangende hechtenis is genomen, in appel met name vordering C (gebod tot invrijheidstelling) nog aan de orde is (en naar het hof aanneemt tevens de accessoire dwangsomvordering D). Het hof stelt vast dat de burgerlijke rechter in deze zaak bevoegd is, nu [appellant] impliciet aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Voorts kan [appellant] in zijn vorderingen worden ontvangen, aangezien hij het doel van zijn vordering (verbod verdere tenuitvoerlegging vervangende hechtenis en invrijheidstelling) met geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang kan bereiken.

5. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen staat bij de beoordeling van dit geschil voorop dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat een schadevergoedingsmaatregel zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. Uit lid 3 van deze bepaling volgt dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan. Tot (formeel) 1 januari 2011 gold hierbij als uitgangspunt dat het gehele bedrag binnen twee jaar en drie maanden (dus zevenentwintig maanden) na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar was geworden, diende te zijn voldaan.

6. Het CJIB is door het openbaar ministerie belast met de executie van schadevergoedingsmaatregelen. Het CJIB heeft in deze een ruime beleidsvrijheid, zodat zijn beslissingen slechts marginaal getoetst kunnen worden. Daarbij is van belang dat, zoals eveneens terecht is overwogen in het bestreden vonnis, de wijze waarop het CJIB schadevergoedingsmaatregelen ten uitvoer legt, is neergelegd in de Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling (laatstelijk: Staatscourant 2010, 20473, rectificatie Staatscourant 2011, 20473 (hierna: de Aanwijzing)). De nu geldende Aanwijzing wijkt niet op relevante punten af van de Aanwijzing zoals deze gold ten tijde van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen aan [appellant]. Als uitgangspunt geldt dat schadevergoedingsmaatregelen zo snel mogelijk dienen te worden geëxecuteerd, bij voorkeur door inning. Indien verhaal niet succesvol kan worden afgesloten, wordt een arrestatiebevel uitgevaardigd. In bijlage 3 bij de Aanwijzing is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregelingen treft, tenzij een verzoek om een betalingsregeling op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. Voorts geldt dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling niet meer in behandeling wordt genomen zodra een arrestatiebevel is uitgevaardigd. Uit bijlage 3 volgt tevens dat de termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd in beginsel 12 maanden bedraagt, doch dat deze termijn in bijzondere gevallen kan worden verlengd tot 36 maanden. In uitzonderingsgevallen, waarin sprake is van een schrijnende situatie, kan ook van de termijn van 36 maanden worden afgeweken. In die gevallen wordt 'maatwerk toegepast in het individuele geval', zo vermeldt de wederom bijlage 3. Nu gesteld noch gebleken is dat dit beleid als zodanig onrechtmatig is, moet onderzocht worden of het beleid ook (rechtens) op juiste wijze is toegepast.

7. Grief 1 luidt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit de door [appellant] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat [appellant] detentieongeschikt is of dat zijn vrees voor stress met (een kans op) een hartaanval reëel is. Van belang is in dit verband dat tussen partijen niet in geschil is dat van detentieongeschiktheid alleen sprake is indien binnen de PI aan Ekkenburg geen passende zorg kan worden geboden. Dat deze situatie zich voordoet is onvoldoende onderbouwd. Het hof verwijst naar de overwegingen van de voorzieningenrechter te dier zake en maakt die tot de zijne. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [appellant] in september 2009 twee hartinfarcten heeft gehad, dat hij sindsdien onder controle staat bij een cardioloog en dat hij daarnaast psychische klachten heeft. Voorts is aannemelijk dat de detentie spanning en stress veroorzaakt en is het mogelijk dat daardoor de klachten verergeren. Een en ander maakt echter nog niet dat sprake is van detentieongeschiktheid als hiervoor bedoeld. De stelling dat de detentie de kans op een hartaanval aanmerkelijk vergroot, is niet onderbouwd. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat [appellant] onder controle staat van een psychomedisch team en dat daar waar nodig zorg wordt geboden (zie ook het hierboven onder 1.15. overwogene). Uit de adviezen van de medisch adviseur – inhoudende dat van detentieongeschiktheid geen sprake is – blijkt afdoende dat de adviseur ook de meest recente informatie van de cardioloog van [appellant] en de informatie uit het psychomedisch overleg zoals blijkt uit het medisch dossier, in aanmerking heeft genomen. Het hof acht de adviezen dan ook voldoende onderbouwd. Grief 1 faalt.

8. Zoals hierboven onder 6 is weergegeven is het vast beleid dat geen betalingsregeling meer wordt toegestaan indien eenmaal een arrestatiebevel is uitgevaardigd. Grief 2 betoogt, kort samengevat, dat de gezondheidstoestand van [appellant] een schrijnende situatie oplevert en dat daarom in dit geval een uitzondering op het beleid moet worden gemaakt. Ook deze grief faalt. De gezondheidstoestand van [appellant] maakt niet dat sprake is van een zodanige schrijnende situatie; het hof verwijst in dit verband naar het hierboven onder 7. overwogene. [appellant] heeft daarnaast nog gesteld dat de vervangende hechtenis alleen maar een vertragend effect zal hebben op de betaling omdat hij door de detentie zijn inkomsten kwijt raakt en het de vraag is of hij na ommekomst van de hechtenis direct in staat zal zijn een inkomen te verwerven. Deze stelling kan echter evenmin een uitzondering op het beleid rechtvaardigen, reeds nu de aanzegging vervangende hechtenis ertoe dient de betrokkene tot betaling binnen het kader van de Aanwijzing aan te sporen, terwijl, indien [appellant] in zijn visie zou worden gevolgd, iedere prikkel tot (spoedige) voldoening aan de opgelegde maatregel zou komen te ontvallen.

9. Grief 3 betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit de verklaringen van de advocaat van [appellant] in eerste aanleg moet worden afgeleid dat de inkomsten uit visserij een onregelmatig karakter (zullen) hebben. Nu [appellant] ter zitting in appel heeft aangegeven dat het werken als visser voor hem niet langer een optie is, is het te dier zake door de voorzieningenrechter overwogene niet relevant meer en faalt de grief reeds op die grond. Grief 4 is slechts in algemene bewoordingen gericht tegen het bestreden vonnis en heeft geen zelfstandige betekenis, zodat deze onbesproken kan blijven.

10. De conclusie luidt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld. Op verzoek van de Staat zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met bepaling dat over die proceskostenvergoeding, bij gebreke van (tijdige) betaling, de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 666,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.A.M. van Waesberghe, A.G.M. Zander en E.M. Dousma-Valk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2012 in aanwezigheid van de griffier.